De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

15 minuten leestijd

KOHLBRUGGE zijn levensgeschiedenis.
VIII.
Kohlbrugge die zijn dlssertatie of proefschrift schreef over Ps. 45, stelt zich het ontstaan van dezen Psalm op de volgende wijze voor: David in zijn gedachten willende den Heere een huis bouwen, ontvangt door Nathan de belofte van den Messias, die uit zijne lendenen voortkomen zou (2 Sam. 7) ; dat David toen, vol des Heiligen Geestes, opspringend van blijdschap over de beloften Gods en onder drijving van den Heiligen Geest Psalm 72 en óók Psalm 45 dicht, waarin hij den Christus, Zijn Zoon naar het vleesch, prijst in Zijn schoonheid, in Zijn daden, in Zijn eeuwigdurend rijk en over den heerlijken staat Zijner Kerk.
[Voor Kohllbrugge schijnt vast te staan, dat David de dichter van den Psalm is, hoewel de Psalm zelf dit niet verrmeldt. Zoo staat ook voor hem vast, dat Paulus de schrijver van den brief aan de Hebreën is, hoewel de brief zelve dit ook niet aangeeft].
Het is duidelijk, dat Kohlbrugge dus allerninst kan instemmen met die uitleggers (die vierde Masse), die in den Psalm slechts menschenwerk zien, Hebreeuwsche poëzie en niets meer; noch ook met hen (de derde klasse), die daar niet zoover afstaan en alleen in vers 7 en 8 profetie zien; mocht ook met hen, die den Psalm over Salomo achten te zijn en typisch van Christus verklaren. Kohbrugge meent, dat het hier over Christus gaat; en wat hier bezongen wordt is de vereeniging van Christus met Zijn Kerk ! Hij wil hier een gezonde allegorie toepassen, in onderscheiding van veler overdrijving en misbruik in zake allegorie.
Zoo was Kohlbrugge nu doctor in de theologie, ook al waren velen, hem gram. En we kunnen ons voorstellen, dat de vijandschap van velen nog toenam, juist omdat Kohlbrugge na openlijk en wetenschappelijk positie had ingenomen tegenover de Remonstrantsche leer van zijn tijd, om die beginselen naar Gods Woord weer in 't helderst licht te stellen. Zulk een doctor werd gevaarlijk voor het schier oppermachtig Liberalisme van de eerste helft van de 19de eeuw. Hij plaatste zijn tijd voor de keus : of Gods Woord als vroom bedrog verwerpen of er onvoorwaardelijk voor buigen — terwijl het vroom-doend Supranaturalisme meende, dat men rustig beide tegelijk kon zijn : liberaal èn christen.
Was Kohllbrugge's promotie een liefelijke verkwikking voor den hard aangevochtene, die een zoo moeilijk leven had, nog méér goeds zou In, dit jaar zijn deel worden. Eindelijk zou hem de toestemming geworden tot zijn huwelijk met Catharina Louisa Engelbert, geb. 8 April 1808. Sinds 1825 was hij met haar verloofd. Maar als hij 4 Augustus 1829 aan Willem de Clercq, eenige dagen na zijn huwelijk, schrijft, dat zijn verloofde hem vier jaren trouw gebleven is, dan zit daar tegelijk in, dat die verloving telkens zwaar beproefd is geworden. Want de familie was fel tegen die verloving en wilde van een huwelijk niet weten. Cato was een wees. Zij was een nichtje van den Amsterdamschen heer H. J. Scholte, die in den strijd in de Hersteld Luthersche Kerk aldaar, niet aan de zijde van Kohlbrugge stond (althans later niet) en hem wilde dwingen tot toegeven. Bij dien oom van moeders zijde was Cato in huis (haar moeder was Anna Maria Scholte). Hij was de compagnon van wijlen Cato's vader (Gerrit Engelbert, die een korenhandel had) en behoorde tot de Luthersche Kerk (de familie Engelbert was voor een gedeelte Gereformeerd, voor een gedeelte Luthersch) en verbood Kohlbrugge zijn huis en verlangde als voogd, dat de verloving verbroken zou worden. Doch Cato weigerde standvastig. Op den dag van haar meerderjarigheid werd zij door haar voogd met haar goed uit het huis gezet. Kohlbrugge heeft haar toen gebracht bij haar grootmoeder van moeders zijde, wed. J. G. H. Scholte, die óók tegen het huwelijk was — tot op den dag van de promotie.
Zoowel dr. van Lonkhuyzen ais Klugkist Hesse (Hermann Friedrich Kohibrugge blz. 88—89) geven hiervan een zelfde beschrijving, die ongeveer aldus luidt:
Op den morgen van de promotie (4 Juni 1829) vroeg grootmoeder : „Zeg eens, Cato, wat doet Kohlbrugge eigenlijk ? " — „Wel" — zoo was het antwoord — „hij verdedigt Psalm 45." „Hoe legt hij dien Psalm uit ? " „Van Christus en Zijn bruid." „En willen zij dat niet aannemen ? " „Neen, dat willen zij niet voor geldig verklaren, zij willen hem laten zakken". „Wat denkt gij, zou hij er door komen ? " „Ja, zeker !" „Nu, als hij als Doctor terugkeert, dan kunt gij hem geluk wenschen en hem zeggen, dat gij moogt trouwen, want als hij Christus en Zijn bruid zóó verdedigt en zich hunner niet schaamt, dan schaam ik mij zijner ook niet".
Den 30sten Juli 1829 vierden Kohlbrugge en zijn Cato hun bruiloft! En de verloofde, die met zeldzamen moed des geloofs en der overgave alles met haar bruidegom had doorstreden en geleden en reeds in 't bezit van haar erfdeel was, bracht de middelen met zich mede om een onafhankeljjke positie in te nemen en een huisgezin te vestigen. Hun woning nam het jonge paar eerst in Amsterdam en vanaf 18 Maart (Februari ? ) 1830 in Utrecht, waar ze op kamers (twee grootere en twee kleinere) woonden in de Twijnstraat; twee jaar later vonden ze een flinke woning op de Plompetorengracht.
Eigenaardig is, dat Kohlbrugge, nadat hij getrouwd was, met zijn echtgenoote naar de Vrienden van het Reveil gaat. De jonggehuwden gaan eerst naar den ouden Bilderdijk te Haarlem; vandaar gaan ze naar een anderen vriend van het Reveil, boran Twent van Rozenburg, op den huize Raaphorst, bij Den Haag. Vandaar vroeg K. den 4den Augustus belet bij Willem de Clercq, toen te 's-Gravenhage, om ook bij hem eenigen tijd met zijn echtgenoote door te brengen. Deze zat echter blijkbaar met het verzoek van K. verlegen. En heel beleefd schreef hij hem een bedankje ! Z'n diplomatieke briefje luidde: »WelEd. geb. Heer en Vriend ! Aangenaam zal het mij zijn onze kennis, in het verleden jaar gemaakt, verder voort te zetten en ook die van uwe vrouw te maken, terwijl ik U met het gesloten huwelijk geluk wensch. Daar onze vrouwen echter elkander volkomen niet kennen, kan ik u mijn huis niet wel aanbieden en is het, geloof ik, beter, hier Gods weg niet vooruit te loopen en de ontwikkeling Zijner Voorzienigheid af te wachten. U in Gods genadige bestiering aanbevelend. UBd. dw. dr. W. de Clercq«. Dus — liever niet met K., die als een dweeper en oproermaker uit de Luthersche Kerk was uitgestooten, op zoo'n vertrouwelijken voet als huisvriend!
Uit het dagboek van de Clercq blijkt, dat deze K. niet volkomen vertrouwde. Na dat briefje van 4 Aug. schreef hij over K. als volgt in zijn Dagboek : »K. spreekt eerst uit de hoogte hoog-geestelijk en vraagt dan te logeeren; 't is mogelijk, dat dit alles in één hoofd drijft. Die man heeft voor mij iets raadselachtigs . K. was hem toen allerminst sympathiek! (Zie Pierson : W. de Clercq, naar zijn Dagboek. 1888. II blz. 103).
De weigering schijnt echter geen verwijdering gegeven te hebben bij K. Althans later merken we telkens, dat ze elkaar ontmoeten,  al blijft er ook een klove tusschen K. en de Clercq. 10 Oct. 1831 schrijft de Clercq : »K. heeft iets strengs, niet aangenaam« ; toch laat hij er op volgen ; »Wat hij zeide, was mij aangenaam*. In hetzelfde jaar, nog eens bij gelegenheid van een bezoek van K. bij de Clercq, waarbij K. over de profeten sprak, getuigde hij : »Zijn toon is niet aangenaam, maar hetgeen hij zegt bevalt mij uitstekend ; er is niets wilds, niet fantastisch in«.
In de kringen van het Reveil vond K., hoewel door de officieele kerkelijke lichamen (zoowel de Luthersche alsook de Hervormde Kerk zette hem buiten de deur) verstooten, een hartelijke opname. Hij bewoog zich tusschen de jaren 1821—'33 veel in deze kringen en wist allengs menig vooroordeel tegen hem weg te ruimen. Als hij preekte, waren ook de „Da Costianen" in grooten getale onder zijn gehoor. En met bijna al de corypheën van het Reveil is K. in aanraking geweest, zoowel Nederlanders (Da Costa, Capadoss, de Clercq, Westendorp, baron Van Zuylen Van Nyevelt, de twee Van Hogendorp's, Molenaar enz.) als vreemdelingen, die hier vertoefden (baron Twenth van Rosenburg, Cesar Malan, Merle d' Aubigné, e.a.). Dat was weer de reden, dat hij door anderen des te meer gesmaad werd.
(Wordt voortgezet).

CALVIJN EN DE SACRAMENTEN (2) Van den Heiligen Doop
De Doop is een teeken van de inwijding in het midden der Gemeente, waardoor wij tot de gemeenschap der Kerk worden aangenomen, opdat wij, Christus ingelijfd, onder de kinderen Gods zouden gerekend worden.
De Doop geeft aan ons geloof drie dingen. In de eerste plaats is hij een teeken en zegel van onze reiniging, als het ware een leesbaar en verzegeld handschrift, waarmede God ons bevestigt, dat al onze zonden zóó zijn weggedaan, dat Hij nimmermeer voor Zijn aangezicht zullen komen. Het water spreekt van de afwassching onzer zonden door het bloed en den Geest van Christus. Efeze 5 vers 26 ; Titus 3 vers 5. De Doop teekent ons af onze wedergeboorte en onze reiniging, ls nieuwe menschen zijnde in Jezus Christus; onzen Heere ; en dat niet maar alleen tot op het ogenblik dat de Doop plaats heeft, maar een wedergeboorte en reiniging zijnde voor geheel ons even. De reinheid van Christus, ons in den Doop geteekend, gegeven en verzegeld, is altijd even krachtig, in leven en sterven beide. Hierin zal men geenszins de vrijheid nemen om in de toekomst te zondigen, want die waarlijk geleerd heeft wat zonde is en wat de reiniging in en door Christus' bloed inhoudt, zal bidden : leid ons niet in verzoeking. Deze dingen worden dan ook alleen gegeven aan dezulken, die zuchten onder hun zonden. En zoo dikwijls zij weer in zonde vallen, zullen ze met een gewonde conscientie tot God leeren roepen, waarbij de Doop hun spreekt van Gods onveranderlijke trouw en liefde in Christus, onzen Heere. De kracht van den Doop moet zich uitstrekken over heel ons leven en niet vervangen worden door allerlei boetedoeningen na den Doop, Zooals Rome leert.
Is de eerste weldaad van den Doop, dat hij een teeken en zegel is van onze reiniging, de tweede vrucht geeft ons de Doop, waar hij ons toont onze dooding in Christus en een nieuw leven in Hem; de opstanding van den nieuwen mensch. „Wij zijn in Zijn dood gedoopt, opdat wij in nieuwigheid des levens zouden wandelen", Rom. 6 vers 3.
En ten slotte heeft ons geloof uit den Doop deze derde vrucht: de Doop betuigt ons naast de reiniging en afwassching van onze zonden en de vernieuwing van ons leven, dat wij zóó met Hem vereenigd zijn, als levende ranken van den waren Wijnstok, dat wij deel hebben aan al Zijne heilsgoederen. Daarom worden wij gedoopt in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, opdat wij in de gemeenschap Gods zouden worden ingelijfd voor leven en sterven beide, Hem eeuwig toebehoorend.
Johannes was in deze maar een bedienaar van het water, maar Christus was de Gever des Heiligen Geestes. 't Ging om diezelfde dingen : reiniging, vernieuwing, beërving van het Koninkrijk Gods. Maar de Persoon van Jezus stond zoo vér boven den persoon van Johannes.
Men mag niet zeggen, dat wij door den Doop van de erfzonde verlost zijn en wederom een reine natuur hebben ontvangen als Adam vóór den val bezat, toen hij voortkwam, uit de hand van zijn Schepper. Maar de verdoemende kracht van de zonde is gebroken in Christus en weggedaan in Zijn bloed. Zondaar, maar nu gewasschen en gereinigd en geheiligd en verzekerd ten eeuwigen leven.
Want de verkeerdheid zelve houdt in ons nooit op, maar baart telkens nieuwe vruchten der zonde, welke werken des vleesches genaamd worden. De nieuwe mensch, die naar God geschapen is tot goede werken in Christus, heeft lust in de Wet des Heeren, maar er is.ook nog een andere wet in ons, wat blijven zal tot onzen jongsten snik. Deze werken des vleesches maken ons de gramschap Gods waardig, en dat zal eerst een einde nemen als we uit dit leven verhuizen naar den Heere, om bij Hem in te wonen, eeuwiglijk en altoos.
Daarom wordt Paulus gedrongen, om met zuchten uit te roepen : „ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods" (Rom. 7 vers 24), en dezelfde apostel vermaant de geloovigen, dat zij de zonde niet zullen laten heerschen in hunne leden. (Rom. 6 vers 14).
Nu zal iemand vragen : indien de zonden door de kracht van den Doop niet afgewasschen worden, waarom zeide Ananias dan tot Paulus, dat hij door den Doop zich van zijne zonden Zou laten wasschen ?
Ananias bedoelt, dat Paulus door het teeken van den Doop verzekerd zou zijn van de vergeving zijner zonden ! Maar daarom was de kracht van de zonde, om telkens haar kop op te steken, niet voor goed gebroken en weggenomen. Toch was de verdoemende kracht der zonde in Christus weggedaan.
Het tweede doeleinde van den Doop is hierin gelegen, dat hij dient tot onze belijdenis voor de menschen. De Doop is een merkteeken, waardoor wij gemerkt zijn tot dienstknechten Gods, om Zijn Naam openlijk te belijden en het uit te spreken, dat wij onder het volk van God begeeren gesteld te worden, dragende de wapenrusting van ons Koning. Niet alleen onze harten zullen bekeeren den Heere te loven, maar ook onze tongen, alle leden, hoofd, hart, hand, met alle krachten zullen begeeren des Heeren deugden te verkondigen en Hem te dienen, te eeren en te vreezen.
De weg nu, waarin wij ontvangen wat de Heere ons in den Doop belooft, is het geloof. Wij gelooven, dat het God is, die door dit teeken tot ons spreekt van de weldaden in Chiristus, om ze ons eigendom te maken om niet, zonder prijs en zonder geld. Het is God, die ons reinigt, afwascht en het leven ons deelachtig maakt in Christus, zoodat we dan mogen getuigen : „ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij." Wij gelooven, dat het Christus is, die ons van alle geweld des duivels verlost heeft en ons alzoo bewaart, dat geen haar van ons hoofd vallen kan, buiten den wil van onzen hemelschen Vader. Terwijl de Heilige Geest ons gewillig maakt Gode te leven. Wij gelooven dan, dat wij, Christus aangedaan hebbende, tot de kinderen Gods gerekend worden.
We zien dan bij de bediening van het Sacrament van den Heiligen Doop niet op hem, die het Sacrament bedient. We ontvangen het uit de hand van den dienaar, die het uitdeelt. Maar we zien op de hand Gods, van Wien het alles afkomstig is. Hieruit besluiten wij, dat aan het Sacrament niets gegeven noch ontnomen wordt door de waardigheid van hem, die het uitreikt. Al was de Besnijdenis door veie bijgeloovigheden verdorven en besmet, daarom hield het Sacrament niet op een teeken en zegel van Gods genade te zijn. Om deze reden hebben Jozia en Hiskia het afvallige Israël ook niet wederom laten besnijden. Wat ook in zake den Doop onder ons geldt. Al zijn die menschen leugenachtig en ontrouw, nochtans houdt God niet op waarachtig te zijn.
Telkens weer beroept men zich op Paulus, die de jongeren van Johannes opnieuw zou gedoopt hebben. (Hand. 19 : 3). Maar het woord Doop wordt verschillend gebruikt; en hier is sprake van „de mededeeling der gaven des Heiligen Geestes, welke de geloovigen ontvangen door de oplegging der handen. 't Was dus niet de eigenlijke Doop geweest, die ontbrak juist nog. Bovendien spreekt Lucas daar niet van eenigen „wederdoop" door Paulus. Hij verhaalt eenvoudig, hoe Paulus aan de discipelen van Johannes een uitlegging geeft over den dienst van hun meester. Johannes leerde, dat het volk zou gelooven in Hem, die na hem komen zou. En Paulus kon en mocht spreken van Hem, die gekomen was en Wiens bloed reinigt van alle zonden. Uit den grondtekst — zegt Calvijn (IV, 15, 18) — is duidelijk, dat hier geen sprake is van opnieuw doopen. Zij waren gedoopt in den Naam van den komenden Christus en dan wordt hier verhaald, hoe Paulus hun de handen oplegde en zij den Heiligen Geest in bijzondere gaven ontvingen. Hier is dus allerminst — "zegt Calvijn — sprake van een door Paulus herhaalden doop.
Wat het uiterlijk teeken van den Doop betreft (water), hebben wij de eigen instelling van Christus te volgen en te houden en alle Papistische toevoegselen van : zegeningen, beademingen, zout, kaarsen en dergelijke bedriegelijkheden verre van ons te werpen.
Ook zal men (in tegenstelling met Rome) die gedoopt worden in de vergadering der geloovigen brengen, zoodat de gansche gemeente getuige zij en voor hen bidt. Men zal eerst voorhouden de belijdenis van den Doop en die verklaren, opdat men wete wat er geschiedt. En men zal doopen in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, om in de gemeenschap van den drieënigen Verbondsgod in te leiden. Daarna zal men eindigen met dankzegging en gebeden.
De Doop is, evenals het Avondmaal, een deel van den kerkelijken dienst en daarom behoort men te weten, dat het verkeerd is, wanneer menschen zonder ambt zich het doopen aanmatigen.
Ook is het ongeoorloofd, dat een leek of vrouw doopt, wanneer een zieke dreigt te sterven, alsof men vreesde, dat hij anders van de genade der wedergeboonte zou beroofd worden. De zaligheid is gelegen in de belofte der genade Gods in Christus, welke óók vervuld kan worden zonder den Doop. Daarom geen „nooddoop", zooals Rome leert, opdat de bijgeloovigheid niet wordt gevoed. Liever zal het oog op Christus moeten worden getrokken en het hart op Hem moeten vertrouwen.
Laat ons dus besluiten, dat het Sacrament als een zegel de belofte krachtig maakt, niet alsof die belofte in zich zelve krachteloos zou zijn, maar opdat zij aan ons nader zou worden beteekend en bezegeld en bevestigd. Indien daarom het weglaten van het teeken niet door onachtzaamheid, roekeloosheid of minachting veroorzaakt is, zijn wij van alle vreeze vrij indien we het Sacrament zouden moeten missen. Gods genade is niet aan de Sacramenten verbonden.
Maar in Gods weg zijnde zullen we ze, indien eenigszins mogelijk, naarstig moeten gebruiken, tot Gods eer en onze ziel tot zegen ; ook tot stichting der Gemeente, die bij de Sacramenten heeft te leven. (Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's