ALLERLEI
De noodzakelijkheid van het bidden
„Dat het gebed noodzakelijk is, blijkt ons allereerst uit de menigvuldige geboden, die wij daaromtrent in des Heeren Woord vinden. Zoo lezen wij al onder den ouden dag, dat de Heere zegt: „Roept Mij aan in den dag der benauwdheid", Psalm 50 vers 15. En Paulus zegt: „Volhardt In het gebed", Rom. 12 vers 12. En op een andere plaats : „Houdt sterk aan in het gebed, en waakt in hetzelve met dankzeggingen". Col. 4 vers 2. En Christus vermaande de Zijnen om altijd te bidden en daarin niet te vertragen. Luk. 18 vs. 1. Nu, al wat de Heere gebiedt, is noodzakelijk om te betrachten !
Maar behalve uit de geboden des Heeren in deze, blijkt de noodzakelijkheid des gebeds uit onze diepe afhankelijkheid van Hem, den Opperheer aller dingen. Geheele volkeren worden bij Hem geacht als een druppel aan den emmer en als een stofje aan de weegschaal, Jesaja 40 vs. 15. Hij behoeft van menschenhanden niet gediend te worden als iets behoevende. Hand. 17 vers 25. Wij, daarentegen, zijn als leem in Zijn hand; en behalve onze nietigheid, zoo zijn wij van nature arme duivelsslaven, die buiten Zijne macht en genade niet kunnen ; noch begeeren, noch willen gered worden.
Daarom is het noodzakelijk om, met al onze ellende, uit de diepte te roepen, zooals David deed, Psalm 130 vers 2.
Ten derde blijkt de noodzakelijkheid van het bidden uit het verband, dat de Heere Zelf gelegd heeft tusschen het vragen en het ontvangen van alle goede gaven. Want de Heere zegt: bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal open gedaan worden", Matth. 7 : 7. En nadat de HEERE bij den profeet breedvoerig had bekend gemaakt, waarom Hij Israël zulke heerlijke zegeningen wilde schenken, n.l. om Zijns Naams wil, zoo zegt Hij evenwel aan het einde : „Daarenboven zal Ik hierom, van den huize Israels verzocht worden, dat Ik het hun doe", Ez. 36 vers 37. Daarom zegt ook de dichter : „De Heere is nabij allen, die Hem aanroepen", en op een andere plaats : „De oogen des Heeren zijn op de rechtvaardigen en Zijne ooren tot hun geroep", Psalm 34 vers 16.
Alzoo blijkt het, dat de Christen noodzakelijk bidden moet (Lukas 18 vers 1). En het bidden is ook een werkzaamheid van dien christen, waarvan hij in zijn levendigste tijden gansch niet gaarne ontslagen zou zijn. Neen, het is de ademtocht der ziel, waardoor hij zijn voedsel boven de sterren zoekt op een wijze, die de arme wereld niet vatten kan«.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's