De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KOHLBRUGGE’S LEER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KOHLBRUGGE’S LEER

van den ouden en den nieuwen mensch

8 minuten leestijd

Van ds. Uckerman werd, getuigd, dat hij „veel in de nieuwe Duitsche boeken studeerde, die voor geen vierde rechtzinnigheid hadden" en dat hij „een opvliegend karakter had". Pogingen om den proponent Kohlbrugge met hem in aanraking te brengen ter verzoening mislukten. In de vergadering van dien 19 Juli 1827 zou de zaak beslist worden. De president-ouderling verklaarde, dat er van ds. Uckerman geen rapport en van Kohlbrugge geen schrijven was ingekomen. Deze, voor de vergadering geroepen werd nog eens onder handen genomen en men vorderde van hem een schriftelijke herroeping zijner beschuldigingen. Hij moest naar de diakenkamer gaan om dien brief daar te schrijven. Van wat Kohlbrugge daar probeerde op te stellen vertelt hij, dat allerlei hem door hoofd en hart ging, ook de gedachte, dat zijn jeugdige en vurige ijver hem wellicht te voorbarig had doen zijn in zijn optreden. „Geheel de wijze waarop de zaak is "begonnen, had anders door mij kunnen bestuurd". „In alle geval. Gij zijt grijs in den dienst, ik nog jeugdig. Mijn hart brandt van verlangen om U te betuigen, dat de zaak beschouwd worde door ons, als nimmer geschied, maar in de vergetelheid geworpen te zijn, opdat Gij met lust moogt arbeiden en er in leven, om de waarheid voor te staan, die uit God is." Met al deze betuigingen en redeneeringen was de Kerkeraad echter niet tevree. Vooral niet, omdat er ook in voorkwam, dat de Brs. vertegenwoordigers voorzichtiger hadden moeten handelen. De vergadering eischte onvoorwaardelijk schriftelijk herroepen „Op een duidelijke en stellige wijze, zonder eenige achterhoudendheid”.
Volgens een der ouderlingen, „die van woede schuimde", moest Kohlbrugge herroepen „al de woorden in de klacht geschreven en uitgebraakt op den predikstoel". , Na over en weer praten, ook nadat Kohlbrugge voor de tweede maal „buiten gestaan had", zei de president, ds. Bendinger dat „de vergadering, niet hij, hem vervallen had verklaard van zijn proponentsambt”.
Maar de Gemeente dacht er blijkbaar anders over dan de Kerkeraad. Deze stond ia haar rechtzinnige meerderheid, geheel aan 'de zijde van Kohlbrugge en diens afzetting deed: een twist in de Herst. Luthersche Kerk ontbranden. De oudste leden der gemeente, die de gemeente mede hadden opgericht en in de kerkelijke bediening grijs geworden waren, kwamen Kohlbrugge's herstelling vragen. In de vergadering van 2 Augustus '27 werd, door den Kerkeraad op een dergelijk verzoek van vier leden afwijzend beschikt. Men besloot de Gemeente nader in te lichten ! Hiermede was het proces voor Kohlbrugge beslecht. Toen de zaak door enkele gemeenteleden voor den burgerlijken rechter werd gebracht, verklaarde deze zich incompetent in deze. Ten slotte werd de zaak gebracht voor den Gouverneur (commissaris) van Noord-Holland en den Koning. Maar nadat de zaak op de lange baan geschoven was, was in 1829 de breuk tusschen Kohlbrugge en de Herst. Luthersche Kerk volkomen.
Voor Kohlbrugge was het een strijd om de waarheid, een strijd des geloofs geweest. Daarom kon hij ook moed grijpen en zeggen : „De duivel en de wereld zegepralen niet, als zij u vervolgen en afzetten, even zoomin als zij zegepraalden, toen zij Christus aan het kruis genageld hadden. Daarin zouden zij zegepralen als gij niet als een goed krijgsknecht Christi verdrukking leed en een oogenblik ophieldt geloovig te zeggen : „Moet ik er aan en van de baan, ik zal den Heer verbeiden — doet zoo gij wilt, Gods is mijn schild. Die zal mij wel geleiden". (Het Lidmaatschap blz. 39).
Afgezet als proponent-hulpprediker onderwierp Kohlbrugge zich. Later schreef hij aan ds. de Cook o.a. : „Bezit uwe zielen in lijdzaamheid. Zij hebben overwonnen in het bloed des Lams. Mijne is de wraak. Ik zal het vergelden. Het Lam zal overwinnen, geen stok of geweer. En wie hier een andere weg zou willen inslaan, maakt het erger dan Uza, die de arke Gods met eigen hand overeind wilde houden". En in 1860 gaf hij den raad aan ds. G. J. Gobius du Sart te St. Jansga, nadat deze geschorst was, om 't niet laten zingen van die Gezangen : hoewel op onrechtvaardige wijze geschorst, niet verzetten maar passief blijven ; niet preeken, slechts gebed en smeeking opzenden tot den Heere".
Een georganiseerd verzet wenschte Kohlbrugge niet. Alle geweld van vleeschelijke wapenen keurde hij af. En van een „zich afscheiden met de getrouwen", om deze rondom, zich te vergaderen en deze als „doleerende" (treurende) Herst. Luthersche Kerk aan den Kerkeraad te onttrekken, wilde hij niet weten. Kohlbrugge onderwierp zich. En alleen gelaten ging hij nu in honger en kommer zijn pad. Een tijd van donkerheid was voor hem aanstaande. Met zijn afzetting was hem ook zijn levensonderhoud ontnomen. Hij had een tractement als proponent-hulpprediker van ƒ 300.— gehad. Dat was hij nu kwijt en andere middelen van bestaan had hij niet. Zijn spaarpenningen waren spoedig opgeteerd. Toch droeg hij dit alles heldhaftig. Niemand maakte hij deelgenoot van zijn ellende, ook al ging de nood zóó hoog, dat hij in lang geen „middagkost" geproefd had. (Het Lidmaatschap blz. 38). Weldra had hij ook geen geld meer om brood te koopen. Zijn vrienden lieten hem —die bij niemand klaagde — langzamerhand alleen staan. En alléén droeg hij zijn smart en zijn ellende — met zijn God ! Van „vleeschelijke" wapenen wilde hij niet weten. En heerlijke uitreddingen mocht hij van zijn God ontvangen, telkens weer. In een toestand, toen alles opgeteerd was, bad hij: „O God, Gij weet, dat ik om Uwe waarheid lijde, wilt Gij mij door honger laten sterven, zoo geschiede Uw wil. Maar wilt Gij mij tot Uwe eer nog laten leven. Uwer is beide al het zilver en het goud der wereld". En toen las hij — zoo verhaalt hij verder — „toen las ik tot mijn bijzondere vertroosting het 12de hoofdstuk van Lucas, den Evangelist. En nog dienzelfden dag ontving ik van eene mij tot nog toe onbekende hand vijf en twintig gulden bankpapier en reeds een weinig te voren, had ik een verbazend groote zak met de smakelijkste tabak ontvangen". En daarbij „over alles had ik zegen en alles strekte zeer lang." Zoo was zijn leven langen tijd, naar zijn eigen getuigenis, „een aaneenschakeling van de treffende uitkomsten". Zijn geschokte gezondheid behoefde echter rust. Daartoe, en om tevens de gelofte aan zijn vader gedaan, te betalen, begaf hij zich naar Utrecht, om aldaar zijn dissertatie te schrijven. Hij moest alles „in het geloof" doen ; „hebbende nauwelijks zooveel geld over om de reiskosten goed te maken”.
In het begin van Januari 1828 was hij in Utrecht. Hier woonde hij bij stille lieden „die hem behandelden als een broeder, met de grootste teederheid en zorgvuldigheid". Het was bij den mandemaker Serton, wonende in de Donkere Gaard, tegenover den Dom. Deze liet voor hem een kamertje maken „boven den ingang van de werkplaats", daar kon hij studeeren en aan zijn proefschrift werken, al had hij ook toen met veel zwarigheid te worstelen. Hij leefde „uit de hand des Heeren". Van niet weinige uitreddingen weet hij te vertellen en ze hebben diepen indruk op hem gemaakt en hem gevormd in zijn geestelijk leven als een man des geloofs en der ervaring, die al het zichtbare uit het oog verliest, om zich vast te klemmen aan den onzienlijken God.
In zijn boekje „Het Lidmaatschap" vertelt K. van tal van wondere uitreddingen. „Ik moest eens veertig gulden betalen en had slechts 12 centen. De schrik om in schulden te zullen geraken, beving mij zeer. Vanwaar moet nu het geld komen ? Ik had reeds lang gebed, en, maar de Heere scheen doof voor mijn klagen. God gaf mij in, de Hernhutters te Zeist een bezoek te gaan brengen. Ik wist niet waarom, maar ging op een Zondagmorgen vroeg de poort uit. Onder het wandelen ondervond ik zoo de nabijheid des Heeren, dat ik hemel en aarde vergat. Tegen den avond komt er iemand in het Broederhuis. Met dezen kom ik in gesprek. Hij bracht mij met zijn rijtuig tot aan den Amersfoortschen weg. Had hij dat niet gedaan, ik was, daar het reeds laat was, de poort van Utrecht niet ingekomen, want ik had slechts twee centen over. Den volgenden dag bezocht hij mij. Ik ga op zijn vraag om tractaatjes van mijn kamer, kom weer boven en hij vertrekt. Tegen middernacht valt mij opnieuw loodzwaar op mijn hart mijn geldgebrek, en ik blijf daarover bekommerd tot Vrijdagavond. Toen eerst vond ik, na een geloovig gebed, op een tafeltje in den hoek van mijn kamer vijf goudstukken van tien gulden. Men begrijpt, wie ze daar had neergelegd ! Vier weken daarna behoefde ik bij de overgebleven tien gulden even zooveel. Ik begaf mij naar buiten om te bidden ; inmiddels was er een Zwitsersch predikant, die een reis door Holland had gemaakt, op mijn kamer geweest en had er een Russisch pistool neergelegd. Zoo had ik weder geld. Nog eens moest ik dertig gulden betalen. Ik hield mij een paar dagen te Amsterdam op. Ik was op het punt van naar de schuit te gaan, toen er iemand tot mij kwam en mij juist dertig gulden opdringt".
Zoo zorgde God ! „Gemeenlijk" — zoo schrijft K. — „ontving ik juist zooveel als ik behoefde, en de Heere heeft ook bij mij Zijn Woord vervuld, hetgeen wij lezen in Marcus 10 vers 29—30 : „En Jezus antwoordende, zeide : Voorwaar zeg Ik ulieden, daar is niemand die verlaten heeft huis, of broeders of zusters, of vader of moeder, of vrouw of kinderen, of akkers, om Mijnentwille en des Evangelies wille, of hij ontvangt honderdvoud, nu in dezen tijd huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende: eeuw het eeuwige leven". (Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KOHLBRUGGE’S LEER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's