De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BEKEERING VAN K. VAN GENNE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BEKEERING VAN K. VAN GENNE

6 minuten leestijd

De vrienden van God werden mij hoe langer hoe dierbaarder, ja, als ik hun woningen aanzag, was het alsof Gods heerlijkheid daarvan afstraalde. Ik moest met Buth zeggen : „Dat volk is mijn volk", hoewel ik „hun God is mijn God" niet durfde zeggen, terwijl er toch een nauw verband tusschen beide is. Het was alsof ik al mijn betrekkingen naar den vleesche kon missen. De godzaligen droegen mij ook een bijzondere achting toe, hun woningen en harten stonden voor mij open. Ik nam daar ook mijn toevlucht en zij deden mij ondervinden, dat zij het met mij uit een eenvoudige oprechtheid meenden en mijn belangen ter harte namen. Zij maakten mij zooveel mogelijk de moeilijke weg dragelijk en gemakkelijk ; ook mag ik gelooven dat ik op de vleugelen hunner gebeden v/as. Ik ging echter maar met een enkele om door onvrij moedigheid, hoewel ik met mijn hart meest altijd bij hen was. Het gebeurde, dat ik voor het eerst op een gezelschap zou komen. Ik gevoelde daar ook wel betrekking toe. Ja, gel. vriend, ik moest toen zeggen:
Zoete banden, die mij binden aan des Heeren lieve volk; Wis, zij zijn mijn hartevrienden. Hunne taal mijn hartetolk.
Het volgende vers durfde ik er niet bij te voegen: Het zijn de kind'ren van mijn Vader en van hetzelfde huisgezin. Wij bestaan elkander nader Als de band van aardsche min.
Maar o, wat werd ik daar vragende onder en met een innige, verlangende en dringende begeerte moest ik den Heere Jezus lastig vallen, dat ik dat nog eens mocht gelooven, dat Hij mijn Borg en God mijn Vader door Hem was. Ik ging al smeekende over de straat, tot ik weer in de' kazerne kwam. Toen moest ik met deze begeerte op mijn leger gaan neerliggen. Het was op een Zondagavond, waarop ik wel gewoon was dat men dan de zonde met ruime teugen had ingedronken, ja, nog erger dan het redèlooze vee, dat men aan den dag nog niet genoeg had, zelfs de nacht moest er nog bijgevoegd worden. Echter van al dat gewoel hoorde ik toen niets, mijn ziel ging toen maar naar boven in brandende begeerten om een zalige ontdekking en openbaring van 'den Heere Jezus en dat ik eens mocht komen tot die zalige erfenis, dat ik Dien eens vinden mocht. Die mijn ziel liefhad. Ja, ik moest Hem hebben, het kostte wat het kostte. Ik kreeg wel niet volkomen wat ik 'begeerde, evenwel geliefde de Heere Zich toch zonderling aan mij te openbaren. Ik mocht Hem van nabij beschouwen met uitgebreide liefdearmen in een heerlijke gedaante, ja, mijn ziel mocht toen nog vuriger naar Hem uitgaan. Zoo had ik in mijn weg nog geen openbaring gehad, mij zoó dierbaar ziel verkwikkend.
Toen ik Hem zoo zag, dacht ik : „Zoo openbaarde Jezus Zich toch niet aan de wereld". Hij riep mij ook vriendelijk toe: „Gewisselijk, in den Heere zijn gerechtigheden en sterkten". Al wat in mij was stond in brand van liefde tot dezen mij zoo dierbaren Persoon. Ja, ik bezweek van verlangen en zoo het in mijn macht was geweest, zou ik naar Hem toe zijn gevloden. Ik mocht echter met vader Jacob worstelen, maar voor ditmaal nog niet overwinnen. Daarop ging ik zalig rusten, maar des morgens, toen ik weer ontwaakte, was ik weer de oude; evenwel mocht ik er naar uitzien, of ik Hem vinden mocht. Wat is het zoeken toch al niet zalig, dacht ik gedurig, hoe zalig zal dan het vinden zijn.
Het gebeurde ook nog eens op een Zondagavond, dat ik naar de godsdienstoefening ging, waar ik van den Heere 'bijzonder beweldadigd werd. De leeraar was een oud, godzalig man. 't Onderwerp waarover gehandeld werd, was van den zaadzaaier Hij was onder den goddelijken zegen een middel dat ik mocht zien, dat ik genade had, waaronder ik in tranen wegsmolt. Ja, gel. vriend, de plaats is mij nog bekend, waar ik toen stond. Het was wel kort van duur, maar ik mocht toen meer geloof hebben, dan ik ooit te voren gehad had. Het werd echter al spoedig met de wolken van ongeloof overtrokken. Dan was het alweer : „Och, als het maar recht met mij was, als het maar geen inbeeldingen waren met mij". Ik had Jezus nog niet, dat jawoord, daar was het mij maar om te doen en tot zoolang zwierf ik met Noach's duif buiten de ark om. Het ging mij als de Christenreiziger naar de eeuwigheid; ik droeg mijn pak, zoolang ik van het kruis afbleef, van dat kruis, waardoor bergen van zonden gezet worden in zeeën van genade. Dat was mij bij oogenblikken zeer helder en klaar, maar ik mocht het voorrecht niet hebben, dat te kunnen gelooven, dat het voor mij was uitgestort. Ik mocht wel van alles afzien wat buiten Jezus was en Hem als Zaligmaker kiezen met een ongedeeld hart; Gods heiligheid en rechtvaardigheid schrikte mij niet veel af. Wel mocht ik gedurig zeggen, dat Hij rechtvaardig zou zijn in Zijn richten en in Zijn doen, indien Hij mij voor eeuwig van voor Zijn aangezicht wilde wegstooten, maar hierop moest ik verder laten volgen : „Gij verklaart in Uw Woord dat Gij in den Heere Jezus Christus een genadig en ontfermend God' zijn wilt voor al diegenen, die in oprechtheid des harten tot Hem en door Hem tot U de toevlucht nemen".
Zoo moest ik dan alweer uitzien naar den verhoogden Verlosser, die alle macht in hemel en op aarde in Zich had, om mij, machteloozen zondaar, uit mijn kluisters te ontbinden. Hij was toch de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand kwam toch tot den Vader dan door Hem. Ja, dan was Hij mij zoo noodig als die hoogste Profeet en Leeraar, om door Hem onderwezen te worden in die dingen, welke ik tot zaligheid noodig had, en als die eenige Hoogepriester, om. mijn zonden en schulden op Hem te nemen en mij in Vaders gunst te herstellen, en als die eeuwige Koning om mij te beschermen voor mijn vijanden, voornamelijk om mij van mijn zonden te verlossen. Zóó 'had ik Hem noodig en zóó was Hij mij dierbaar. (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

BEKEERING VAN K. VAN GENNE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's