De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

11 minuten leestijd

Organische of mechanische verbondsbeschowing.
De bezwaren, die ds. Diemer ontwikkelt tegen de verbondsbeschouwing van Junius en Westminster — om ons nu maar tot deze beide te bepalen — en die hij in den naam mechanische verbondsbeschouwing tot uiting brengt, zijn m.i. ongegrond. De gegevens, waartegen hij zijn bezwaren heeft, moeten en kunnen op andere wijze verklaard worden. Zelfs meen ik, dat wij hier niet met een afwijkende lijn hebben te doen, maar zelfs van een gezonde ontwikkeling mogen spreken. Van ontwikkeling spreek ik hier, wijl Bullinger en Calvijn ten opzichte van het verbond vóór den val zich zeer spaarzamelijk geuit hebben, zoodat men moeilijk kan zeggen, dat zij hier een sluitend systeem hebben gegeven. Ook ds. Diemer trekt de enkele lijnen, idie zij gegeven hebben, door en maakt verschillende conclusies op grond van hun gegevens. Het lijkt mij toe, dat Junius en Westminster den geest van Bullinger en Calvijn beter hebben verstaan dan ds. Diemer.
Wij zullen trachten deze opmerkingen nader te staven.
Het eerste en voornaamste bezwaar van ds. Diemer gaat tegen de oprichting van het verbond in het paradijs. Daardoor komt volgens hem de mensch eerst een tijd buiten het verbond te staan, zoodat wij een natuurstaat, waarin de mensch enkel als mensch voorkomt, en een verbondsstaat, waarin de mensch ons als bondeling Gods verschijnt, naast elkander krijgen.
Het voorbeeld van Abraham kan ons echter leeren, hoe gezocht zulk een voorstelling der dingen is.
God heeft Abram uit zijn land en maagschap geroepen om Hem tot een eigendom te zijn. De schoonste beloften zijn zijne. Niet alleen is hem Kanaan tot een erfdeel beloofd, maar het zaad, dat God hem geven zal uit Sara, zal voor alle geslachten des aardrijks tot een zegen worden gesteld. De Heere openbaart zich gedurig aan hem en gaat met Zijn heillicht hem voor en redt hem uit alle gevaren. Daarna lezen wij, dat God zijn verbond met hem opricht, zeggende : Ik zal mijn verbond oprichten tusschen Mij en u en uw zaad na u in uw geslachten tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God en uw zaad na u. Wie zou hieruit de conclusie .durven trekken, dat Abraham te voren buiten het verbond, der genade heeft gestaan en de weldaden, die hem te voren geschonken waren, en de beloften, die hem gegeven waren, hem uit een andere bron zijn toegevloeid dan het verbond der genade. De oprichting des verbonds met Abraham brengt Abraham niet anders dan de nadere ontsluiting van dat verbond., waarin hij reeds te voren begrepen was en waaruit al het heil, hem geschonken, was voortgevloeid. Deze nadere openbaring bedoelt Abraham den vasten grondslag van de genade-betrekking, waarin God zich tot hem geplaatst had, te ontdekken ; dien vasten grondslag ook voor zijn nageslacht vast te leggen en hem en zijn nakomelingen door een zichtbaar teeken den band des verbonds immer voor oogen te stellen.
Zoo is het nu ook met de oprichting des verbonds met Adam in het paradijs. Noch Junius noch Westminster bedoelen daardoor een natuurstaat naast een verbondsstaat te onderscheiden. Ik geloof zelfs niet, dat zij ooit aan een bepaalden tijd hebben gedacht, die aan de verbondsoprichting voorafging. Maar wie op grond van de woorden, dat God het vertoond met den mensch in het paradljs oprichte, zulk een voorafgaande tijd als noodzakelijk veronderstelt, vergete niet, dat zij ook in dien tijd den mensch niet buiten het verbond hebben gedacht. De oprichting des verbonds is, evenals bij Abraham, de nadere openbaring des verbonds.
Van beteekenis is hier, dat Junius met nadruk het monopteurisch karakter van het verbond aangeeft ; d.w.z. dat het verbond rust in de beschikking Gods des Vaders en. niet in een over eenkomst tusschen God en mensch, waarom verbond en testament van gelijke beteekenis kunnen zijn. Juist daarom valt de verbondsbetrekking van Gods zijde volstrekt niet samen met de openbaring des verbonds in de z.g.n. oprichting. Zoo kan de mensch dus wel degelijk gezien worden als geschapen in verbondsbetrekking, terwijl toch daarna gesproken wordt van de oprichting van het verbond met den mensch, welke oprichting dan bedoelt dit verbond voor den mensch te ontsluiten en den vasten grondslag des verbonds hem te ontdekken als den eenigen grondslag van geloof en hoop.
Heel de kwestie draait dus weer om het stuk der openbaring, en de lezers weten uit het voorafgaande, hoe ds. Diemer met zijn stelling, dat de mensch in het verbond is geschapen, mede bedoelt te zeggen, dat dit verbond, hem niet behoefde geopenbaard te worden, dat hem dit verbond van nature bekend was, dat de kennis daarvan hem, was ingeschapen.
Als ik mij niet vergis., moet de stelling, dat de kennis der wet den mensch ingeschapen is geweest, nog gezien worden als een vrucht van de heidensche wijsbegeerte, waarvan de christelijke theologie zich zoo moeilijk heeft weten los te maken. Die heidensche wijsgeeren, nadenkende over den oorsprong van het zedelijk bewustzijn en de kennis van goed en kwaad, alle menschen eigen, moesten, omdat de levende Godsopenbarinig hen vreemd was, wel komen tot een verklaring, die de bron van dit alles in den mensch zocht. Dat deze kennis hem van nature eigen was, was de eenige verklaring, die open lag, wanneer zij dit zedelijk bewustzijn niet tot een ijdele misleiding wilden stempelen. Veel meer door deze heidensche wijsgeeren dan door de gegevens der Schrift, zijn de theologen, vooral de scholastieke der middeleeuwen, tot de stelling gekomen, dat deze kennis der goddelijke wet reeds in het paradijs den mensch was ingeschapen. De Schrift moge van deze openbaring als zoodanig niet spreken, zij laat toch van .den aanvang af ons God zien, als zich gedurig openbarende aan den mensch. Daarom is het Schriftuurlijker aan te nemen, dat de Heere zelf den mensch heeft onderwezen van de wegen, in welke hij had te wandelen, dan aan te nemen, dat de mensch dit alles wist als vrucht van een inwendlige kenbron. Ten opzichte van. het verbond spreekt dit nog veel sterker. Wanneer men verbond, neemt in den zin, dle het woord in onze taal heeft, en denkt aan een band, die daardoor tusschen God en mensch gelegd wordt — en de laatste tijden komt opnieuw de .gedachte boven, dat de beteekenis van het oorspronkelijke woord, ook niet anders wil zeggen — kan men zich God en - mensch toch niet anders denken als met het aangezicht naar elkander gekeerd, zooals de profeet later den band des verbonds zal weergeven to het den Heere te hand geven. Kan men zich echter God en mensch denken als met het aangezicht naar elkander gekeerd, zonder dat God een woord spreekt ? Hoe denkt ds. Diemer zich de gemeenschap tusschen God en mensch zonder nadere openbaring ? Men komt dan tot een mystieke unie tusschen God en mensch als de mystieken aller eeuwen hebben gezocht, waarbij zij God zochten en vonden in die diepte van eigen ziel. Deze mystieke stilte moet dan toch wel wreed verbroken zijn door het goddelijk woord : van alle boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten, maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads zult gij niet eten, want ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. Immers volgens de beschouwing van ds. Diemer is het spreken Gods in het paradijs iets ongewoons ; het is een uitwendig woord ; het wordt eigenlijk mechanisch toegevoegd aan de ingeschapen kennis.
Dat het in deze kwestie wel degelijk gaat om het stuk der openbaring, kan zelfs uit Junius reeds blijken, waar hij het hoofdstuk over de verbonden en testamenten begint met de opmerkimg, dat het algemeene middel onzer roeping en het zaad der Kerk Gods Woord is en er is vanwege het verband geen reden om aan te nemen, dat dit niet eveneens geldt van den staat des menschen in het paradijs.
Het is trouwens niet te verstaan, als de mensch bij de schepping niet alleen het vermogen om te kennen heeft ontvangen, maar in zich zelf een kenbron heeft gehad, waardoor hij God. en Zijn heilige wet kon kennen, waarom dan ook bij die herschepping deze kenbron in hem niet vernieuwd wordt, maar hij thans geheel afhankelijk blijft van het Woord en de openbaring des Heeren.
Een tweede punt van verschil is het onderscheid, dat de Westminster-confessie maakt tusschen den mensch, als schepsel genomen, en de gunst, die God hem waardig keurt door in verbondsgemeenschap met hem te treden. De afstand tusschen God en het schepsel wordt zoó groot genoemd, dat, al is het, dat redelijke schepselen gehouden zijn hun Schepper gehoorzaamheid te betoonen, zij daarom nog geen recht had; den op Zijn volzalige gemeenschap. Daarom wordt gezegd, dat enkel een vrijwillige nederbuiging van de zijde Gods bron kan zijn van zoo groote gunst, dat zij God zelf als hun zaligheid en loon mogen genieten. Deze gunst gaf God hen in het verbond.
Het lijkt mij toe, dat tegen deze gedachte niet het minste bezwaar kan worden ingebracht. In tegendeel, dat juist deze gedachte het wezen van het verbond op de treffendste wijze tot uiting brengt. Zij ondergraaft algeheel het verdienstelijk karakter, dat men nog zoo dikwijls aan de vlerken van den mensch tot den staat der rechtheid wil toekennen.
Er is niet de minste reden om met ds. Diemer te zeggen, dat de mensch ook volgens deze voorstelling eerst tot blooten natuurstaat wordt geschapen en daarna wordt het verbond boven op zijn natuur gezet, zooals de Roomschen het beeld Gods aan de natuur des menschen zien toegevoegd. Niet van een scheiding, maar van een onderscheiding is hier sprake.
Deze onderscheiding kunnen wij reeds aantreffen bij Junius en daarom is het heel niet noodig om Westminster te zien onder den invloed van Cloppenburg. Junius zegt namelijk met nadruk, dat tot het verbond van dien mensch niets geëischt is geworden, wat hij niet rechtens reeds Gode schuldig was. De bedoeling van deze woorden is duidelijk. De mensch als schepsel Gods is Gode een volkomen gehoorzaamheid schuldig. In het verbond met God wordt niet meer van hem  gevraagd, dan hij toch God reeds schuldig was ; daaruit trekt Junius de conclusie, dat dan de belofte gratulta genoemd moet worden, d.w.z. uit vrije gunst gegeven. Van verdienste kan hier dus nooit sprake zijn volgens Junius, maar het loon moet gezien worden als een loon geheel uit genade of vrije gunst gegeven.
Junius drukt het dus nog wel iets anders uit dan Westminster, maar de ondergrond blijft gelijk. Westminster trekt de lijn van Junius verder door en ziet niet alleen het loon, de belofte des verbonds, maar heel het verbond zelf als vrucht van vrije gunst. Want wijl de mensch .als schepsel toch reeds tot een volkomen gehoorzaamheid gehouden is, kan hij noch op een verbondsbetrekking met God aanspraak maken, noch op het loon des verbonds.
Wij hebben hier volstrekt niet te zien de vrucht van scholastieke redeneeringen. Wat Westminster tot nadere uitdrukking brengt, is niet dan de groote verwondering van Gods Kerk over de nederdaling Gods tot haar. Deze verwondering vindt niet alleen haar oorsprong tot haar zondigen toestand, maar ook wekt het de verwondering op, dat de Eeuwig levende met een schepsel, een eindig, nietig schepsel, tot nadere gemeenschap wil treden. Dit brengt men terug op den toestand in het paradijs, toen de mensch. wel zonder zonde was, maar nochtans een eindig schepsel en men vraagt zich af, wat God toch wel mag hebben bewogen om den mensch zulk een eere waardig te keuren, dat Hij met hem in nadere gemeenschap wilde treden. Vandaar dat de nadruk gelegd wordt op den groeten afstand, die het schepsel van den Schepper scheidt.
Wij zouden het bovenstaande ook zoó kunnen uitdrukken: Het verbond, dat God met den mensch in het paradijs opricht, is niet iets natuurlijiks in den zin van vanzelfsprekend, evenmin als de vleeschwording des Woords iets natuurlijks en vanzelfsprekends was. Het gaat verre uit boven wat de mensch op grond van zijn geschapen-zijn-van-God kon verwachten. Een dergelijke verbonds-beschouwing bewaart voor pantheïsme en naturalisme en onderstreept nog eens extra, dat de mensch, ook al is hij naar Gods beeld geschapen, ook al mag hij de zoon van God worden genoemd (Lukas 3 vers 38), nochhtans schepsel is en blijft.
Deze verbonds-beschouwing heeft nog een ander voordeel, n.l. dat hier de wet een eigen zelfstandige plaats wordt ingeruimd, zoodat, als God de Heere na den val opnieuw met den gevallen mensch Zijn verbond opricht, dat dan door de zonde dies menschen het karakter van genadeverbond ontvangt, alle anti-nomianisme bij voorbaat veroordeeld is.
Maar daarover in een volgend artikel.
O. a/d, IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's