De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

9 minuten leestijd

En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de menschen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hunne werken waren boos. Johannes 3 vers 19.

Wanneer ge deze meditatie leest, is het waarschijnlijk ongeveer een maand geleden, dat het Kerstfeest werd gevierd. De tijd gaat snel. En snel vervagen Kerststemmingen en snel vervaagt Oudejaarsavond-weemoed Een zucht werd geslaakt, een traan weggepinkt, en voort ging het weer in versneld tempo Het leven vraagt ook zooveel. Tijd tot bezinning is er niet. En ook na de vierdagen gaat het leven weer voort zijn alledaagsche gang. Hoogstens denkt ge, als ge door het lezen van dit woord er aan herinnerd wordt, dat inderdaad alweer een maand sinds Kerstmis '35 verstreken is : wat leven we snel Heeft dan de prediking van Kerstmis en jaarwisseling u niets „gedaan" ? Zijt ge innerlijk dezelfde gebleven ? Deed het woord der prediking u geen nut, omdat het met het geloof niet gemengd was in u, die de boodschap hooren mocht ? Ja, hebt ge jaar in jaar uit alreede naar de verkondiging van Gods Woord geluisterd, maar wekte het gehoor geen geloof ? Dan zal de prediking u een reuke des doods ten doode zijn, u niet ten voordeel, maar ten oordeel strekken. Want dan zijt ge, ook al stemt ge de waarheid toe, nog een kind der duisternis en des nachts en niet des lichts en des dags. Slechts hartvernieuwende genade leert ons het licht jubelend begroeten, anders haten, schuwen we het licht, omdat het onze booze werken openbaart.
Moge de Heilige Geest ons de vraag op het hart binden : ben ik, trots mijn uitwendige vroomheid, mijn bidden, mijn kerkgaan, nog een kind des nachts, of werd ik in waarheid uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht getrokken ?
Het licht is gekomen. Dat is de korte inhoud van de Kerstprediking, de somma van het gansche Evangelie. Deze prediking wordt n elk jaar, elken Zondag gebracht. Deze waarheid belijdt ge, beaamt ge. Voor de zuiverheid van het Woord strijdt ge. Dat licht heeft geschenen over de paden des levens, die gij bewandelen moest. Heeft het ook geschenen in uw hart? Heeft het de zwarte schaduw van zonde en dood verdreven ? Uiterst gewichtige vraag, die we onszelf en elkander nooit genoeg kunnen stellen. Want wees hiervan toch verzekerd, dat wij allen zonder onderscheid, van nature het licht haten en de duisternis minnen. Ook al komen we in de kerk en toehooren we tot de strijders voor een zuivere belijdenis. Een schoone beschouwing over heit gekomen licht hooren we gaarne. We vinden het belangrijk na te gaan, hoe Christus inderdaad de vervulling is van de beloften Gods. Jesaja sprak van een in duisternis en schaduw des doods gezeten volk, dat een groot licht zou zien. Hij maande : maak u op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op. Maleachl ziet in den geest de Zon der gerechtigheid reeds' opgaan en Zacharias zingt van de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte. En wil Simeon niet heengaan, omdat hij gezien heeft het licht tot verlichting der heidenen ? Al deze Schriftplaatsen zijn in Christus vervuld. Zelf noemde Hij zich heit Licht der wereld. Die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben. Hij is Hèt Licht. Hij vraagt voor zich de centrale plaats, zooals de zon het middelpunt is van het heelal. Zoolang het nu maar blijft bij een voorwerpelijke beschouwing, zwijgt de stem van afkeer en haat; weten we soms zelfs vriendelijke dingen aan het adres van het licht te zeggen. Maar o wee, indien door dat licht onze eigen ongerechtigheden worden ontdekt en geopenbaard ! Dan blijkt de waarheid van de tekst, dat de mensch de duisternis liefheeft en het licht haat, zoowel de vriendelijke onchristelijke mensch als de onherboren „christelijke" mensch.
Het licht is gekomen. Maar het licht is versmaad.
Dat wonderrijke geschenk van Gods alvermogen, het dierbare Kind van Bethlehem, dat stof van vreugd voor de gansche aarde moet zijn, is gehaat, verworpen. De wijngaardeniers hebben de boden smaadheid aangedaan en den eeniggeboren Zoon gedood. Het verkoren volk heeft de profeten, die van het licht getuigden, gesteenigd en Hem, Die het licht was, gekruisigd. Het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis heeft hetzelve niet begrepen. Hij is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Geen plaats was er voor den Christus Gods in de herberg, geen plaats in het hart van Farizeërs en Schriftgeleerden, van stadgenooten en tijdgenooten, maar óok niet van u, noch van mij, tenzij wij door den Geest Gods wederom geboren worden, tenzij de duisternis van ons hart door het licht wordt beschenen. Wij hebben de duisternis lief en haten het licht, want onze werken zijn van nature boos. Het zijn sombere kleuren, waarmede de Heere Jezus het hart van den mensch teekent. Het is arglistig, onstandvastig, ondankbaar, onrein, duister, en de duisternis haat het licht, omdat het opgaan van het licht de dood van de duisternis is.
We zijn bang voor het licht. Het doet pijn aan de oogen. Het licht laat ons onze armoede, naaktheid, gruwelijkheid zien. Het Licht zegt tot ons ; geveinsden, dwazen, blinden, adderengebroedsel. En toch kunnen we het licht niet missen. Het heeft heilzame, genezende werking. De hoogtezon doodt ziektekiemen. Jezus is het Licht, de groote Medicijnmeester. O, waarom hebben we den dood meer lief dan het leven ; volgen we liever dwaallichten, die ten ondergang voeren, dan het Licht des levens ? Mocht Gods Geest ons voor het eerst of bij vernieuwing doen verstaan, dat al ons zwoegen, slaven, strijden, buiten en zonder dat licht, de dood is, en waar, echt, geestelijk leven wekken. Mocht dat licht het dan ook meer en meer winnen gaan van de duisternis in ons hart, in ons gezin, op kerkelijk en in maatschappelijk gebied.
Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, maar de menschen hebben de duisternis liever gehad dan het licht. Het is niet onverschillig, welke onze verhouding is ten opzichte van het licht. Christus is niet een voorwerp van beschouwing, zoomin Zijn werk dit is, maar van aanbidding. Ik bedoel: het is niet betrekkelijk onverschillig, hoe wij over Hem denken, zooals het betrekkelijk onverschillig is hoe wij over één of meerdere van de vele lichten, die geschenen hebben, denkers, dichters, staatslieden, uitvinders, denken. Dit is het oordeel. Dit is het beslissende. Hier bomt het op aan. Dit is de crisis. Dit is de beslissende wending der zaak. Onze verhouding tegenover het licht beslist.
Bedenk toch steeds: tegenover Christus kan en mag geen sterveling neutraal staan. Het is altijd : vóór of tegen. Dit is het oordeel. Ja, inderdaad, zoo staat het er in het oorspronkelijke : dit is die crisis. Door de tijdsomstandigheden kennen wij dit woord allen. Als de crisis gekomen is, kan het de goede, kan het ook de kwade kant opgaan. Het is één van heide. Het is van tweeën één. Het licht oordeelt; Christus oordeelt. Het licht brengt aan den dag of we geloof of geen geloof hébben. Geen napraat-, dood-, historisch geloof, maar levend, echt, zaligmakend geloof. En lees nu eens de verzen 18 en 36 van ons teksthoofdstuk. Wie niet gelooft, is alreede veroordeeld ; alreeds rust Gods toorn op den ongeloovige. De mensch gaat niet verloren, maar is verloren. Ontzettende gedachte ! Veroordeeld, met 't merkteeken van den veroordeelde gebrandmerkt, wachtend op de voltrekking van het vonnis, tenzij gratie wordt geschonken. Gode zij dank, nog is crisistijd, Christustijd. Hoe lang nog ? We weten het niet. We weten alléén, dat de Heere thans nog tot bekeering laat manen - en de stralen van Zijn genadelicht nog niet onderschept zijn, o, dat ge u mocht laten bestralen en het Licht der Lichten mocht leeren aanbidden ! In dat licht zien we het licht. Zijn licht doet, klaarder dan de zon, ons 't heuglijk licht aanschouwen. In dat licht ziet ge de levensmoeilijkheden, de leidingen, de kastijdingen, zoo pijnlijk vaak, anders. Voor dat licht moet de nacht van twijfel en bekommernis wijken.
Het licht is gekomen. Belijdt ge 't niet slechts, maar hebt gij de pijnlijke en genezende werking van het licht ervaren? Is de Kerstprediking u méér geweest dan een klank, en zijt gij, vijand van het licht, een liefhebber en aanbidder geworden ? Gekomen tot het licht, door de genade des Heeren, zullen uw werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn. En de werken des lichts mogen u een kenmerk zijn hiervan, dat ge vrijgesproken zijt van de schuld en straf der zonde, dat het oordeel u niet treffen zal, daar uw Borg volkomen betaald heeft. Hij is uit den angst en helt gericht weggenomen en wie zal zijn leeftijd uitspreken ? Want Hij is afgesneden uit het land der levenden ; om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest.
Om de wille van den Borg vrijgesproken in het gericht! Diepzinnige, rijke Evangelieprediking. O, wonder van vrije en souvereine genade!
Het licht is gekomen. Eerst werd het door u, bekeerde zondaar, trots uw vroom opgaan onder de Kerstprediking, geminacht, sterker, vooral, toen een enkele straal uw hart ging treffen, gehaat. Maar ge hebt dat gehate en versmade licht, dat uw ongerechtigheden openbaarde, leeren aanbidden en lief krijgen, omdat het tevens genezende werking bleek te bezitten en met dat licht ook vreugde en vrede uw hart binnentrok en voor het licht beklemming, angst, benauwdheid, moesten wijken. En nu moge het soms schemer worden, soms zelfs een oogenblik de duisternis heerschend schijnen, wees er van verzekerd, wanneer de zon eenmaal is opgegaan, moet de nacht wijken en geen satan, vleesch of wereld, zullen de eens verlichten buiten de lichtstad daarboven kunnen houden, die stad, die geen zon of maan behoeft, dat die in haar zouden schijnen, omdat de Heere God haar verlicht en het Lam haar kaars is.

Garderen

J. C. Terlouw

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's