VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD
Genesis 8 : 10 en 11. En hij verbeidde nog zeven andere dagen, toen liet hij de duif wederom uit de ark. En die duif kwam tot hem tegen den avondtijd, en ziet, een afgebroken olijfblad was in haren bek. Zoo merkte Noach, dat de wateren van boven de aarde gelicht waren.
5e Serie.
X.
De zondvloed wordt ons in Gods Woord niet als een natuurkundig geschieden voorgesteld, maar als de voltrekking van een vonnis. De Heere had de oude wereld met Zich in het gericht betrokken, haar ten doode verwezen vanwege hare zonde. De menschheid was niet meer geschikt de drager te zijn van de levenskiemen der toekomende geslachten. Voor de verdere voortzetting van Gods openbarende daad, was er eene andere menschheid noodig, waarin de gouden draad van Gods verbondgenade in volle klaarheid zou kunnen worden doorgetrokken. De eerste wereld kon Hem daartoe niet meer dienen. Zij was te diep weggezonken in den poel der ongerechtigheid. Dus zond de Heere Zijne oordeelen. Zijn Geest zou niet in eeuwigheid twisten met den mensch., uit wien geene verwachting meer wezen kon „dewijl hij ook vleesch is", en de boosheid des menschen was menigvuldig op de aarde, het gedlchtsel zijns harten te allen dage alleenlijk boos. En daarom, deze menschheid moest worden afgesneden en die afsnijiding nu greep plaats in den zondvloed. Het natuurkundig geschieden verschijnt hier als het zwaard der gerechtigheid in des Heeren hand. Zoo ligt er dus een verband tusschen het zedelijk recht en hetgeen er geschiedde met de korst der aarde. Naar het natuurlijk oordeel des menschen schijnt er tusschen die beide geen verband, zoodat de wereld briescht van vijandschap, wanneer de onheilen, die haar treffen, met hare zonde worden in verband gebracht. Hare eigengerechtigheid komt nergens meer in uit dan in den toorn, die opwaakt, zoodra er op Gods oordeelen, op Zijne Straffende gerechtigheid wordt gewezen. Gods Woord echter laat het in den zondvloed zeer duidelijk zien, hoe het natuurgeschieden in hooger goddelijk recht is opgenomen. Zoo leert ons de Schrift, dat wij ons vernederen zullen onder Gods krachtige hand, wanneer de Rechter der aarde Zich verheft om vergelding weder te brengen ever de rechtvaardigen.
Zoo was er dus in den zondvloed eene twisting Gods met de aarde. De Heere worstelde eeuwen lang met de volken, die daarop waren, en Zijne lankmoedigheid had een einde. Hij kon Zijne eer aan geen ander geven en toen dan ook het oogenblik daar was, waarop de menschheid in hare ontwikkeling als op een tweesprong gekomen was, zoodat die eere Gods als op het spel stond in de geschiedenis der menschen, toen stond de Heere op om het uitgesproken vonnis te voltrekken. Toen ging al de heerlijkheid der volken onder in dien vloed, werd alle verwachting hun afgesneden. Toen kwam de vloed, waarin de verkiezende daad zich in Noach's redding openbaarde en voor alle komende eeuwen het lichtend beeld van dien man Gods zou stralen, opdat de uitverkoren Kerk uit zijn voorbeeld moed zou scheppen in het geloof, dat de Heere hare behouder en behoeder wezen zal. Hoe klein zij ook moge wezen, hoe veracht bij de wereld, hoe onkenbaar onder hetgeen groot en rijk en machtig schijnt, toch zal zij door het geloof levend, op Hem, hare hope vestigen kunnen.
Zoo heeft Noach de ank toetreden, zoo heeft hij uitgezien, dagen en dagen, of niet de ure der verlossing komen zou. Zoo liet hij de raaf uit om zich te vergewissen of de aarde reeds weder bewoonbaar zou zijn, en toen zij geen uitsluitsel bracht, maar wegbleef, omdat zij in hare onreinheid en roofzucht geen ark meer tot hare behoudenis behoefde. En zoo liet hij ook de teedere duive uit om zich te vergewissen of de wateren waren gedaald, zoodat de aarde den mensch weder tot woonstede strekken kon. Maar de duive keerde weder. Zij vond geen rust voor het hol van haren voet, zoo min als het weggedoolde kind des Heeren rust vinden kan in de begeerlijkheden dezer wereld. Dus keerde zij weder en werd liefderijk opgenomen in de ark der behoudenis'". Noach stak zijne hand, uit, nam haar en bracht haar tot zich in de ark.
De boodschap, door de duif gebracht, was dus nog niet bemoedigend. Haar wederkeer na een tijd van omzwerving leerde, dat nog de wateren de overhand hadden. En zoo wachtte hij nogmaals zeven dagen en liet de duif toen wederom uit. Hij wachtte zeven dagen, een gansche volle week, dus een spanne tijd, die ruim genoeg was genomen om nieuwe verwachting te mogen koesteren. Zoo herhaalde Noach zijne proefneming in de hope, dat thans meer licht hem zou opgaan over den toestand op de aarde. „En", zoo zegt de Schrift: „de duif kwam tot hem tegen den avond, tijd". Haar gedraging was ditmaal anders dan de vorige maal, toen zij nergens een punt vond, dat rust bood voor het hol van haren voet. Toen had zij rond gefladderd in de nabijheid van de ark en was weldra wedergekeerd tot Noach en had zich gaarne laten opnemen om weder plaats te ontvangen in de haar toegewezen kooi. Maar ditmaal ging de duive uit en keerde niet terstond weder. Zij zag nu blijkbaar, hoe de aarde geheel anders was geworden. Nog waren de wateren met ganschelijk verdwenen, nog geleek zij in menig oord op een waterpoel, waarboven de toppen der boomen uitstaken. Maar die toppen, waren dan toch ontdekt en van menigen boom noodigden de takken reeds 'uit tot eene rust, zoodat de duif thans een aarde vond, waarop voor haar het leven niet geheel onmogelijk meer was. Toch was er nog veel, dat ook de duif niet bekoorde, want toen de avond viel, herinnerde zij zich blijkbaar het aangename verblijf in de ark en keerde zij weder. Haar instinct geleidde haar, zoodat zij, hoever ook afgezworven, toch den weg terug vinden kon. De avond en de nacht miet hunne kille koude boven de watervlakte schrikte de duif af en drong haar tot een wederkeer.
Geen wonder, dat ook ditmaal de duif als een liefelijk voorbeeld werd van het afgedoolde kind des Heeren, dat uitging tot de wereld en hare begeerlijkheden en opnieuw den Heere Jezus verliet, in Wiens gemeenschap eerst zooveel werd gesmaakt van de liefelijkheden in Zijne rechterhand. Het geestelijk levens peil kan dalen, zelfs bij hen, die langs diepe wegen van ontdekking tot het leven werden gebracht. De wereld kan soms weder een groote macht worden in het leven van Gods kinderen, zoodat het schijnt als was er nimmer iets met hen gebeurd, als ware al wat zij dachten bij ervaring en de klaar te weten, al wat zij meenden te bezitten, als gaven der genade uit Gods hand ontvangen, slechts schijn geweest en vrucht van verbeelding. Zij vergaten den Heere, nadat zij meenden Hem te hebben ontmoet en zij dwaalden af, verder en verder, totdat zelfs de herinnering aan het betere verleden scheen te loor gegaan. Zij zijn dan als de duive, die uitvloog van de ark, die voedsel en vermaak vond op de toppen der boomen, die uitstaken boven de eenzame watervlakte. Doch dan wordt het aan het afgedoolde kind des Heeren tenslotte toch weer duidelijk, dat het hem eertijds beter was dan nu, wanneer het hem maar blijkt, da 'de begeerlijkheden dezer wereld toch, naar haar wezenlijke waarde, niet zoo begeerlijk zijn. Wanneer het maar bij ervaring wordt gekend, dat als de rampspoed komt en de tegenspoeden drukken, in alles wat de wereld te bieden heeft, geen ware vertroosting, noch rust kan worden gevonden. Als het eeuwige licht van Gods Heiligen Geest over die wereldsche kostelijkheden opgaat, zoodat zij in hare ijdelheid en nietigheid worden gepeild, als zij heur prikkels verliezen, omdat zij ons hulpeloos achterlaten, dan komt het oogenblik, waarop die mensch zich als de verloren zoon het schoone verleden herinnert. Dan zit hij neder te midden van hetgeen hem zoo begeerlijk scheen en dat hem nu een last wordt, omdat het ophield een lust voor hem te zijn, nu hij het leert kennen als een misleidend dwaallicht in de donkerheid zijns levens. En als dan de avondtijd genaakt, als het donker en kil gaat worden in de ziel, dan waakt als bij de duive Noach's de begeerte weder op naar de liefelijkheden, voorheen uit des Heeren hand genoten. Dan komt het oogenblik, waarop hij belijdt, dat het voorheen hem toch beter was dan nu. De bruid in het Hooglied kan ons leeren, welk een heimwee de ziel van Gods kinderen drukken kan, wanneer zij wel zocht, maar Hem niet vond. Hem riep, maar geen antwoord ontvangt. Ja, dan kan het kind des Heeren angstig worstelen, opdat hem toch mag worden wedergegeven de vreugde Zijns heils. Dan kan er een nieuwe weg worden ontsloten, die voert door de valleien des doods, waardoor hij voorheen met smarte was geleid. En wederom kan de klacht rijzen over banden des doods en angsten der hel, des te smartvoller, omdat de rouw over de afdwaling beschuldigt van de ontrouw en de Godvergetenheid, waarin ten anderen male hij verzonken zich wist. Ja, dan begrijpen zij het instinct der duive, die Noach uitliet, die zich vermaakte tot den avondtijd en zich als bezon op de gevaren van den nacht en de kilheid boven de wateren en wederom hare vleugelen uitsloeg om naar de ark der behoudenis zich te spoeden. Zion predikte de duive in haar wederkeer de eeuwen door, hoe alleen bij den Heere Jezus, alleen in Zijne gemeenschap, alleen in Zijne uitverkoren ware Kerk, die rust der ziel wordt gesmaakt, zoodra de wereld in hare ijdelheid ons ontvalt. Van dat alles was de duive in den loop der eeuwen het beeld, dat deed denken aan de roepstem des Heeren : „Komt tot Mij, gij allen, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven".
En nog schooner en treffender wordt zij, wanneer er nog aan wordt toegevoegd : „En ziet, een afgebroken olijftak was in haren bek". Immers, in den zondvloed was Gods oordeel over eene vervloekte wereld, in het geweld der wateren was die uitgieting van Gods toorn. In den zondvloed werd het openbaar, hoe Hij duisternis zette tot Zijne verberging, duisternis der wateren, wolken des hemels, hoe de diepe kolken der wateren werden gezien, hoe de gronden der wereld ontdekt werden van het schelden des Heeren. In den zondvloed verscheen Hij als de God der wrake, die vergelding bracht over de hoovaardigen, die de goddeloozen nederwierp in hunne goddeloosheid en hunne vreugde vergalde door de schaduw des doods. De Heere twistte in den watervloed met de afgevallen menschheid, ook al openbaarde Hij in de verkiezing van Noach hetgeen ook later David ondervonden heeft, toen hij van Gods daden beleden heeft: , Hij zond van de hoogte, Hij nam mij. Hij trok mij op uit groote wateren". Dat had Noach ervaren en nu kwam de duive weder met het olijfblad des vredes in haren bek om het hem te verkondigen, dat des Heeren toorn was voorbijgegaan en de ure der volkomene verlossing aanstaande was.
Welk een wonderschoon beeld bood de duive, vliegende over de bruisende golven, in haar bek het olijfblad der verzoening, opnieuw rust en heul zoekend in de ark, die de kiemen in zich draagt van eene nieuwe menschheid, van eene nieuwe hope, van een vernieuwend licht des Geestes, waarin Gods verband in heerlijkheid zal doorwerken, totdat de ware Vredevorst gekomen is, die den toorn Gods gedragen en ons de gerechtigheid en het leven heeft verworven.
De duive met het olijf blad in haar bek predikt het aan Noach, dat er een oogenblik is in Gods toorn, maar een leven in Zijne goedgunstigheid. Zij predikte hem, dat de wateren waren gelicht van boven de aarde, dat het oordeel was voltrokken en de aarde door Gods eigen hand bereid was tot eene nieuwe historische ontwikkeling der menschheid. Zoo werd de duive het zinnebeeld van den vrede met God, dat de oud-Christelijke graven sierde, om de heerlijkheid en den vrede te teekenen, waarin Gods kinderen ontslapen. Zij vertolkt met het olijf blad in haar bek, hoe Gods kinderen ingaan. Zelfs werd de duif soms zinnebeeld van de opstanding, die de zaligen verwachten. Zij beeldde de wedergeboorte af van de wereld, die was ondergegaan en profeteerde alzoo van hare wederopstanding, die in de uitverkoren Kerk door den Heere Jezus Christus hare voleinding zal bereiken. Zoo diep heeft het beeld der duive ingewerkt in het voorstellingsleven der oude Christenheid, dat lampen en glazen, grafsteenen en avondmaalskelken, doodkisten en muren het beeld der symbolische duif dragen om het der wereld te verkondigen, dat in de gemeenschap met het ware volk Gods in den Heere Jezus Christus de vrede wordt ontvangen hier in dit leven in beginsel, eenmaal na dit leven in heerlijkheid, wijl deze vrede alle verstand te boven gaat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's