WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT
Gods beloften.
Er zijn in deze dagen niet weinige kinderen Gods, die geen weg weten met Gods leiding in hun leven.
Zij hebben hard gewerkt; zij hadden voldoende kennis van zaken en toch — ondanks alle inspanning is hun zaak achteruitgegaan en ten slotte vastgeloopen.
En nu zeggen ze: „Hoe kan dat ? Ik meende, dat God aan Zijn dienst verbonden had ook de beloften voor het tegenwoordige leven, en nu voert Hij mij toch door de duisternis van den maatschappelijken ondergang; waar moet ik daarmee naar toe; Heere, hoe kan dat ? "
Hebben nu de kinderen Gods, die zoo, nietbegrijpend, tegenover hun tijdelijken nood staan, daarin gelijk; is er voor zulk een houding werkelijk reden ?
Het lijkt mij toe, dat er aan zulk een houding een dwaling ten grondslag ligt, die onder ons vrij algemeen is en ook telkens weer wordt aangekweekt.
Ik bedoel dit.
Onder de Oude Bedeeling had God aan Zijn dienst zeer duidelijk verbonden de belofte van aardschen voorspoed.
Als Israël in 's Heeren wegen wandelen wilde, dan zou God geven een overvloedigen oogst van wijngaard en olijvenhof en korenakker ; dan zou Hij de kudden eich laten vermenigvuldigen.
Daarentegen werd ongehoorzaamheid bedreigd met straffen van droogte en misgewas en hongersnood.
Als Israël in de dagen van Haggaï den tempel niet opbouwt, terwijl het zelf woont in gewelfde huizen, dan komt de maatschappelijke nood over hen, zoodat zij zich niet in staat achten om iets te geven voor het herstel van Gods huis.
Maar dan zegt de Heere: „Israël, begin nu maar eens met Mij te geven, waarop Ik recht heb; en zie dan^ of Ik niet maken zal, dat uw schuren niet te klein zullen zijn om den overvloed, dien Ik geven zal, te bevatten."
Deze beloften nu, door God, onder de Oude Bedeeling aan Zijn volk gegeven, worden telkens, zonder meer, toegepast op de Nieuw Testamentische bedeeling.
Toch is dat niet goed.
Er is een groot onderscheid tusschen de gestalte, die het genadeverbond had onder het Oude-, en die, welke het heeft onder het Nieuwe Testament.
Het Oude Verbond liet in zichtbare, tastbare vormen zien, wat onder de Nieuwe Bedeeling geestelijke werkelijkheid zou worden.
Bijvoorbeeld.
Het reukwerk, dat in het Heilige van Tabernakel en Tempel zijn geurigen walm omhoog liet kronkelen, was een zichtbare voorstelling van de gebeden, die onder den Nieuwen Dag, uit de gemeente van Christus op zouden stijgen voor Gods aangezicht. Het Koninkrijk van Israël onder de Oude Bedeeling was een zichtbare voorstelling van het Koninkrijk der Hemelen, zooals het onder den Nieuwen Dag zijn geestelijk bestand zou hebben. Niet anders is het met de weldaden des Koninkrijks.
De weldaden des Verbonds droegen onder Israël, naar den aard van de Nieuwe Bedeeling, een zichtbare, tastbare gedaante ; koren, most, wijn, olie.
Maar deze rijke zegeningen bedoelden te zijn de zichtbare uitbeeldingen van de geestelijke weldaden, die onder de Nieuwe Bedeeling in heerlijke volheid over de gemeente zou worden uitgegoten.
Denk maar eens aan de profetie van Joel, waarin de uitstorting van den Heiligen Geest wordt voorgesteld als de vervulling van wat aan Israël gegeven werd in een milden, verkwikkenden, vruchtbaarmakenden regen.
Wie hiervoor oog heeft, ziet onmiddellijk hoe voorzichtig men zijn moet met het, zonder meer, toepassen van Oud-Testamentische beloften op 't leven van de Nieuw-Testamentische gemeente. Als een kind van God teeder leeft, in getrouwheid aan Gods gebod; als het den Heere niet onthoudt de offers van zijn kracht, zijn tijd, zijn goed, dan zal de Heere hem daarop antwoorden door hem te geven veel vrede, veel vreugde, veel genieting van Zijn gemeenschap, stervensmoed en een zekere verwachting der eeuwige zaligheid ; veel kracht in den strijd tegen de zonde ; maar — daarmee is niet gezegd, dat dat kind van
God ook aardsche voorspoed zal hebben. De beloften Gods aan het Oud-Testamentische kind van God gegeven, zullen aan hem vervuld worden in die geestelijke rijkdommen,
Maar nu mag hij tegelijkertijd er niet op rekenen, dat zijn dienen van God, zijn leven uit het geloof voor hem ook aardsche rijkdom beteekenen zal.
Zeker, de godzaligheid is ook voor het tijdelijke leven niet zonder beteekenis.
Wie in zijn leven Gods wil zoekt te volbrengen, zal daardoor vanzelf toegewijd en getrouw arbeiden, naar alle kanten zijn best doen.
En dat is voor het welslagen van iemands zaak en onderneming van groote beteekenis.
Menschen, die zóó leven, zullen ook eerder werk hebben en houden dan anderen, die zich in de vervulling van hun taak om Gods gebod niet bekommeren.
Ook kan God wel opzettelijk aan een leven in gehoorzaamheid tijdelijken zegen verbinden, als Hij dat noodig acht voor de bemoediging van Zijn kind, of als Hij daardoor de wereld zou willen laten zien, hoe goed het is God te dienen.
Maar God, die de Vrijmachtige is, bindt Zich daaraan niet.
Zelfs onder de Oude Bedeeling heeft Hij daarin Zijn vrijmacht getoond, door b.v. den godvruchtigen Job arm en ziek te maken, door Asaf in tegenheden te doen wandelen.
Hoeveel te meer zal Hij onder de Nieuwe Bedeeling, die geheel en al een geestelijk karakter draagt. Zich met betrekking tot de bedeeling van aardsche goederen aan Zijne kinderen, de Vrijmachtige toonen. Die het voor Zich zelf behoudt in welken vorm Hij Zijne beloften aan Zijne kinderen zal volbrengen.
Israël mocht het nog als regel verwachten, dat God hun vroomheid beloonde met koren en most.
Wij niet alzóó. Hij kan het doen ; Hij doet het, als Hij dat voor ons en de wereld noodig oordeelt.
Maar wij mogen daar niet op rekenen.
Waar wij op rekenen mogen, dat is dit, dat God ons, als wij voor Hem leven, altijd zal doen zeggen:
Gij hebt mij in 't hart meer vreugd' gegeven. Dan anderen smaken in een tijd. Dat zij, door aardsch geluk verheven. Bij koren en most wellustig leven, In hunnen overvloed verblijd«.
Maar hoe vol Hij onze beker schenken wil van aardsch goed, dat moeten wij afwachten.
En als het dan eens zeer schraal is, en al schraler wordt, dan moeten wij daarin nooit zien een bewijs, dat wij geen kinderen van God zouden zijn ; nog veel minder mag ons dat doen denken, dat God Zijn beloften aan ons gebroken heeft.
Dan hebben wij eenvoudig Gods Hand te grijpen en te zeggen : „Heere, ik geloof, dat Gij, ook in dezen weg. Uw liefde aan my verheerlijkt".
Dan maakt de tegenspoed ons niet moedeloos, nog veel minder opstandig, maar dan zal Hij ons laten drinken uit den toeker Zijner wellusten ; dan springen wij, met Habakuk, dat Oud-Testamentische kind van God, van vreugde op, zelfs bij een leege kast en een kale tafel.
Gron. Kerkbode).
D.v.D.
Wat is het recept?
„Daar is toch wel iets veranderd in de gedaante van deze aarde".
Zoo begint ds. Van Dijk, Geref. pred. te Zaandam, z'n Kroniek in het Geref. Tijdschrift.
En hij schrijft dan :
„Het zal ongeveer zes jaar geleden zijn, dat ik in „het roode Zaandam" — dat overigens als al het andere, (hetzij terloops opgemerkt, de schade lijdt van overdreven geruchten — hij elke gelegenheid dat het pas gaf, enthousiaste optochten van jongere en oudere S.D.A.P.-ers voorbij zag trekken
Vooral de Jeugdgroepen deden het in zoo'n optocht. Onberispelijk van orde. Recht op van lijf. Spirit in het jonge, geestdriftige lied. Meizon vallend op transparanten en vaandels, die in pakkende spreuk of klaar symbool te lezen gaven hoopvolle visioenen der toekomst.
Zelf geen S.D.A.P.-er, keek je er toch naar, zooals Faust op Paaschmorgen : Een festijn voor 't oog, maar niet geloofwaardig.
Thans is dat anders, 'k Wil niet zeggen, dat er nog niet eens een enkele optocht is maar die blijde-wereld-visioenen van voor een jaar of zes, worden niet meer op die manier aanschouwelijk gemaakt. De ziel lijkt er uit. Zelfs op den eersten Mei-dag blijft het grauw.
Heeft zich min of meer onbewust van Bebel's discipelen het pessimisme meester gemaakt, dat het er met de verwachting voor Morgen toch zoo héél gunstig niet voorstaat ?
„Vision der Zukunft ist für jede Gegenwart der starkste Krafttrager" heeft Paul Kleinert van Israels Profeten gezegd.
Daarin zijn we allen, waarheen we ons met onze blikken ook naar de toekomst richten, gelijk. Maar de blijde hope, die zich op een gestadige cultuurontwikkeling en op niets anders grondt, beleeft toch wel héél slechte tijden !
Reeds prof. Heijmans, die ook al weer eenige jaren dood is, vroeg, waar het verborgen lék toch zat, waar al de heerlijkheden der 19de eeuw, die op een St. Nicolaasavond geleek, door wegvloeiden ?
En nu komt daar het boek van een autoriteit als prof. Huizenga opnieuw met dezelfde vraag.
„In de schaduwen van morgen". Men zou tegen de beeldspraak in den titel bezwaar kunnen maken, wisten we niet van Jesaja, dat een komende morgenstond ook donkerheid beteekenen kan. Tusschen Huizenga 's diagnose van den tegenwoordigen tijd en zijn menschheid èn de karakterteekening die Bavinck er van heeft gegeven in zijn „Wijsbegeere der Openbaring", liggen welhaast dertig jaar.
In die drie decenniën vielen de groote wereldoorlog, de stichting en het vele werk van den Volkenbond ; daarin vielen de geweldige veranderingen in Rusland, Italië en Duitschland. Maar wie naast en na elkaar het jonge boek van den Leidschen professor en in dat van Bavinck (Wijsbegeerte der Openbaring) uit 1908 de laatste twee hoofdstukken Openbaring en Cultuur, Openbaring en Toekomst leest, die merkt met verwondering op, hoezeer het in wijden kring zoo „en vogue" zijnde oordeel van prof. Huizenga in 1935 bevestigt, hetgeen reeds in 1908 Bavinck waarschuwend schreef.
Daarom bevreemdt het, dat bij de bespreking, die het inderdaad hoogst belangrijke boek „In de schaduwen van morgen" in vele bladen reeds te beurt viel, zoo weinig aan Bavinck wordt terug" gedacht, wiens diagnostiek over den toen reeds aan onze krankheid lijdenden tijd o.i. dieper, en wiens therapie belijnder dan die van Huizenga, den weg wijst uit den nationalen en internationalen nood.
Misschien dringt het ook bij ons, theologen, niet genoeg door, tot welke hevige mate de krankheid onzer dagen gestegen is.
„Wij beleven, naar allen schijn, de hoogste gevarencomplicatie, die onze cultuur kan bedreigen" — zóó luidt ongeveer het resultaat van het onderzoek. „Er is een toestand ingetreden van verzwakten weerstand tegen infectie en intoxiatie, die met een dronkenschap te vergelijken is. De geest wordt vermorst".
Het boek van prof. Huizenga vraagt in zijn zoeken naar een uitweg : Zullen de Kerken den nieuwen geest, dien de wereld voor haar wederopbouw noodig heeft, brengen ?
Het antwoord op die vraag, door prof. H. gegeven, luidt:
»Het is waarschijnlijk, dat zij uit de vervolgingen, die zij nu te lijden hebben, gesterkt en gelouterd zullen voortkomen. Het is denkbaar, dat in een volgend tijdperk Latijnsche, Germaansche, Angelsaksische en Slavische godsdienstzin elkaar zullen ontmoeten en doordringen op den rotsbodem van het Christendom, in een wereld, die ook de rechtheid van den Islam en de diepten van het Oosten begrijpt. Maar de Kerken kunnen, als organisatie, slechts in zooverre zegevieren als zij de harten van haar belijders hebben gezuiverd De grondslagen van cultuur zijn van anderen aard dan dat zij door gemeenschapsorganen als zoodanig, hetzij volken, staten, kerken, scholen, partijen of genootschappen, zouden kunnen worden gelegd of in stand gehouden. Wat daar toe noodig is, is een inwendige loutering, dat de individuen aangrijpt* bladz. 217, v.
Een onbevredigend en vaag antwoord, waarbij immers de vraag open blijft: Ja — doch wat bedoelt ge met die inwendige loutering? Waar vind ik de eeuwige waarden, die mijn maatstaf zijn ?
Dan schrijft Bavinck in „Wijsbegeerte en Openbaring" het recept der genezing duidelijker dan Huizenga (Geref. Theol. Tijdschrift, November 1935).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's