De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

17 minuten leestijd

KOHLBRUGGE
zijn levensgeschiedenis.
VII.

Kohlbrugge leefde uit de hand dies Heeren. Hij ondervond in dezen tijd, in Utrecht wonende, veel vriendelijkheid van ds. Bosworth, Engelsch predikant te Amsterdam. En den 4 Juni 1829 mocht Kohlbrugge zijn theologische studie bekroond zien met een schitterende dissertatie of proefschrift en werd hij met de hoogste lof bevorderd tot doctor in de theologie aan de Universiteit In de Bisschopstad. Tot onderwerp zijner dissertatie had hij Psalm 45 gekozen. Hij was namelijk gewoon voor zijn Hebreeuwsche studie de Psalmen te lezen, waarbij deze bijzonder zijn aandacht getrokken had. Zijn proefschrift was geheel geschreven in het Latijn.
Moellijk, zeer moeilijk heeft Kohlbrugge het in dien tijd gehad, ook omdat men hem van uit Amsterdam geen rust liet. Men zocht hem zelfs door zijn verloofde, zijn zeer geliefdeCOato, over te halen, dat hij een anderen weg inzake zijn Kerk en zijn belijdenis zou inslaan. In een brief van hem, uit Utrecht geschreven in Febr. 1828, heet het: „Christus heb iklihef; Hij is mijn Heere en mijn God. Mijn keus staat vast. Plechtig heb ik gezworen voor Hem te leven, voor Hem te strijden, voor Hem te lijden, voor Hem te sterven als het moet En gij ook nog, mijn Cato! Nu ja, Job had ook nog zijn huisvrouw. Maar wat zeg ik ? Gij zijt er toe gedwongen om dien brief te schrijven ! Neen, zoo ik mij niet bedrieg, heeft God u te veel licht gegeven, dan dat gij uit uzelven mij zoo iets zoudt aanraden. Herinner u dien avond, toen wij bij .grootmoeder waren, hartelijk geliefde Cato. Uw oom K., dominé, Fiebig, uw grootmoeder, uw tante, allen waren er voor, dat ik de aanklacht zou terugnemen. Wat heb ik toen gezegd ? In den naam van den Heere Jezus Christus, die ons door Zijn dierbaar bloed heeft gekocht, staat dit bij mij vast, als allen mij verlaten, indien ik boeken, goed, lijf, leven, eer en vrienden, en u, mijn hartelijk beminde, mijn troost, mijn eenigste troost naast God mij overgebleven, verliezen moet — dan nog sta ik in de kracht van mijn God en tart den duivel, hij moge werken in wien hij wil. Als de Gouverneur mij bij zich laat komen en van mij eischt, dat ik herroep, niets zal mij van Christus scheiden, hij werpe mij in de boeien als hij kan. Eischt de Koning het, ik zal mijn hemelschen Koning bidden om geloofskracht; men drijve mij dan uit dit ellendig leven in het eeuwige leven, zooveel te eerder ben ik bij mijn God. Heeren en vorsten zullen wij blijven over zonde, doo, duivel en alle dingen; laat komen wat er wil. Christus is onze Heere en Koning. Wij zijn Zijn onderdanen, wij zijn gekocht door Zijn bloed".
Ook het Consistorie der Hersteld Luthersche Kerk poogde nog zijn promotie te verhinderen en de faculteit te Utrecht maakte aanvankelijk bezwaar Kohlbrugge tot de promotie toe te laten, doch na de inzage van de „Inlichting" liet ze hem toe. (Het Lidmaatschap, blz. 50).
In De Bazuin van 21 Jan. 1864 vindt men het volgende vermeld : „Een professor in de theologie aan de Utrechtsche Academie zeide in den jare 1829 tot een doctorandus, die hem zyn dissertatie gebracht had over Psalm 45, waarin Christus als de bruidegom en de Kerk als de bruid werd aangewezen : „Mijnheer ! schrijf een andere dissertatie, want het zou schande zijn voor de Utrechtsche Academie, indien iemand op zulk een stuk in de 19de eeuw aan onze Academie het doctoraat had gehaald". Het antwoord was : „Professor, ik schrijf geen andere ; men moet mij dan maar laten vallen". De doctorandus kon bijna geen paranimph krijgen, maar promoveerde cum laude, terwijl de jonge lieden zeiden hij had „summa" moeten behalen". Het bericht is geteekend': „Een Ooggetuige".
Zoo lag zijn promotie dan achter hem en was hij „met lof" 'bevorderd tot doctor in de heilige Godgeleerdheid. Maar de geleerde jonge man had armoede geleden en veel verdriet. En bij de armoede en bij het verdriet was ook nog ziekte gekomen. Door uitputting en overspanning verzwakt, werd hij door een zware krankheid aangetast, juist toen hij zijn proefschrift aanvankelijk voltooid had en weer in Amsterdam terug was.
Deze krankheid was echter niet tot den dood, en zij bracht hem deze geestelijke vrucht, dat hij dieper in de H. Schrift, bijzonder in de Profeten, uitgeleid werd. Hun prediking verkreeg voor hem een geheel nieuw licht. De raad Gods ter verlossing en de Chrlstus spraken hem nu duidelijk uit het Oude Testament toe. Nu begreep hij, waarom de Christus Zijn discipelen telkens naar de Profeten verwees. Het Oude Testament kreeg „ongekende waarde voor hem." Het werd de sleutel voor de kennis der geheele Schrift.
Naar deze beginselen werkte Kohlbrugge zijn dissertatie om en voegde aan het eerste literarische gedeelte, nog een tweede toe, waarin hij het Messiaansch karakter van den Psalm helder deed uitkomen ; en dat in een tijd toen het Rationalisme den toon aangaf in Academische kringen. Vandaar de haat en de tegenwerking.
Te Utrecht was Kohlbrugge in het Arabisch en het Hebreeuwsch een leerling van prof. Schultens, hoewel hij deze niet in alles in het nieuwe volgde, noch zijn regels slaafs toepaste. In de theologische vakken volgde hij nog eenigen tijd de colleges van de hoogleeraren Herlnga en Bonman. Voor de Oostersche talen die van Pareau. Zijn promotor was prof. H. J. Royaards.
Kohlbrugge’s hart spreekt in zijn dissertatie. De diepe vraagstukken, om welker inzicht het hem in alles te doen was, en het geestelijke inzicht daarin als vrucht der zware beproevingen, staan ook hier voorop. Zoo begint hij reeds in de Voorrede met een krachtig getuigenis af te leggen van de gerechtigheid des geloofs! Een arm zondaar kan, tot roem van Gods genade, alleen in Christus Jezus gerechtigheid en heiligheid ontvangen !
Ook bestrijdt hij in deze Voorrede, en later in het tweede deel uitvoeriger, die toen heerschende meening, als zou het Oude-Testament, als iets minderwaardigs, door den christen vrijwel terzijde gesteld kunnen worden. De éénheid en de onveranderlijkheid van de Wet Gods, door Mozes geopenbaard, door de profeten, verklaard, in Christus vervuld — beginselen, die steeds in zijn prediking van zooveel gewicht zullen zijn, niet minder dan de rijkdom van Christus voor Zijn bruid, eveneens één der hoofdtoonen in Kohlbrugge's getuigenis — worden in deze Inleiding als vrucht zijner studie der profetiën opgemerkt.
Zijn dissertatie of proefschrift bestaat uit twee deelen : het eerste is het philologische of taalkundige deel; het tweede toont het profetisch karakter van den 45sten Psalm aan. In het eerste of literarische deel, ontziet Hij geen moeite om den tekst wetenschappelijk taalkundig te verklaren en toe te lichten. Daarbij toont hij zich een meester in het Syrisch en het Arabisch, om van de andere oude talen niet te spreken. Zijn liefde voor vergelijkende taalstudie heeft hier een ruim veld.
In het tweede, meer theologische deel, toont de geleerde doctor zijn groote belezenheid en zijn slagvaardigheid. Hij toont hier thuis te zijn in de Talmudische zoowel als de Patristische., de Reformatorische als de nieuwere theologische en philologische literatuur. Met groote gemakkelijkheid haalt hij allerlei aan, wat door geleerde rabbis, Oostersche schrijvers, Romeinsche of Grieksche classieken. Kerkvaders en Reformatoren als Luther, Calvijn, Malanchton, Beza, Bucerus, Junius, Pareus, Ooccejus, Vitringa, Venem'a enz. geschreven is. Niet minder toonde hy thuis te zijn in de nieuwere exegetische literatuur; Semler, Ernesti, Schroeder, Munthinghe, Pareau, Rosenmüller, Gesenius enz., zijn hem geen vreemden. Arabische literatuur, Joodsche oudheden, Hebreeuwsche poëzie, niets van dat alles wordt door hem overgeslagen. En zijn dissertatie mag een meesterstuk genoemd worden.
In het tweede deel van zijn proefschrift behandelt Kohlbrugge meer den inhoud en de beteekenis van Psalm 45 en beoordeelt de verschillende uitleggingen, welke hij In vier klassen indeelt. Het eerste gevoelen is, dat deze Psalm gaat over Christus alléén (de Kerkvaders, de Middeleeuwen, Luther) ; de tweede klasse maakt onderscheid tusschen type - en antitype - en spreekt van Salomno èn Charisitus; (Hyeironyums, Calvijn, Rivet en die meeste Geref. theologen) (De kantteekenlngen staan tusschen de eerste en de tweede groep ; de derde groep ziet slechts weinig van den Christus in dezen Psalm en stelt het natuurlijke op den voorgrond ; slechts vers 7 en 8 zijn dan profetie; de Psalm is dan vooral een lied gemaakt ter eere van Salomo's huwelijk met een Egyptische koningsdochter (Hugo de Groot, de Remonstranten, van der Palm enz.). De vierde klasse, die geen enkele profetie van Christus in dezen Psalm vinden kon en voor wie deze Psalm, dus niet meer is dan een zang ter eere van Salomo of een Perzisch vorst, is die der volslagen rationalistische exegese.
Kohlbrugge staat op het standpunt, dat heel de Schrift, ook de Psalmen, van den Heiligen Geest is ingegeven. Het zijn niet de menschen, het is God die spreekt. God is de ware en eerste werker en schrijver, al heeft de Heere menschen daarbij gebruikt, door Hem voor dit werk afgezonderd, geheiligd en bekwaam gemaakt.
Hij zegt, dat Jezus en de Apostelen het O. T. goddelijk gezag hebben toegekend ; dat de Christelijke religie geen nieuwe godsdienst is, maar dezelfde is van het O. T. en daarin wortelt. Verder bewijst hij, dat Christus en de Apostelen dit goddelijk gezag niet alleen op het Oude Testament in het algemeen, maar óok op de afzonderlijke deelen hebben toegepast. Dus ook op de Psalmen. En dat wij derhalve, voor de rechte uitlegging, onder dit gezag hebben te buigen. Kohlibrugge toont dan aan, op grond van dit goddelijk gezag, dat in de Schriften des Ouden Verbonds de Christus in Zijn lijden en Zijn heerlijkheid is voorzegd. En hij stelt den rationalist van zijn tijd voor het dilemma : of aannemen de accomodatietheorie, en dan consequent zijn en Jezus en de Apostelen van bedrog .=beschuldigen (maar daarmede valt dan geheel de Christelijke religie) of de Openbaring Gods aanvaarden en het Woord erkennen als Gods Woord, het Woord der waarheid, ons gegeven tot bron en regel voor leer en leven. Niét wijzer zijn dan God. Anders worden degenen, die zich voor wijzen bij uitstek geven, belachelijke dwazen. (Wordt voortgezet).

CALVIJN EN DE SACRAMENTEN (1)
In het 4de Boek van de Institutie schrijft Calvijn „Over de uiterlijke hulpmiddelen door welke God on!s tot de gemeenschap met Christus roept en daarin houdt."
Het gaat dan over „de ware kerk, met welke wij éénheid moeten onderhouden, omdat zij de moeder van alle vromen is."
Er volgt een „vergelijking van de valsche met de ware Kerk". 't Handelt daarna
„van die leeraren en dienaren der Kerk ; en van hun verkiezing en ambt"; „van de
rechtspraak der Kerk", „van de tucht der Kerk, welker voornaamste gebruik in de coensuur en afsnijding gelegen is."
En dan volgt „Van de Sacramenten". Eerst over den doop, om te betoogen „dat de kinderdoop met de instelling van Christus en met de natuur van het teeken zeer wel overeenkomt." Vervolgens over het Heilig Avondmaal en van de Paapsche mis, waardoor „als door een heiligschennis, het Avondmaal van Christus niet slechts ontheiligd, maar ook geheel teniet gemaakt wordt."
Wij willen iets naders zeggen over „Calvijn en de Sacramenten" en geven in 't kort weer wat we in de Institutie, 4de Boek, Hoofdstuk 14 enz. lezen.
De Kerk is het huisgezin des Heeren, waar de geloovigen geen dienstknechten maar kinderen des huizes zijn. We moeten uit het geloof leven. En nu is er behalve de verkondiglng des Woords, om ons de beloften des Evangelies bij te brengen, nog een ander middel om ons geloof te voeden, te onderhouden en te sterken, n.l. het Sacrament. Het Grieksche woord mysteriën of verborgenheid is door de oude vertalers altijd overgezet met het woord sacramentum, voornamelijk wanneer er van goddelijke dingen gehandeld wordt.
De eenvoudige omschrijving van het Sacrament is deze : het is een uitwendig teeken, waardoor de Heere de beloften Zijns Evangelies jegens ons aan onze consciëntiën verzegelt, om de zwakheid van ons geloof te versterken. Wij wederkeerig betuigen door het gebruik van het Sacrament ons geloof en onze liefde voor Hem en voor die menschen.
Met de genoemde omschrijving verstaan wij, dat er nooit een Sacrament is zonder een voorafgaande belofte Gods en het Sacrament, wordt dan als een aanhangsel aan de belofte dies Evangelies toegevoegd, opdat het die belofte bevestige, verzegele en haar voor ons waar en vast make.
De Heere voorzag, dat onze onwetendheid en traagheid en bovenal onze zwakheid dit noodig had, daar ons geloof anders niet zou kunnen worden bewaard. Want de zwakheid van ons geloof is zóó groot, dat het van alle zijden ondersteund en versterkt moet worden, wil het niet terstond aan het wankelen gebracht worden en inzinken.
Nu zijn de Sacramenten de zegels die laan het Woord worden toegevoegd tot bevestiging van de waarheid. In het Woord komt de Heere tot ons en de zegels op zich zelf genomen zijn niets, maar bevestigd en vereenigd met het Woord, zijn ze ter bevestiging van de waarachtigheid van het Woord des Evangelies. Het komt aan op 't geen geschreven staat, maar het geschrevene wordt dan door de zegels vaster gemaakt, om er op te betrouwen. En alzoo hebben de Sacramenten dit bijzondere naast het Woord, dat zij geschikt zijn om het geloof te versterken. Want het stelt ons de beloften des Evangelies als in een schilderij afgebeeld, voor oogen.
Men zegge niet: Indien het geloof goed is, zoo kan het door het Sacrament niet heter worden, want nooit zal een menschenkind tot de volmaaktheid des geloofs komen. Men moet veeleer met de Apostelen bidden : „Heere, vermeerder ons het geloof." (Luc. 17 : 5). En had de man geen geloof, die zeide : „Ik geloof Heere, kom mijn ongeloovigheid te hulp" (Mare. 9 : 24) ?
Gelooven wil zeggen, met een oprecht hart Christus en al Zijne weldaden aannemen. Zoo sprak David ook : „Ik zoek U met mijn geheele hart" en „ik zal U loven van ganscher harte" Psalm 119 : 10; 111 : 1 en 138 : 1). Maar daarin moet de geloovige dan telkens gesterkt en opgebouwd worden, waartoe de Sacramenten zijn gegeven. En nu moet men niet zeggen, dat de Heilige Geest dan te vergeefs gegeven is, indien de Sacramenten het geloof moeten sterken. Want het werk van den Heiligen Geest is, het geloof te planten en te sterken en te volmaken, waarbij de Heilige Geest juist het Woord en de Sacramenten gebruikt. En zoo hebben we te roemen in drie weldaden des Heeren. In de eerste plaats leert God ons door Zijn Woord. Vervolgens versterkt Hij ons geloof door Zijn Woord en de Sacramenten. En eindelijk verlicht Hij onze harten door het licht van Zijnen Geest. Deze opent voor onze harten den toegang tot het Woord en tot de Sacramenten, welke anders alleen als uitwendige teekenen onze ooren en oogen zouden raken, en niet ons hart zouden raken, roeren of bewegen. Alleen als de Heilige Geest als werkmeester daarbij komt, zal het ons tot versterking en vermeerdering des geloofs zijn. Als deze inwendige meester niet tegenwoordig is, kunnen de Sacramenten in onze harten niet meer uitrichten, dan wanneer de glans der zon schijnt in blinde oogen of de lieflijke stem klinkt in doove ooren. En nu wil de Heilige Geest komen, om te toonen dat het God is die daar spreekt; Hij verbreekt de hardnekkigheid van ons hart en brengt ons tot de gehoorzaamheid, welke aan Gods Woord verschuldigd is. Het zaadje, dat valt op een steen of op een woeste plaats van den akker, zal versterven, maar wanneer het valt in een goed toebereid gedeelte, zal het rijke vruchten voortbrengen. Alzoo ook het Woord Gods. En zoo ook met de Sacramenten. En nu moeten we niet aan het schepsel zulk een kracht van geloofsversterking beschrijven. Want het zijn die middelen, die God er toe gebruiken wil tot Zijne verheerlijking en tot zegening van de geloovigen, die op Hem betrouwen.
We mogen aan de Sacramenten dus geen kleine, magische of tooverachtige kracht toeschrijven, die nergens in Gods Woord genoemd worden. Ook mogen we niet aan het ééne deel van het Sacrament toeschrijven wat alleen het andere deel toekomt; want er is een aardsch en een hemelsch deel, een uiterlijk of zichtbaar teeken, en de onzichtbare genade, die door het uiterlijke teeken wordt afgebeeld of beteekend. Er is een teeken en een beteekende (afgebeelde) zaak. Die beteekende (afgebeelde) zaak, waarom het bij het Sacrament tot sterking van ons geloof gaat, kan echter niet gescheiden worden van het uiterlijk teeken. En toch moet het ons dan om de beteekende, geestelijke, innerlijke zaak te doen zijn, wat de Heere aan Zijn uitverkorenen ook in het harte schenken wil, n.l. om Christus door het geloof te ontvangen en zich toe te eigenen.
Augustinus heeft gezegd, dat het vleeschelijk gebruik van de Sacramenten ons het geestelijke niet zal .brengen, al wordt het geestelijke zelf in de Sacramenten door onze goddeloosheid niet te niet gedaan. Maar het doet ons dan geen nut. Zoo moeten we als geestelijke menschen de Sacramenten gebruiken, zal het ons: geestelijke zegening brengen tot voeding en sterking van ons geloof.
Laat ons dit vasthouden, dat de Sacramenten dezelfde taak hebben, als het Woord Gods, n.l. dat zij ons Christus in al Zijne weldaden nabij brengen en ons in Hem de hemelsche genade aanbieden, om ons daarvan, door het gebruik, te verzekeren. Maar zij zullen ons tot geen nut en zonder voordeel zijn, tenzij wij ze in het geloof aannemen. Zoo zijn ze instrumenten Gods, opdat ze hunne werking doen zouden, den geloovige ten goede.
Als we dat goed onderscheiden, zullen we aan de Sacramenten niet iets toeschrijven, dat zij niet bezitten en niet vermogen te doen. Maar dan zullen we ze ook niet verachten en ze niet minachten in de geestelijke beteekenis en goddelijke kracht.
Wanneer van Mozes gezegd wordt, dat hij heiligt, doet hij dat niet; maar doet hij het als middel in Gods 'hand, doende naar Gods wil en gebruikende de middelen, door God verordineerd. Mozes reinigt met zichtbare teekenen door zijn dienst, maar het is dan God die reinigt met de onzichtbare genade door Zijnen Geest, waartoe Hij den weg der middelen gebruiken wil. Die ordinantie Gods zullen wij niet wederstaan, ook waar het de Sacramenten geldt. Die zichtbare teekenen heeft God verkoren om onzichtbare genade ons te doen toekomen.
Het Sacrament is het teeken, dat God verordineerd heeft om in het midden Zijner Gemeente aan die huisgenooten des geloofs de waarheid Zijner beloften in Christus te verzekeren.
Dat heeft God bij Adam gedaan door middel van den boom dies levens, om hem die als onderpand van zijn onsterfelijkheid te geven ; waarop Hij het wegnam toen Adam in den dood gevallen was door de zonde. Zoo gaf God aan Noach den hemelschen regenboog gegeven als onderpand van het verbond der natuur en Hij heeft dat Sacrament als zichtbaar teeken aan den hemel bewaard voor zijn nakomelingen.
Maar wij hebben hier bijzonder te spreken over de Sacramenten, die God aan Zijn Kerk gegeven heeft, opdat zij als onderpand en van het genadeleven in Christus zouden dienen en opdat zij zouden gebruikt worden tot voeding en versterking van het geloof. Zonder die Sacramenten als uiterlijke teekenen en zeegelen van Gods genade, kunnen wij niet.
Deze Sacramenten zijn verschillend geweest, naar gelang van de gelegenheid dies tijds en de onderscheiding van de bedeeling van Gods genade onder Oud-en onder Nieuw Verband. Onder het Oude Verbond zijn het de twee bloedige Sacramenten van de besnijdenis (Genesis 17) en van het Pascha (ingesteld in den nacht van de uittocht uit Egypte).
De twee Sacramenten der Wet verkondigden den komenden Christus ; onze Sacramenten spreken van Christus, die gekomen is, zegt Augustinus terecht.
De Sacramenten, beide van het Oude en van het Nieuwe Testament, zijn wel in teeken en wijze van bediening verschillend, maar gelijk in waarheid en kracht. Beide getuigen, dat die Vaderlijke goedertierenheid in Christus en de genade dies Heiligen Geestes ons aangeboden wordt. Maar de Sacramenten van de Nieuwe Bedeeling getuigen het heerlijker en duidelijker. In beide is ons echter voorgesteld de belofte des Evangelies, één en dezelfde vervulling van Gods heil in Christus aan al Zijn gunstgenooten; waarom zij ze ook liefhebben en teer beminnen, om ze getrouw te onderhouden in het midden van Gods Gemeente, in het midden van Christus' Kerk.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's