VRAGEN BUS
Vraag : Wat zijn de grondstellingen van het Jezuitisme ?
Antwoord : Het Jezuitisme is nationaal en internationiaal. Vooral de inmenging in politieke zaken heeft velen de oogen geopend voor het gevaar, dat van de zijde van de Jezuïeten-orde dreigde. Bij de Roomschen is het S. J. (Societas Jesu) een eeretitel, maar dat neemt niet weg, dat velen bij den naam Jezuïet een ongenaam gevoel krijgen. Men is dan alle vertrouwen kwijt. Men vreest die Societas Jesu of dat „Gezelschap van Jezus" (Jezuïet).
De stichter is Ignatius de Loyola (geb. 1491) uit een oud-adellijk Spaansch geslacht afkomstig. Als knaap kwam hij als page aan het hof van Ferdinand den Katholieke. Door een verterende eerzucht gedreven, kwam hij in het leger, waar hij een officiersrang bekleedde ; tot zijn dertigste jaar een vroolijk, ongebonden leven leidend. Bij de belegering van de citadel, in 1521, werd Ignatius aan beide beenen gewond en naar het stamslot Loyola, in het oude Baskenland, vervoerd. Hevige pijnen en martelende operaties verdroeg hij met zeldzame zelfbeheersching.
Uit verveling rondsnuffelend in de slot-bibliotheek vond hij een „Leven van Christus" en enkele „heiligenlevens". Door de lezing van deze lectuur werden zijn oogen geopend voor de vergankelijkheid van aardsche roem, genot en rijkdom. Hij besloot zijn verder leven aan de „heilige maagd" te wijden, die hem in den droom was verschenen. Genezen, verdeelde hij zijn goederen onder de armen en wilde een reis; naar Jeruzalem ondernemen. Bedelend, gekleed in een grauwe pelgrimsrok, aanvaardde hij den tocht, zich telkens door geeseling en gebed oefenend in zelfverloochening.
Door de omkeering in zijn leven, waarbij hij met diep gewortelde levensgewoonten, werd zijn geestelijk leven geheel verward. Groote neerslachtigheld kwam over hem. Een vage angst .dreef hem onrustig voort. Een onbestemde vrees roofde hem de vrede en zielerust. Tevergeefs greep hij naar de rozenkrans. Ook de biecht, hoe zorgvuldig voorbereid, bracht geen troost. Hij twijfelde geen oogenblik aan de absolutie van den priester, hij twijfelde aan eigen zaligheid. In die eindelooze weken zocht hij overal vrede. Maar ondanks zijn onbarmhartige zelfkastijding overstelpte de sombere angst hem telkens weer. Had hij misschien een zonde vergeten te biechten ? Zoo vroeg hij zichzelf af. En weer vernieuwde hij de biecht maar keerde ongetroost terug.
De zelfmoord leek hem bij oogenblikken aanlokkelijk, hem de sterke van wil en de scherpe van geest. Hij zocht uitkomst uit deze duisternis. Daar bedacht hij hoe het eertijds vrede was in zijn ziel bij het overdenken van heiligenlevens. En met ijzeren wil drong hij de sombere gedachten, een erfenis des duivels, terug. Zijn angst kwam hij te boven, de gewetensrust keerde weer, geheel en al vertrouwde hij nu op de absolutie van den priester.
In deze moeilijke tijd heeft hij de „Imitatio Christi" „De navolging van Christus" van Thomas a Kempis doorgewerkt, telkens weer en de groote invloed, die hiervan is uitgegaan, vindt men terug in zijn werken.
Om zijn lichaam en geest geheel in bedwang te krijgen, hield hij „geestelijke oefeningen" (exercitia spiritualia), telkens overdacht hij zijn zonden en vergeleek zichzelf met de heiligen, de schepping enz.
Een „zieleboekhouding", waarop hij in lijnen, in graphische vorm, zoo nauwkeurig mogelijk aangaf het verloop van den strijd tegen bepaalde zonden, moest hem helpen om zichzelf geheel en al in bedwang te krijgen. Dit door te voeren in al zijn consequenties trok deze oud-officier aan. Velen voelden zich, door zijn krachtige zelfbeheersching tot hem aangetrokken en weldra trad hij met veel succes als zielszorger op.
In 1523 maakte Ignatius een reis naar het Heilige land, om daar te gaan arbeiden aan het heil der zielen. Toen hij hierin niet mocht slagen keerde hij terug naar Barcelona om, 33 jaar oud, weer plaats te nemen op de schoolbanken, daar hij de overtuiging had gekregen dat een wetenschappelijke vorming voor zijn doel noodig was. Met ijzeren wilskracht zette hij zich aan de studie, onverschillig voor den spot der veel-jongere medeleerlingen.
In Parijs ontmoette hij verscheidene mannen, die zich, geïnspireerd door zijn „geestelijke oefeningen" nauw bij hem aansloten. [Zijn boekje „Exercitia spirituaha" is in de Roomsche Kerk beroemd en geliefd].
Deze vrienden legden 15 Augustus 1534, de stichtingsdatum der orde, in de kerk op Montmartre te Parijs, de geloften af : kuisch en armoedig te leven, af te zien van alle wereldsche ambten, zich te geven voor den ziekendienst in Jeruzalem en de bekeering der Turken, of — zoo de reis naar het H. Land onmogelijk zou zijn — zich ter beschikking van den paus te zullen stellen.
Weldra bleek, dat van de in, 1537 vastgestelde reis naar het H. Land niets .komen kon. Loyola, die inmiddels tot priester was gewijd trok daarop naar Rome om den paus zijn diensten aan te bieden.
Aan paus Paulus lV legde hij het grondplan (Formula Instituti) voor. Het gezelschap noemde zich „Compania de Jezus" of „Ordo Societatis Jesu" (orde van het gezelschap van Jezus; aangeduid met de letters S. J.) en kozen tot devies (omnia) ad majorem Deï gloriam (alles tot meerdere eere Gods). De beginletters A. M. D. G. had de heilige maagd aan Ignatius getoond in de droom.
Na eenig aarzelen stemde de paus eindelijk toe. Op 27 September 1540 werd de orde feestelijk goedgekeurd door den bul „Regimlni müitanitis ecclesiae".
Op 4 April 1541 werd Loyola benoemd, tot eerste generaal (praepositus generalis). „Aan onbuigzame wilskracht en stalen moed paarde zich gloeiende eerzucht bij Loyola. Hij had daarenboven een levendige en rijke fantasie en een ongeëvenaarde gave om met listigheid de middelen te bedenken, die hem tot het voorgestelde doel konden leiden. Zijn spreuk luidt: „listigheid met mindere heiligheid brengt meer tot stand dan meerdere heiligheid, maar zonder listigheid." In 1552 stichtte Loyola het „Collegium germanicum" te Rome. Daar kwam de zetel te staan van de contra-reformatie in Duitschland.
Loyola stierf 31 Juli 1556. In 1605 werd hij zalig en in 1632 heilig verklaard.
Behalve de „Exercitia Spiritualia" schreef hij de „Constitutiones Societatis Jesus" (1550) (de grondregels der orde). Verder zijn nog bewaard gebleven zijn brieven (Epistolae Sancti Ignatiï). Zijn stoffelijk overschot , is begraven in de hoofdkerk van de orde al Gesu te Rome.
De inrichting van Ignatius' stichting is; geheel op militaire leest geschoeid. De orde is een mobiel leger voor den paus. Aan het hoofd der orde staat de generaal met zijn assistenten, die toezicht op Zijn handelingen houden. Ook heeft de generaal een biechtvader (admonitor) die op hem moet toezien. Alleen krachtige, gezonde en begaafde mannen worden toegelaten. Men komt als noviet voor een proeftijd van twee jaar in de novioehuizen. Is deze tijd met goed gevolg doorloopen, dan wordt de gelofte afgelegd van gehoorzaamheid, kuischheid en armoede. Sommigen worden wereldlijk coadjutor, voor de economische aangelegenheden ider orde. Anderen gaan over tot de scholastieken. Deze wijden zich eerst één of twee jaar aan humanistlsche studiën (Latijn, Grieksch, enz.), dan drie jaar aan de studie der wijsbegeerte, om verder een bepaalde vakstudie te beginnen, hetzij om priester of leeraar te worden. Geen tak der wetenschap of zij telt Jezuïeten onder haar beoefenaars.
Na den tijd als scholastiek (meestal 10 jaar) doorgebracht, leggen de „gevormden" (scholasticius formiatus) opnieuw de bekende drie geloften af.
De tot priester gewijden maken nu nog een korte proeftijd door en leggen dan of de drie genoemde geloften af óf deze en nog een vierde, n.l. van de volkomen onderwerping aan den paus. Deze laatsten zijn de professi, ze vormen de kern der orde. Blindelings gehoorzamen ze hun meerderen „perinde ac si cadaver essent" (alsof zij een lijk waren, zóó willoos). Het uitblinken in gehoorzaamheid stelde Ignatius zijn volgelingen als hoofddoel. Deze eigenschap wordt verkregen door een nauwelijks te gelooven geestelijke dressuur. Voor den Jezuïet bestaan geen banden des bloeds
en geen banden der vriendschap meer. Bij hem is geen liefde meer voor zijn vaderland. Hij heeft zelfs geen eigen oordeel meer. Alle neigingen worden door ontelbare oefeningen gedood. De Jezuïet is een willoos werktuig van den paus. Als zijn meerdere iets goed oordeelt voor den persoon zelf of nuttig voor het algemeen welzijn, dan is de Jezuïet verplicht het bevel uit te voeren, daar het hem anders tot zonde worden zou. De drie verderfelijke grondslagen van de Jezuietenmoraal zijn :
1. Het Probabilisme, waaronder verstaan wordt dat elke daad van dem mensch goed is als men er een „waarschijnlijkheidsgrond" voor kan aanwijzen of als een kerkleeraar de handeling door zijn woord dekt, onverschillig of de daad tegen het geweten ingaat of niet.
2. Het geestelijk voorbehoud (mentalis reservatio), waardoor iemand aan zijn woorden een beteekenis mag geven, die zij redelijkerwijs niet kunnen hebben en die de spreker voor zichzelf houdt, b.v. : Als men iets niets zeggen mag, kan men zeggen : ik weet het niet en er bij denken om het u mee te deelen.
3. Het Intentionalisme, waarmee de uitspraak „het doel heiligt de middelen" eigenlijk geleerd wordt, ofschoon deze uitdrukking zelf in geen enkel werk der Jezuïeten voorkomt. Men mag n.l. een kleine zonde doen om een grootere te voorkomen (methodus dirigendi intentionis).
De Jezuïten deinzen voor geen moeite terug en ook voor geen middel om de uiterlijke bloei van de Kerk, haar macht en grootheid te bevorderen. Ze besteden hun gaven en talenten, ja, hun gansche leven, tot meerdere glorie der Kerk. Van de stichting af richtte de orde zich op drie dingen, n.l. : de biechtstoel, het onderwijs en de Zending. De Jezuïeten traden meest op als biechtvaders der hoogere standen en als biechtvaders van koningen en ministers hebben zij, vooral in Roomsche landen, het politieke leven beheerscht. Religie-oorlogen waren meestal hun werk.
Op het onderwijsgebied blonken ze uit. De Jezuïeten-scholen waren beroemd, zelfs protestanten zonden er soms hun kinderen heen.
Als Zendelingen zijn de Jezuïeten overal heen gezonden. Onder de meest wilde volkeren hebben ze getracht bekeerlingen te maken, voor geen ontberingen, smaad, hoon, pijnigingen, ja, zelfs voor den marteldood niet terug deinzend.
Het wapen der Jezuïeten draagt de letters J. H. S., d.w.z. Jezus Hominum Salvator, d.i. Jezus Redder der menschen.
’t Kan ook beteekenen : In Hoc Signo (vinces), d.i. in dit teeken (zult gij overwinnen).
Onder het wapen staan dan de letters A. M. D. G., d.i. Ad Majorem üieï Gloriam of tot vermeerdering van de eere Gods !
De paters Jezuïeten (S. J. achter hun naam schrijvend : Societas Jesu, d.i. behoorend tot het „Gezelschap van Jezus") zijn zeer actief en munten dikwijls uit door groote bekwaamheid, ook op wetenschappelijk gebied.
Vraag : Wat is de leer van de algemeene verzoening ?
Antwoord : Laten wij er slechts een paar woorden van zeggen, om zoo kort, maar zoo duidelijk mogelijk te zijn (er zou een boek over te schrijven zijn). De leer van de algemeene verzoening stelt het voor : dat Christus voor alle menschen gestorven is, dat Hij voor alle menschen heeft voldaan in Zijn lijden en dat nu de zaligheid voor alle menschen klaar ligt in Christus — waarbij het nu van den mensch afhangt, of hij het heil van Christus aanneemt of niet. Het heil wordt allen menschen gepredikt, de zaligheid wordt allen aangeboden en dan hangt het van den mensch af, of hij die zaligheid, gewillig zal aannemen of onwillig zal afstooten en verwerpen. Het welslagen van Gods werk in Christus tot verzoening en zaligheid van arme zondaren, die dood in zonden en misdaden zijn, is dan geheel afhankelijk van de gewilligheid, of van den onwil, van de verteederlng en vernedering van den mensch of van zijn verharding en verblinding. God moet maar afwachten, of er velen of dat er weinigen zullen zalig worden, 't Wordt aan de menschheid in handen gegeven en van de menschen, van de volkeren, is het dan afhankelijk of er veel of weinig van Christus' verzoeningswerk terecht zal komen. En de roem zal ten slotte zijn aan de verstandige en gewillige menschen, die zoo gevoelig en zoo vriendelijk zijn om zich te bekeeren tot God en te gelooven in Christus, 't Is dan : er worden er zooveelen zalig, als er gewillige, vrome, geloovige menschen opstaan. En het is niet (zooals de Schrift zegt) : er worden er zoovelen zalig als er naar Zijn voorkennis geroepen, wedergeboren, gerechtvaardigd worden, 't Is niet (zooals de Schrift zegt: uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen". Maar 't is : uit en door den mensch is het en het strekt den mensch, die heeft willen gelooven, tot eere en heerlijkheid !
Het welslagen van Gods werk zou dus geheel afhankelijk zijn van de gewilligheid of van den onwil van den mensch en we voelen, dat gaat tegen Schrift en belijdenis in!
Het heilig mysterie, de groote verborgenheid is hier : die verloren gaat, gaat verloren, onder de aanbieding Gods, om de wille van z'n eigen onwil en ongehoorzaamheid. „Die den Zoon ongehoorzaam, is, op die blijft de toom Gods".
En die behouden wordt, wordt behouden door Gods eeuwig ontfermen, waarbij tot in eeuwigheid klinken zal: „Niet ons, niet ons, o Heere, maar Uwen Naam zij eere".
Zoekt dan den Heere terwijl Hij te vinden is, roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. Verderf uwe ziele niet door dorre, dwaze, zondige redeneeringen, maar leer alles verliezen ais een arm zondaar, om Hem te mogen ontmoeten, die zegt: „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven". Let op de roeping Gods, geeft acht op Zijn werk, aan u besteed. Vraag om den Geest der gebeden en der bekeering.
Intusschen zorgt de Heere voor Zijn werk, dat het wèlgelukken zal. Zijn raad zal bestaan en Hij zal al Zijn welbehagen doen, waarbij Hij telkens betuigt, dat Zijn Naam Ontfermer Is, die Zich ontfermt wiens Hij wil en die verhardt wien Hij wil.
Laat Kaïn, Ezau, Farao ons tot waarschuwing zijn.
Laat de Kananeesche vrouw, de stokbewaarder van Filippi, Zacheüs ons lokken en trekken. En laat de moordenaar aan het kruis ons verzekeren : „al waren uwe zonden rood als bloed. Hij wil ze wasschen en maken witter dan sneeuw". De verborgenheid der godzaligheid is groot!
Vraag: Wat bedoelt de Samaritaansche vrouw, als zij tot den Heiland zegt: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen om te putten". Joh. 4 vers 15. Zegt zij deze laatste woorden : „opdat ik hier niet meer behoef te komen om te putten" spottend ? Of bedoelt zij het in ernst ?
Antwoord : Laat ons maar eerlijk zijn en bekennen, dat wij niet alles van deze Samaritaansche vrouw, in haar gesprek met den Heere Jezus., kunnen verklaren. Maar de hoofdzaken toch wel. Die worden ons beschreven in Joh. 4 en daarom kunnen we ze weten.
Hoe is de situatie ? De Heiland wordt aangezet door innerlijken drang — Gods Geest leidt ook in deze — om door Samaria Zijn weg te nemen. Hij is de Goede Herder, die het verlorene zoekt. Niemand weet dat, maar plotseling zien we het voor ons in de Samaritaansche vrouw. De Heere had naar haar omgezien, om haar ook toe te brengen tot de kudde van den Heiland.
Zij komt om water te putten. Water putten in het Oosten was het werk van meisjes en vrouwen. Die deden dat op bepaalde tijden : 's morgens vroeg, wanneer het water uit de bron nog koel was of 's avonds, wanneer de zon was gedaald. Vooral 's avonds gaf dit water putten dan gereede aanleiding tot een gezellig praatje onderling !
Deze vrouw komt niet 's morgens, ook niet 's avonds, maar op den middag ; op 't heetst van den dag ; op een tijd, dat er niemand op den weg is, dat zij zeker is geen andere vrouwen aan de put te zullen treffen. Waarom ? Zij is een „zondares". Zij moet het wel doen, want de andere vrouwen en meisjes verachtten haar. Kwam zij gelijk met de vrouwen en meisjes uit Sichar, dan zou zij worden uitgescholden en weggejouwd. Zij was een „slechte" vrouw.
Dat eenzaam moeten komen naar de bron om water te putten herinnerde haar dus eiken dag weer aan haar zonde. Iedere gang naar de bron, in de hitte des daags, alleen, herinnerde haar aan het verkeerde, aan het slechte van haar levensweg, dien zij zich koos. Het is dan niet het genot van de zonde, maar de bitterheid van de zonde, haar straf. En die straf voelt zij lederen dag opnieuw.
Wellicht dat zij bij het gesprek van Jezus over het water des levens de wensch en de begeerte in zich voelde opkomen : och, mocht ik nog eens verlost worden van al die ellende en smart, die mij omringt. Misschien dat zij de begeerte voelde met haar zonde te breken en af te laten van den weg, dien zij zich gekozen had.
Water. Water des levens. Dat kon die Man - bij de Jacobsbron haar geven. En dan zou zij geen dorst meer kennen en zij zou niet meer dezen moeilijken en vreeselijken weg behoeven te gaan, dien weg van eenzaamheid en verachting
Als die vreemdeling haar dat eens geven kon
.... niet meer dien smartengang naar de bron om water te putten....
Waarschijnlijk, dat we hier hebben een allereerste uiting van zondebesef en een klacht van droefheid vol ellende...
Daarom gaat de Heiland ook op die geschiedenis in. Die vrouw, die op den middag water komt putten daar zit wat achter. De Heiland weet het. En Hij vraagt naar haar man, opdat haar zonde-weg, die haar ellendig maakt, besproken zal worden, tot genezing.
Wij beschouwen die woorden daarom als een snakken om van de ellende bevrijd te mogen worden. Ze voelt zich zoo diep ongelukkig. Wat nu even uitkomt, 't Geen de Heiland aangrijpt, om met haar te spreken over 't geen wèg moet.
't Is geen woord van een spottende vrouw, maar van een zuchtende vrouw.
Vraag : Is het waar, dat de beschouwing van Paulus aangaande de goede werken een heel andere is dan die van Jacobus ? En is het waar, dat er hier gesproken moet worden van eene „tegenstrijdigheid”?
Antwoord : Niets van waar! Paulus benadert de goede werken om ze onverdienstelijk, als met zonden bevlekt, te stellen ter rechvaardiging. God rechtvaardigt een goddelooze, enkel en alleen in de gerechtigheid van Christus. De goede werken zijn niets tot onze rechtvaardigmaking. Dat gaat tegen de eigengerechtigheid des menschen, die zich geheel of gedeeltelijk aangenaam wil maken bij God en graag iets vóór wil hebben boven anderen. Wèg er mee ! Alles is voor God verwerpelijk ! Niets er van komt bij God in aanmerking tot onze rechtvaardiging.
Maar Jacobus behandelt de goede werken van een anderen kant (evenals Paulus óók doet) en zegt, dat de goede werken noodzakelijk zijn bij een levend geloof. Het is onmogelijk (zegt de Catechismus) dat die Christus met een waarachtig geloof Ingeplant is, niet zoude voortbrengen vruchten der dankbaarheid. Luther zegt: „levend geloof moet zich uiten in daden". Jacobus zegt : „geloof zonder goede werken is een dood geloof".
Van tegenstrijdigheid is hier geen sprake. We zullen beide kanten van deze belangrijke aangelegenheid moeten kennen ! De Schrift kan ook hier niet gebroken worden en kan niet tegen elkaar worden uitgespeeld en krachteloos worden gemaakt. Alleen, als we beide beschouwingen inzake de goede werken verstaan, zal 't goed zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's