OUD EN NIEUW
Psalm 79 : 9. Help ons, o God onzes heils ! ter oorzake van de eere Uws Naams ; en red ons en doe verzoening over onze zonden om uws Naams
Psalm 79 : 9. Help ons, o Ood onzes heils ! ter oorzake van de eere Uws Naams ; en red ons en doe verzoening over onze zonden om uws Naams wil.
De Oudejaarsavond dringt tot stille staan op den weg. Hij brengt ons op een hoogtepunt, vanwaar wij als vanzelf ons nog eenmaal wenden naar wat achter ligt, maar ook ons aangezicht keeren naar de toekomst. Hij spreekt van de vergankelijkheid van al het aardsche, zooals hij getuigt van de onvergankelijkheid van Hem, die van eeuwigheid tot eeuwigheid Dezelfde is, wiens jaren niet geëindigd worden. Ja, de Oudejaarsavond is eene ure van aangrijpenden ernst, daar hij dringt een oogenblik het leven te zien in eeuwigheidslicht. Wij zien als met onze oogen, hoe de aardsche dingen ons ontglijden, hoe wij eigen staan in diepe afhankelijkheid, ook al hebben den alledaagschen levensgang daarvan maar weinig besef. Immers, als wij ons oog laten gaan over het jaar, dat voorbijging, dan spreekt het ons door de ledige plaatsen, die het achterliet, van de gestadige afvloeiing van de wateren onzes levens. Naarmate onze jaren opgaan, tellen onze dagen af, en wij zien het, dat velen, die met ons het nu oud geworden jaar, toen het nieuw was, intraden, niet meer zijn. Velen werden uitgedragen naar den akker der dooden en wij gedenken hunner met het diepe leedwezen, dat navlijmen kan, zelfs als eene wonde zich sloot. Zoo vertolkt ons deze laatste ure, dat ook wij, al zijn wij dan nog en al treden wij nogmaals een nieuwen jaarkring in, optrekken naar ons eeuwig huis. Ja, de Oudejaarsavond herinnert op treffende wijze aan de levenswerkelijkheid, die den dood onderworpen is. Hij spreekt in duidelijke taal, in niet te miskennen klaarheid, dat ook ons einde nadert. Zooals dit jaar in eene gedachte aan ons voorbijging, zoo wentelt ook de spil onzes levens dag na dag en, naar het schijnt, telkens met grooter wordende snelheid naar het einde van onze levensdraad. En dit einde zal er zijn, eer wij het vermoeden, want het wordt snellijk afgesneden en wij vliegen daarheen. Van dat einde spreekt ons die laatste ure, en wijs is hij, die ooren heeft om haar te hooren. Hij toch zal verstaan, waarom de dichter heeft gebeden : „leer ons alzoo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen". En dat wijze hart leert de werkelijkheid zien, wanneer wij op den Oudejaarsavond onzen blik achterwaarts wenden en de dierbaren gedenken, die niet meer zijn. Het wijze hart leert ons de vraag te stellen of wij, indien soms in den komenden jaarkring ook wij werden opgeroepen, wij een gebouw hebben, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen, in het huis Zijns Vaders, waar vele woningen zijn. Het dringt tot eene worsteling des gebeds om het eeuwig licht te zien in den nacht van dezen tijd, om de zekerheid daarvan, dat geen schepsel, zelfs de dood niet, ons kan scheiden van de liefde Gods in Christus Jezus onzen Heere.
De Oudejaarsavond geeft ons onwillekeurig den tooverstaf der herinnering in de hand, roept de beelden op uit het verleden, doet ons stille staan voor elk, die in ons leven beteekenis heeft gehad, voor onze dierbaren bovenal, die wij noode missen in onzen kring, wier, ledige plaats door niemand kan worden vervuld; Maar hij brengt ons ook met ons eigen Ieven in die wereld, te midden waarvan wij werken en staan. Hij doordringt ons diep van de ontroerende donkerheid dezer tijden, van de geweldige gevaren, die het leven van alle volkeren thans bedreigen. Hij laat in onze ooren weerklinken de geruchten der oorlogen, spreekt van eene menschheid, waarop het oordeel rust harer zonde en welker voeten daarom snel zijn om bloed te vergieten. Hij getuigt van eene beschaving, die hare kracht zoekt in eene techniek, die den massa-moord opvoert tot een voorheen ongekende hoogte, van eene wereld, die als een vulcaan kookt en borrelt en de aarde doet dreunen en profeteert van verwoesting en verderf. Ja, wie die wereld aanschouwt, mede bukt onder den last van haar.leed, de donkerheid der toekomst zich voor den geest stelt, voor dien wordt de Oudejaarsavond een ontstellende ure, waarin de enkeling zich zoo eenzaam, zoo klein, zoo machteloos en nietig gevoelen kan te midden van de vreeselijke woelingen, waarvan deze tijd getuigenis geeft. De krachten in de wereld der zonde, die somtijds schijnen teruggedrongen te worden door de machtige hand onzes Gods, worden losgelaten en bewegen de aarde, die beeft onder de vreeze voor hetgeen de nu nog omsluierde toekomst baren kan. Hoe schoon, als wij ook hare geschiedenis zien mogen in het eeuwig licht van Gods scheppende daad, in den glans van Zijn recht en in hare eindbestemming in den gloed Zijner goddelijke liefde, die in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde in hare volheid zal worden gekend door de volken, die zalig worden en zullen wandelen in haar licht. Dan dringt deze avond tot een zelfonderzoek, tot beantwoording der allesbeheerschende vraag, of ook wij onder die schare den lof des Almachtigen zullen zingen.
De laatste ure is er als voor aangewezen in te keeren tot onszelven, Gods aangezicht te zoeken, in Zijn licht ons leven en dat der wereld te zien. En als wij daaraan waarlijk behoefte hebben, dan zullen wij Asaph verstaan, die ook in donkere dagen, onder diepgaand leed tot God komt. Het waren vreeselijke dagen, die hij beleefd had. Gods volk, de knechten des Heeren, waren wreed gedood, hun lichamen aan het gevogelte des hemels ten spijze gegeven. Als water was het bloed rondom Jeruzalem vergoten. Gods volk was den vijand ten prooi gevallen. Het waren dus vreeselijke tijden, dagen als de onze. En te midden daarvan werd nu Asaph gesteld in het licht van Gods Geest, zoodat hij de wereld aanschouwde bij dat licht der waarheid, dat allereerst leert de hand te steken in eigen boezem. Hij zag de oordeelen en hij stelde God in het recht, want hij bad onder diepe schuldbelijdenis: „Gedenk ons de vorige misdaden niet". Dus hij kende de wortelen van het oordeel en verklaarde het al uit eigen zonde en ongerechtigheid. Daarom was hem dan ook heel die vreeselijke toestand, waaronder hij met het gansche volk verkeerde, ind den grond niet een stoffelijke, maar een geestelijke vraag. Hij voelde heel zijn levensgang te midden van den nood zijner dagen aan als vrucht van de afwijking in de diepste levensgronden. Als een geestelijke ontwrichting verscheen het noodgeschrei der wereld rondom, hare ontroerende worsteling en ook de nood van Gods volk, voor zijn door Gods Geest verlicht bewustzijn. En daarin ontmoette hij Gods recht. En omdat hij er Gods recht in voelde werken, daarom worstelde hij ook met God, smeekte hij: „Gedenk ons de vorige misdaden niet, haast U, laat Uwe barmhartigheden ons voorkomen". En als hij alzoo zijne smeeking opzendt, dan legt hij voor Gods oog neer de ellende Zijns volks. „Want", zoo zegt hij, „wij zijn zeer dun geworden". Het volk was weggeslonken. Slechts een klein overblijfsel was er, precies zooals in onze dagen. Doch dat is dan ook het wonder des geloofs, dat God werkt in de zielen Zijner kinderen. Hoe hopeloos alles uitzag, hoe donker ook de weg scheen voor hunne oogen, hoe met het natuurlijk oog gezien nergens uitzicht te ontdekken viel, Gods Heilige Geest wekte het gebed in zijne ziel en daarom sprak hij woorden, die wij ook op dezen donkeren Oudejaarsavond mogen herhalen : „Help ons, o God, onzes heils ! ter oorzake van de eere Uws Naams, en red ons en doe verzoening over onze zonde om Uws Naams wil.
Ja, moge op dezen avond, ziende de nooden dezes tijds, de bede opklimmen : , Help ons, o God onzes heils". Dat is een gebed, ontloken als een vrucht des Geestes aan den stengel des geloofs. Hij wist immers: God was de God zijns heils, en als er uitkomst dagen zou, dan alléén door dien God. En zonder Hem zou er geene verwachting wezen. Indien de volken dit wisten, dit geloofden, hoe gansch anders zou de wereld er uitzien ! Nu gelooven zij alleen in de kracht van zichzelven, in de kracht van het geweld, in de macht van hunne wetenschap, in hun techniek, in de zegeningen eener cultuur, geboren uit den natuurlijken mensch, die zijn ondank bewijst door den roep: „Laat ons de touwen van ons werpen". Nu verkeert de wereld in de diepte der ellende, waarin zij zelve zich stortte door den hoogmoedswaan en de zelfzucht, die geene grenzen kent. Daarom komt zij niet tot God en holt zij voort op het pad des verderfs. Doch te midden dier wereld leeft er nog onder de veelheid der kerkformaties een volk des Heeren, dat den dichter verstaat als hij bidt: „Help ons, o God ! onzes heils !" Dat volk heeft behoefte aan hulp. En daardoor onderscheidt het zich van de wereld, die onder de diepste ellende vaak geen nooden kent, al vloekt zij onder haren last. Gods volk is een behoeftig volk. Zijn noodgeschrei gaat op en legt den pleitgrond voor Gods aangezicht. Het kent zijne zonde, gaat door onder Gods recht, bukt onder Zijne roede in eenswillendheid met Hem, zelfs al schijnt het daarbij onder te gaan. Doch het heeft een pleitgrond niet in eigen deugd, niet in zelfverheerlijking, maar in dien zelfden God, tegen Wien het heeft gezondigd. Hoe diep het voor God moge wegzinken in de schuld, hoe het ook belijden moet: rechtvaardig zijn Uwe oordeelen en recht zijn Uwe wegen, het weet toch door het geloof, dat het Gods volk is. Ja, de Psalmist wist het, dat hij door den Heere was opgezocht, door Hem was geroepen en door Hem ook gekomen tot de zekerheid, dat hij macht had ontvangen Gods kind .genaamd te worden. En door het geloof verstond hij, dat de eere van dien God, die Zijn volk had uitverkoren, met de redding van dat volk was gemoeid. Daarom, nu hij voor God staat met de verlorenheid en de ellende van dat volk, nu vindt hij in zichzelven niets, dat een grond kan zijn om zich op te beroepen, daar alles was verzondigd en verbeurd. Maar nu laat Gods Geest hem schouwen in de diepe gronden van Gods heilig, heerlijk Wezen, en nu verstaat hij, dat de redding des volks eene eerezaak is voor den Heere zijnen God. Hij heeft dat volk verkoren, geroepen uit de wereld, en Gods eere is in de zaligmaking Zijner kinderen. En dat is dan nu ook nog de grond, waarom te midden dezer ondergaande cultuur-wereld wij mogen staan met de hope, die niet beschamen zal, waarom wij mogen vasthouden, dat redding dagen zal Gods volk is niet als de kinderen dezer wereld, die zich troosten met de valsche verwachting, dat er wel eene opleving zal komen, dat het niet altijd zoo donker blijven zal, dat wij een optimisme moeten aankweeken en alzoo het hoofd maar omhoog moeten houden. Gods kinderen weten beter, dat dit alles niets boeteekent en waardeloos is, omdat, eer deze valsche hope werkelijkheid is geworden, alle deze verwachtingen reeds in hare ijdelheid ten toon gesteld zullen zijn. De hope van Gods volk spreekt zich uit in het gebed, dat op dezen Oudejaarsavond in onze zielen moge ruischen : „Help ons, o God onzes heils ! ter oorzake van de eere Uws Naams, en red ons en doe verzoening over onze zonde om Uws Naam wil".
Ja, moge in den Oudejaarsnacht dat licht opgaan over onze zielen, onze smeeking opwaken met kracht onder de aanblazing des Geestes Gods, dat Hij verzoening doe over het leven, dat achter ons ligt, over het jaar, dat weggleed in den oceaan der eeuwigheid. Dan zullen wij in dezen laatsten nacht ons aangezicht van het verleden mogen wenden naar de toekomst, en zeker van de trouwe onzes Gods, die Zijne eere heeft verbonden met de redding Zijner kinderen, haar aanschouwen, badende in het licht van de blinkende morgenster. En wij zullen met de Kerk aller eeuwen het getuigenis verstaan van Hem, die gezegd heeft: „Ja, Ik kom haastiglijk, Amen".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's