KOHLBRUGGE’s LEER
van den ouden en den nieuwen mensch
In de Hersteld Luthersche Gemeente te Amsterdam, waar Kohlbrugge-proponent was, waade een liberale, Remonstrantsche geest. Het beroep van den rechtzinnigen predikant ds. Bendinger zette kwaad bloed bij de notabelen. Ook hadden Kohlbrugge's rechtzinnige predikaties, die lijnrecht tegen alle liberaal-Remonstrantisme ingingen, geen invloed ten goede op de stemming der notabelen, terwijl de groote toeloop tot zijn prediking den naijver der andere predikanten opwekte. Kohlbrugge merkte dan ook wel „dat men het met hem niet goed voor had". „Maar vrede bij God verkregen hebbende, sloeg hij op een en ander geen acht".
Het was omstreeks Pinksteren 1827. Op Zondag 13 Mei preekte ds. Uckerman over Joh, 16 vers 5—15. Ook Kohlbrugge was onder zijn gehoor en gaf bijzonder acht „om de belangrijkheid der stof". (Het Lidmaatschap, blz. 5 enz.). En ontroerd hoorde hij voor 't eerst door een predikant in de Herst. Luthersche Kerk in het openbaar loochenen de fundamenteele waarheden van het christelijk geloof, met verloochening van hetgeen de belijdenis der Kerk leerde.
Aanstonds na den dienst dacht K. met den predikant hierover te gaan spreken, maar werd, helaas „door bijkomende omstandigheden" verhinderd. Thuis gekomen, bad hij tot God, om te mogen weten „wat hierin zijn plicht was".
Met verschillende leden der Kerk sprak hij er over ; en hij besloot schriftelijk zijn bezwaren bij de notabelen in te dienen en de president had hem beloofd (hoewel deze vreesachtig was in deze) zijn klachten te zullen voorleggen aan de vergadering „als hij de bezwaren gewichtig genoeg oordeelde". De hoofdinhoud van de aanklacht, die mede door anderen onderteekend was, is de volgende : De predikatie van ds. Uckerman was „geheel strijdig met het Woord van God, de symbolische boeken onzer Kerk, onze geloofsbelijdenis en aller christenen ondervinding". Er was niets gezegd van den H. Geest, die overtuigt van zonde en oordeel; niets van het werken van den overste der wereld, hoe hij werkt in de kinderen des ongeloofs ; niets van de schatten en rijkdom van Christus, die de H. Geest uit Christus neemt; niets van de Godheid van Christus en Zijn éénswezensheid met den Vader en den H. Geest; dat van den H. Geest gezegd was, dat Zijn werking niet onwederstandelijk is, waardoor geloochend werd, dat de onbekeerde zondaar geheel in vijandschap is tegen God, in opstand tegen Zijn heilige wet, totdat de Almachtige kracht hem ter neder legt en de Heere hem te sterk wordt, gelijk ook elk bekeerde zal moeten bekennen.
Het waren liberaal-Remonstrantsche leeringen geweest, die ds. Uckerman op de preekstoel gebracht had. Zorgvuldig had hij de woorden „wedergeboorte" en „bekeering" vermeden. Gedurig sprak hij van „verbetering" en de bekeering bestond voor hem hierin, dat „wij met edele gevoelens en goede voornemens vervuld worden en zoo door eene allengs vermeerderde ontwikkeling van ons verstand tot betere inzichten komen". Niets was gezegd van de rechtvaardiging des zondaars door het geloof, niets van Christus Jezus als den eenigen grondslag des geloofs; niets daarvan, dat de mensch van nature dood is in zonde en ongerechtigheid; niets van onze blindheid, naaktheid en natuurlijk onvermogen tot eenig goed ; niets van de geestelijke behoefte aan de kracht Gods, die ons alleen beweegt tot zaligheid, enz. Het grootste gedeelte van de prediking was gegrond op een zedelijke verbetering in eigen kracht en door eigen wil". „De wijze, waarop ds. U. de bekeering heeft voorgesteld, is volstrekt Pelagiaansch en Remonstrantsch, niet naar 't Woord van God en de belijdenis onzer Kerk".
Met vele toewijzen werden deze beschuldiging en aanklacht door Kohlbrugge en zijn medeonderteekenaars gestaafd. „Zij meenden nu niet langer te mogen zwijgen".
Het Consistorie noemde dit stuk „lastertaal", „die menigen leeraar-en godsdienstvriend tranen van droefheid en afgrijzen moest afpersen". Het trad echter niet in een weerlegging en in een schrijven, aan de gemeente gericht, werd zij opgewekt de predikanten voor rechtzinnig te houden, omdat de kerkeraad zegt, dat zij het zijn. En later werd gezegd, „dat ds. U. bij een predikatie over Joh. 3 vers 16 zich over de hoofdzaken van het Christendom verklaard heeft en die mannelijk toewezen en verdedigd heeft'"'.
De diepe grond van het conflict lag hierin: dat Kohlbrugge, door den adem des Geestes krachtig aangegrepen tegen de dorre omgeving in de Hersteld Luthersche Gemeente aanbotste. Hij kwam met zijn welbewust doorleefde zielservaring, die zoo geheel naar het Woord was en waarbij hem de algeheele verdorvenheid van den mensch en de onwederstandelijke werking des Geestes vleesch en bloed was geworden, in botsing met de onzuivere prediking. Hij kon niet zwijgen, maar moest zijn bezwaren tegen den geest der eeuw inbrengen. Het Woord Gods en het Evangelie des Kruises werd gesteld tegenover de leugen-en dwaalleer van de liberalistisch-Remonstrantsche menschen van zijn tijd. „Onbekwaam tot eenig goed", „Christus de eenige grond", „rechtvaardig alleen door het geloof", „wedergeboren door de onwederstandelijke kracht Gods", „de mensch geheel lijdelijk m de wedergeboorte", „door God bewaard tot zaligheid" — zietdaar de stellingen, die Kohlbrugge aan de deur van de Hersteld Luthersche Kerk te Amsterdam aansloeg.
Dat op deze aanklacht een strijd zou volgen, waarvan het einde ernstig kon zijn, liet zich denken.
Den 21sten Mei was er een buitengewone vergadering van het Consistorie, waar Kohlbrugge en zijn medestrijders gelegenheid kregen hun bezwaren nader toe te lichten. Het scheen alsof de vertegenwoordigers in den kerkeraad zich geheel aan hun zijde schaarden ; „als die in alles zich overtuigd verklaarden" (Het Lidmaatschap, bladz. 6).
Een Commissie uit den kerkeraad zou met ds. U. spreken, maar deze hield zich overtuigd recht gepredikt te hebben, doch tot geruststelling van de aanklagers wilde hij gaarne bij de eerst volgende gelegenheid, nader over de genoemde punten verklaren. „Hij zou in een volgende predikatie verklaren de zuivere leer volgens Gods Woord en symbolische geschriften te zijn toegedaan" — rapporteerde de Kerkeraadscommissie (Het Lidmaatschap, bladz. 7).
Op den 2den Pinksterdag, 4 Juni 1827, preekte ds. Uckerman. Maar in plaats van de beloofde geruststelling te geven, begon hij zich te beklagen dat hij als onrechtzinnig leeraar was uitgekreten, verklaarde daarna, predikende over Joh. 3 vers 16, „de hoofdleer des Christendoms" en waarschuwde verder de gemeente voor de personen der aanklagers als „dwepers", „die den mensch tot wanhoop en zelfmoord brachten, naar wie de gemeente niet moest luisteren".
's Middags preekte Kohlbrugge zelf. Met angst besteeg hij den preekstoel „als een ongelukkige de strafplaats". Er was een buitengewoon groote schare. Maar in zijn ziel klonk het weldra: „Vrees niet. Ik ben met u; wijk niet. Ik ben uw God. Ik sterk u door de rechterhand Mijner gerechtigheid". , Het Lidmaatschap, blz. 8). Het orgel zweeg. Kohlbrugge begon zijn preek aldus:
„Gel. Broeders en Zusters, zal ik voor u optreden met een vroolijk of met een ópgescheurd hart ? Met een vroolijk hart bij de gedachte, dat wij heden vieren het feest van Pinksteren en opgekomen zijn in dezen heiligen tempel om in eendracht en liefde met vurige gebeden den Geest der liefde en des vredes af te smeeken ? Of met een 'bloedend en opgescheurd hart bij de herinnering van hetgeen hier op dezen predikstoel hedenmorgen gebeurd is ? Dit zeg ik u uit innige overtuiging, wat ik u gepredikt hebbe, heb ik van den Heere geleerd. Het kwam mij uit het hart en indien uw zalige leeraars Scholten en Reuter hunne oogen nog opdeden, zij predikten geen andere leer, dan ik u verkondige. Dit zij genoeg gezegd. Wie weet, wat er voorgevallen is, begrijpt mij ; wie het niet weet, zal het weldra gewaar worden. Gaan wij over tot onze inleiding". De preek was over Openb. 22 vers 17 : „En de Geest en de Bruid zeggen : Kom. En die het hoort zegge : Kom. En die dorst heeft kome; en die wil, neme het water des levens om niet".
Nu was de strijd volkomen. Men oordeelde, dat Kohlbrugge, die proponent was, zich van deze dingen had moeten onthouden. En men besloot dit K. „aan te zeggen'' en tevens van hem te verlangen, dat hij ds. U. vergeving vroeg „voor de aangedane beleediging en vooral voor de hevige aanranding van en aanval tegen deszelfs eer en ambtsbediening". „De waardigheid des leeraars moest gehandhaafd", was de slotconclusie van het Consistorie.
Intusschen werd K. bij den president-ouderling ontboden en onder geen zachte woorden van dweperij enz. beschuldigd. (Het Lidmaatschap, bladz. 9). Men sprak er reeds van, hem zonder lang proces af te zetten. Ds. Meijer raadde hem den ouderlingen één voor één om vergiffenis te gaan smeeken over zijn aanklacht en wat hij op den preekstoel gezegd had, opdat zij niet het ergste over hem besluiten zouden. Ds. Uckerman weigerde K. te ontvangen ; hij begeerde van den kerkeraad „uit hoofde van dat de proponent K. hem openlijk van den predikstoel van afwijking van de leer der Kerk heeft beschuldigd, deze ook in „het openbaar die beschuldiging zou intreden en herroepen, of wel dat hij vanwege het Consistorie als rechtzinnig leeraar zou worden verklaard".
Op verzoek van den kerkeraad, die gaarne „voldoend bewijs van rechtzinnigheid in alles en van waardig en getrouw leeraar te zijn bij de gemeente" aan ds. U. wilde geven, liet ds. U. den eisch van herroeping in het openbaar vallen. De proponent Kohlbrugge zou voor den kerkeraad worden geroepen, om daar alléén en zonder de mede-onderteekenaars van de schriftelijke aanklacht, te verschijnen (22 Juni). Hem werd, overeenkomstig het in de vorige vergadering beslotene, gezegd, dat hij als proponent geen aanklacht had mogen indienen. Zijn beschuldiging was lastertaal, die het Consistorie en elk christen niet dan met de grootste ontzetting kon vernemen. (Het Lidmaatschap, bladz. 11).
Als hij verzocht, zich te mogen verdedigen, werd hem dit niet toegestaan. „De vergadering treedt met u in geen details. Gij zijt hier ontboden om te herroepen", was de herhaalde verzekering van den president. Het Consistorie „hield ds. U. voor rechtzinnig en stond niet toe, dat K. noch tegen ds. U., noch tegen een ander leeraar godgeleerde punten behandelde, als verbiedende de waardigheid van het Consistorie te dulden, dat een leeraar een gebezigde uitdrukking tegen een lid der gemeente of deszelfs verlangen openlijk zou verdedigen, dat de predikanten ook niet gehouden waren om in dezen elk lid te voldoen, maar dat de predikanten ambtshalve verplicht en niet onwillig waren om een lid der gemeente te hooren en in de christelijke liefde en geest met hen te spreken".
Nadat K. eenigen tijd „buiten gestaan" had, verklaarde het Consistorie te blijven bij zijn eisch en besloot „na rijpe deliberatie dien eisch nimmer in te trekken". En voorts, indien Kohlbrugge zich onwillig toonde aan dien eisch te voldoen, „denzelven, uit overweging van jeugdige drift en onvoorzichtigheid, niet meer als proponent onzer gemeente te erkennen".
Noch bedreigingen, noch vleiende woorden vermochten Kohlbrugge tot herroeping te bewegen. Enkele bijzonderheden van dit verhoor zijn nog deze : Als K. zich wilde verdedigen, ontstond er een geroep : „Schreeuw zoo niet! Houd je mond, je staat hier niet te preeken". Ds. Bendinger, die zich in de vergadering overigens „neutraal" willen houden, als „leermeester van Kohlbrugge"(!), nam toen z'n hoed en dreigde te zullen vertrekken met de woorden : Laat de jongen spreken.
De president-ouderling (die een a.s. schoonzoon had, die ook proponent was en lijnrecht tegenover K. stond) verweet K., dat het zijn bedoeling was ds. U. uit het zadel te lichten en zelf daarin te komen; dat het alles bij K. geestelijke hoogmoed was en voortkwam uit een galachtig en boosaardig hart". Ouderling Uhlenbroek voegde hem toe : „Kwaje jongen ! Wat denk je wel, tegen zoo'n oud man; wat praat je van Reuter en Scholte, toen die er waren kon jij immers nog niet loopen ! Alle brave menschen verfoeien je, schaam je!" (Het Lidmaatschap, bladz. 15).
Kohlbrugge antwoordde : „Voor de waarheid strijd ik, voor de waarheid lijd ik".
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's