De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS

9 minuten leestijd

Vraag: Is het een Christen geoorloofd een „begrafenis" bij te wonen, waar de doode niet grafwaarts gedragen wordt, maar naar de crematie-oven wordt gebracht, om verbrand te worden ?
Antwoord : Hier wordt niet gevraagd over de begrafeniswet te schrijven. Ook niet om de kwestie van „begraven"' of „verbranden" principieel te behandelen. 't Gaat hier over de practische vraag: als ik door familie-of vriendenkring gevraagd word de plechtigheid van de verbranding van een doode bij te wonen, moet ik dan bedanken om des beginsels wille of mag ik gaan ?
De Roomsche Kerk is handiger in het geven van een lijstje van wat we wèl en wat we niet mogen doen onder bepaalde omstandigheden dan het Gereformeerd Protestantisme. De pastoor doet veel aan casuïstiek (gevallen-leer, een kunst om precies te zeggen wat men doen of laten moet bij bepaalde gevallen, die zich in ons leven telkens voordoen) en is daarin buitengewoon slagvaardig. Die weet ook of men, als men iets gedaan heeft wat niet mocht, erg, héél erg of niet erg schuldig staat, enz. 't Is voor hem een klein kunstje om met allerlei „raadgevingen" te komen en hij weet soms handig den weg te wijzen, om door de mazen door te zwemmen en er zich zonder .kleerscheuren doorheen te slaan. Het Geref. Protestantisme laat zich weinig in met die „casuïstiek" en bezit geen lijstje van wat niet en van wat wèl mag. De Gereformeerde spoort graag de beginselen voor leer en leven op, om naar de groote beginselen te mogen handelen en wandelen, uit overtuiging de dingen doende of nalatende. Waarbij Gods Woord tot een lamp voor den voet en een licht op bet pad gekozen wordt. Dan wandelt men 't veiligst. En wat anderen er dan bij willen maken of believen er van los te laten, moeten zij zelf weten, maar de Gereformeerde houdt zich in leer en leven 't liefst aan de beglnselen der goddelijke Waarheid.
Wanneer wij nu denken aan 't geval, dat hier door den vrager gesteld wordt, zouden wij zeggen : als men in onze familie-of vriendenkring (of kring van buren, vakgenooten, collega's enz. enz.) publiek breekt met wat onder ons volk gelukkig nog ais christelijke en gewijde traditie wordt bewaard en men gaat een doode verbranden inplaats van begraven, dan is het ónze schuld niet, wanneer wij zeggen: „daaraan doe ik liever niet mee". Men moet zelf de consequentie maar dragen, als men het christelijk beginsel en de christelijke zede geweld aan doen wil. Wanneer wij een uitnoodiging ontvingen, om de crematie van iemand bij te wonen, zouden wij schrijven dat we liever niet komen willen, omdat we van een geheel tegenovergesteld beginsel zijn. Dat verbranden is voor ons een loochening van de eeuwigheidsgedachte; het is een breken met de christelijke zede, om over te gaan in een heidenschen weg ; en het is zoó on-Nederlandsch, dat men ons niet kwalijk nemen moet als we voor de eer bedanken er bij tegenwoordig te zijn. Natuurlijk is hiermee geenszins het laatste woord over : „begraven" of „verbranden" gezegd. Er zijn ook menschen van christelijke belijdenis, die van de verbranding een getuigenis geven als van een „vuurdoop", om brandend en gelouterd in den hemel te worden opgenomen ; die dus de eeuwigheidsgedachte allerminst loochenen, enz. Maar wij zouden toch niet kunnen besluiten de uitnoodiging aan te nemen. Het verbranden van de dooden is voor ons te on-christelijk en te on-Nederlandsch, dan dat we het als Nederlander van Gereformeerde belijdenis zouden willen en zouden kunnen bijwonen.
Denkt iemand er intusschen anders over, die zij in z'n gemoed ten volle verzekerd en handele zooals hij het voor God en voor z'n conseientie kan verantwoorden.
Laat men intusschen in Nederland maar voelen, dat er nog velen zijn die willen vasthouden aan christelijke en Nederlandsche zeden. Dat kan geen kwaad. We zijn al slap genoeg soms in allerlei. Een beetje „stoer en stug" te zijn, is soms gebiedende eisch.

Vraag: Is het goed, dat ook ouderlingen zieken bezoeken en zoo ja, moeten ze dan alleen die zieken bezoeken, die er om vragen, of moeten zij overal gaan waar ze weten, dat er een zieke is ?
Antwoord : Het komt ons voor, dat het een groot voorrecht is te achten, als er in een gemeente ouderlingen zijn, die tijd, lust en bekwaamheid hebben om zieken te bezoeken. Natuurlijk is allereerst de dominé daarvoor aangewezen en daartoe geroepen en verplicht. Maar na en met overleg kan het uitnemend goed zijn, dat de ouderlingen óok ziekenbezoek doen. De practijk is zeer verschillend dan. De domlné kan met den ouderling afspreken, dat ze om de beurt zullen gaan ; de een de éene week, de andere de andere week. 's Zondags wordt het dan even besproken. Vooral als de gemeente groot en uitgestrekt is (we denken vooral aan de dorpen) is het heerlijk als de ouderlingen den dominé kunnen en willen helpen. Ook soms met begrafenissen, die anders zoo geweldig veel tijd kunnen vragen van den predikant. Vooral wanneer men het gewoonte heeft gemaakt, dat de dominé te voren aan het sterfhuis komt, mee naar 't kerkhof gaat (en daar natuurlijk spreekt) en dan nog weer mee terug gaat naar huis, om ook dan nog weer te spreken, enz. Hierin de soberheid te betrachten achten we verstandig, vooral voor jonge dominees. Maar men voelt, dat hulp van de ouderlingen bij huis-en ziekenbezoek (en begrafenissen) grootelijks tot steun van den predikant kan zijn en de gemeente ten goede kan komen. Bij de vraag : moet een ouderling ook naar een zieke gaan, die het niet heeft laten vragen, die geen kennis er van gegeven heeft en geen boodschap heeft gestuurd ? doen zich ook weer allerlei overwegingen gelden. Er zijn ouderlingen, die zeggen : ja, waarom zouden wij, als wij hooren, dat er ergens een zieke is, niet naar dat huis gaan, om er een bezoek te brengen en eens te zien hoe 't daar gesteld is en of we er een boodschap hebben, misschien voor den zieke allereerst, wellicht ook voor de gezonden ?
Wij gelooven, dat een ouderling, die zoó redeneert, goed doet. Maar er zijn er ook, die zeggen : ik wil wel gaan, als 't mij gewaagd wordt, maar ongevraagd doe ik 't niet. Naar de letter van de Schrift zou zulks misschien te verdedigen zijn. Men moet de ouderlingen roepen. Dat is toch eigenlijk 't minste wat men doen kan. Men waarschuwt den dokter ; laat men óok den dominé of den ouderling maar waarschuwen ! En natuurlijk is daar wat vóór te zeggen. Maar wij hebben altijd gemeend, dat, wanneer men op een of andere wijze hoort, dat er ergens een zieke is, het goed en nuttig en noodig is dat de dominé of de ouderling er heen gaat. Laat men niet vergeten, dat het niet in alles 't zelfde is : dat men zich ziek voelt en een dokter roept, of dat men een dominé of ouderling roept! Bovendien : zijn we alleén voor degenen, die het vragen ? Wij meenen van neen !
Alles bij elkaar genomen, zouden wij willen zeggen : als er een of meer ouderlingen zijn, die tijd, lust en gave hebben om zieken te bezoeken, laten ze het doen ! En laat er dan geregeld tusschen den dominé en de ouderlingen overleg gepleegd worden, opdat men van elkaar weet, wie er ziek zijn en wanneer en hoe de zieken moeten worden bezocht, 's Zondags ziet men elkaar toch altijd, komende van de vier windstreken en vertegenwoordigende héél de gemeente. En hoe meer dan straks weer het Woord des Evangelies mag worden uitgedragen voor de zieken, hoe beter dat het is. Wij moeten het niet doen met het oog op hetgeen er als vrucht wellicht gezien zal worden (daarvoor hebben wij niet bezorgen) ; laten we het doen krachtens ons ambt en onse roeping en onze plicht. En dan dominé en ouderlingen (en diakenen, met vertroostelijke woorden voor armen, gebrekkigen, zieken) saam!

Vraag : Welke zijn de drie kloostergeloften, welke door monniken en nonnen moeten worden afgelegd ?
Antwoord : De drie kloostergeloften betreffen : 1. de armoede; 2. de zuiverheid of kuischheid (bij de Roomschen het 6e gebod, bij ons het 7e gebod — omdat de Roomschen het Ie en het 2e gebod samen nemen; zoo wordt óns 3e gebod bij Rome het 2e enz. Bij het 10e gebod splitst de Roomsche Kerk, en zoo krijgen zij dan het 9e en het 10e gebod voor óns 10e gebod in de plaats Zoo hebben we toch beiden weer tien geboden, al is die indeeling en volgorde dus anders. Ons Sabbathsgebod is b. v. bij Rome het 3e gebod) ; 3. de getooorzaamheid of algeheele onderworpenheid aan de oversten.
We laten hier de drie geloften volgen, zooals ze te vinden zijn in „Emmanuël", overwegingen voor Kloosterlingen. Desclee de Brouwer & Co te Brugge.
Wat hier volgt, is de gelofte met haar verklaring, die voor de Kloosterlingen de ziel binden.
1. „Ik doe de gelofte van armoede", dus nooit meer wil ik iets zoodanig bezitten, dat ik er vrijelijk over beschikken kan, om het te geven, te verkoopen, te leenen, te venietigen; en ik wil niets aanvaarden, noch voor mij, noch voor een ander, tenzij met toelating van mijn oversten. Daarbij voeg ik nog het besluit om die gelofte te vrijwaren, altijd en in alles, voor zooveel het van mij afhangt, het armste te verkiezen en lief te hebben, omdat Gij op aarde arm wordt, o Christus, die mij voorgaat! (Het 6e en het 9e gebod bij Rome is bij ons het 7e en het 10e gebod).
2. „Ik doe gelofte van zuiverheid" en wil mij verplichten, op straf van heiligschennis, in alles aan het 6e en 9e gebod getrouw te zijn, en voeg, als verdedigingsmuur bij die schoonste en liefste der drie geloften, het vast voornemen in alles mijn dartel vleesch te tuchtigen, mijn hart te bewaren van alle gehechtheid: , die niet is in U en om U, Maagdelijke Zoon der Onbevlekte, die om mij UW Moeder verliet, en uw onschuldig vleesch liet folteren en kruisigen.
3. „Ik doe de gelofte van gehoorzaamheid" en sta mijn eigen wil af, telkens dat Christus' plaats vervanger mij in zijn naam iets oplegt, overeenkomstig met mijn H. Regel. Ik beloof er bij, om altijd in de stemming te zijn, door deze gelofte vereischt, niet enkel met de daad, maar ook met den wil en het oordeel te gehoorzamen ; buigzaam te zijn, zelfs waar het enkel verlangens van den overste geldt; ook stipt voor regels, gewoonten, aanbevelingen, die mij niet op zonde verplichten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VRAGENBUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's