De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BEKEERING VAN K. VAN GENNE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BEKEERING VAN K. VAN GENNE

6 minuten leestijd

Mijn weg was voor het uitwendige, zooals iedereen wel denken kan, moeilijk. Ik leefde dagelijks onder een menigte goddelooze menschen, waaronder ik dikwerf zat te zuchten, hoewel ik menigmaal zeggen moest, dat zij, hoe gruwelijk zij ook waren, nog zoo slecht niet waren als ik voor het alziend oog van God, die niet alleen aanziet wat voor oogen is, maar die ook het hart doorzoekt en de nieren beproeft; maar het bleef door Gods weerhoudende genade binnen en ik had er door genade geen vermaak in. Ja, 't was mij tot innerlijk leed en droefheid en ik wenschte ook hartelijk door Jezus' bloed af gewasschen te worden en door Zijn Geest te worden gereinigd van mijn zonden en ongerechtigheden.
Ja, gel. vriend, het was alleen de ontferming Gods, dat ik voor de uitwendige daden werd bewaard. Ik kreeg, door 's Geestes licht bestraald, hoe langer hoe dieper in die vuile bron in te zien, hetgeen mij de noodzakelijkheid van den gezegenden Heiland ook hoe langer hoe meer deed beseffen. Ja, het was gedurig : „Geef mij Jezus of ik sterf, geef mij dien, die mijn ziel liefheeft, want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf". De nood deed me gedurig uitroepen : „Behoud mij, Heere, of ik verga". Ja, als een zware last werd het mij veel te zwaar. Als ik op mijzelven zag, dan zag het er ellendig uit, want wie zal al die afdwalingen verstaan, al die verborgen zonden. Hierdoor moest ik soms uitroepen : „Ik, ellendig mensch, wie zal mij verlossen". Ja, ik zou er onder zijn neergestort, had de Heere mij niet gedurig opgericht uit de diepte van moedeloosheid. Mijn godzalige vrienden waren mij tot bijzondere troost en opbeuring onder den goddelijken zegen, waardoor ik ook zeer nauw aan hen verbonden werd. Ze hebben veel met mij overbracht. De Heere vergelde aan hen de arbeid der liefde.
Ja, gel. vriend, de Heere heeft mij in vele moeilijke wegen ondersteund en kracht naar kruis gegeven. Had Gods hand mij ook niet ondersteund, dan zou ik de weg ook niet doorgekomen zijn, want gij kunt licht denken wat het zeggen wil, onder een menigte uitermate goddelooze menschen dagelijks te leven, met daarbij de haat van allen om 's Heeren wil. Had ik nog kunnen gelooven dat ik deel aan Jezus had, dan zou ik het gemakkelijker hébben kunnen dragen. Ja, gel, wat is God niet lankmoedig over menschen ; ik heb mij wel eens moeten verwonderen over het geduld dat Hij met mijn medereizigers en mij gehad heeft. Des avonds heb ik menigmaal met mijn vingers in de ooren gelegen onder de allervreeselijkste vloeken en Godonteerende gesprekken en menigmaal gevreesd dat wij zoo in den grond verzinken zouden. O, oneindige lankmoedigheid ! Ik had somtijds ook zeer veel vrees idiat ik mijn oude paden weer zou inslaan en dat ik dan ook erger zou worden als ooit te voren. Met deze bekommering ging ik gedurig rond, want 't was rondom en van binnen gevaar. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden ; gewis als hij het houdt naar Gods, Woord. „Och, Heere", moest ik elke morgen zeggen, „dat een wacht voor mijn mond; zij, en behoedt Gij de deuren mijner lippen, en leg Uw vreeze op mijn hart; o, Gij hebt Jozef in Egypte bewaard, Gij kunt ook mij bewaren ; de wereld ziet op mij en mijn vijanden zouden zich verblijden over het glibberen van mijn voet". Ja, zij deden alle mogelijke moeite om mij toch dat naargeestige leven uit mijn hoofd te praten. De duivel zocht mij ook gedurig in het oor te fluisteren dat anderen nu toch meer vermaak in de wereld hadden dan ik. Ja, moest ik zeggen, dat is ook zoo, maar ik kan daar geen vermaak meer in aantreffen. Dan zocht hij mijn booze hart af te trekken, maar alles gelukte, niet. Met Paulus zeg ik: Door hulpe, van God verkregen, sta ik tot op dezen dag". Hand. 26 : 22. Hij, die alle macht in hemel en op aarde heeft, Matth. 28 : 18, werkte met veel kracht aan mijn ziel en toonde zoo zichtbaar: als Hij werkt, wie zal dan keeren, als Hij beroert, wie zal dan stillen, Jes. 43 : 13. Ja, gel. vriend, van achteren kan ik er de hand Gods in zien en eerbiedigen. Ik ging mijn weg al zuchtende voort, onder vele worstelingen en gebeden, nacht en dag, mijn bedstede menigmaal doornattende met mijn tranen, en vergat menigmaal mijn gewone spijze te eten. Psalm 102 : 5.
Eens op een morgen, toen ik zeer bedroefd en treurig naar mijn legerstede was gegaan en 's morgens ook weer zoo ontwaakte, kwam mij bij mijn wakker worden voor : „De droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekeering tot zaligheid", waardoor ik zeer werd opgebeurd uit mijn moedeloosheid, hopende, dat ik een droefheid naar God had, maar het duurde niet lang of ik was alweer diezelfde. Vele beloften kwamen mij wel voor en ook wel krachtig op mijn hart, maar ik kon er niet op rusten. Zij brachten mij ook gedurig aan het werk, maar ik kon nooit gelooven dat het voor mij was. Ik moest den Verbondsmiddelaar deelachtig zijn, zou ik er de rechte en gegronde vrucht voor mijzelven uit trekken. Ik was ook altijd bevreesd, om mij wat toe te eigenen, waar ik niet het minste recht op had, vreezende mijzelven door zelfbedrog in de eeuwige rampzaligheid te storten en daarom moest ik ook gedurig zeggen : „Doorgrond en ken mijn hart en zie of er ook nog een schadelijke weg zij en leid''' Gij mij op den eeuwigen weg". Dan bracht mij de Heere wel op het 'hart: Ik zal de blinden leiden door wegen, die ze niet geweten, en doen treden op paden, die ze niet gekend hebben, Jes. 42 : 16. „Ik zal de duisternis, voor haar aangezicht tot licht maken en het kromme tot recht". O, docht mij, dan kan er nog hope zijn dienaangaande. Maar ik was en bleef ontrust. Mijn schuld was nog niet uit de weg. Jezus had nog niet gezegd : „In uwen bloede leef, ja, in uwen bloede leef". Echter, ik kreeg hoe langer hoe meer in te zien in den weg der verzoening en vrede met God door Jezus Christus, dien gezegenden Verlosser, en hoe meer ik er van zag, hoe noodzakelijker en begeerlijker die weg der zaligheid mij werd.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

BEKEERING VAN K. VAN GENNE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's