HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH (9)
Organische of mechanische verbondsbeschouwing.
Dat er onderscheid is tusschen den mensch als schepsel en den mensch als deelgenoot van het verbond — en meer dan dit onderscheid bedoelen Junius en Westminster niet — leert ons de val van den mensch. Door de zonde heeft de mensch het verbond met God verbroken ; op de gesloten verbondsbetrekking kan hij zich na zijn val niet meer beroepen. Rechtvaardig ligt hij onder den vloek. De betrekking waarin hij als schepsel tot God als zijn Schepper staat, is echter ook na den val gebleven. Deze kan niet verbroken worden. De mensch houdt, hoezeer hij ook tegen God opstaat, nooit op een schepsel Gods te zijn, evenmin als de duivelen niettegenstaande hun boosheid ophouden schepselen te zijn.
Daarom moge misschien wat den tijd betreft de schepping van den mensch en de verbondsbetrekking tot God samenvallen, zoodat van een scheiding in het paradijs niet gesproken kan worden, een onderscheid tusschen die beide is er zeer zeker en dient ook tot recht verstand, van het verbond goed in het oog gevat te worden.
Heel de geschiedenis van het genadeverbond en de verschillende beelden en gelijkenissen, waarin dit verbond ons in de Schrift verschijnt, bevestigen dat.
Als God het verbond met Zijn volk een huwelijksband noemt, dan bedoelt Hij daarmede niet alleen tot uitdrukking te brengen de nauwe en innige vereeniging, die met het verbond gepaard gaat, maar wordt ons hier tevens, voorgesteld, dat God zich in een nauwe betrekking tot Zijn volk heeft geplaatst, die alleen hen en niet andere menschen is geschonken. Terwijl Hij aller menschen Schepper is, heeft Hij zich nochtans tot de Zijnen in een betrekking geplaatst, die meerder is dan de betrekking Schepper-schepsel ; Hij heeft de Kerk Zijn bruid genoemd, de geloovigen Zijn kinderen.
Alleen in dezen weg kan ons het verband tusschen het verbond en de wet van God duidelijk worden.
Onmiddellijk met de Hervorming zien wij allerwege anti-nomiaansche bewegingen opkomen. Op sommige uitdrukkingen van Luther konden zij zich beroepen, al heeft Luther die woorden niet in een aniti-nomiaansche zin bedoeld. Het antinomianisme hangt samen met een eenzijdige verklaring van de verlossing, die in Christus is, en van de gerechtigheid, die Hij heeft aangebracht. Men gaat dan uit van de gedachte, dat de verlossing van de wet — Christus geworden onder de wet, opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou — een algeheele opheffing van de wet beteekent en dat de toerekening van Christus' gerechtigheid het onnoodig maakt naar de wet te leven, ja, dat de poging om in Gods geboden nauwgezet te wandelen, niet anders is dan het juk van Christus afwerpen.
Verbond en wet worden hier dus als tegen-stellingen gezien. Buiten het verbond is de mensch onder de wet; onder het verbond is hij vrij van de wet.
Het behoeft niet gezegd te worden, hoezeer deze gedachte in flagranten strijd is met de Schrift en juist tot wederlegging van dit duivelsche beginsel hebben de Hervormers zoo grooten nadruk gelegd op het stuk der dankbaarheid. Gods wet hebben zij gepredikt, volstrekt niet alleen om aan zonde en schuld te ontdekken, maar ook en bovenal, opdat de christenen zouden weten, hoe zij Gode welbehagelijk hebben te wandelen.
Dit neemt echter niet weg, dat toch velen moeite hebben gehad met dit stuk en nog telkens hebben. De verhouding van genade en wet wordt niet altijd klaar gezien, en vandaar, dat een christen nu eens weer tot een wettische en dan weer tot een anti-nomiaansche levenshouding vervalt. En ofschoon ik niet ontkennen wil, dat de moeilijkheden hoofdzakelijk voortkomen uit de gedurige struikelingen, is het toch van beteekenis, dat het verband tusschen wet en genade of genade verbond klaar gezien wordt.
De wet hebben we te zien als behoorende bij den band, die het schepsel aan den Schepper bindt. Daarom spreken wij van de zedewet als van een wet, die van eeuwigdurende geldigheid is. Terwijl de ceremonieele en burgerlijke wetten slechts voor een bepaalde periode geldigheid hebben en buiten die periode hun beteekenis hebben verloren, blijft de wet der zeden immer van kracht. Noch de val van Adam in het paradijs, noch de inkomst van Christus in de wereld, heeft haar geldigheid ongedaan gemaakt. Zij is even eeuwig als de betrekking van den mensch tot God als van schepsel tot zijn Schepper eeuwig is en onveranderlijk.
Wanneer de wet samenviel met het verbond, had de wet bij de verbreking van het verbond haar verbindende .beteekenis: voor den mensch verloren. Omdat zij echter samenvalt met de betrekking schepsel-Schepper, blijft de mensch, ofschoon het verbond verbroken hebbende, nochtans verbonden God te dienen en te gehoorzamen. Vandaar, dat ook bij de heidenen nog een zedelijk bewustzijn mogelijk is en de kennis der wet Gods bij hen niet geheel is verloren gegaan, maar van de verbondsvereeniging tusschen God en den mensch weten zij niet meer. De weg naar den troon des levens, die eens in het paradijs stond, is voor goed toe gesloten.
Wanneer God na den val opnieuw het verbond, dat door den mensch verbroken is, met hem opricht, verandert er niets in de wet der zeden, die den mensch gegeven was en hem voor eeuwig verbond, maar wèl komt God de Heere in eene nieuwe betrekking tot den mensch te staan. In plaats van hem te vloeken, komt God met Zijn zegen ; in plaats van hem te verwerpen — en de mensch kon op grond van het eens gesloten verbond niet anders verwachten, waarom Adam en Eva vol vreeze het aangezicht des Heeren trachten te ontvlieden — wil God de Heere in ondoorgrondelijke genade hem opnieuw aannemen.
Deze nieuwe betrekking, waarin God zich tot den mensch stelt — nieuw n.l. van den mensch uit gezien, omdat de mensch zich thans als een kind des toorns beeft te zien — komt niet mechanisch bij de betrekking schepsel-Schepper, waarin de mensch ook in zijn val nog tot God staat, zooals ds. Diemer leert van de opvatting van Junius en Westminster, maar is daarvan wel onderscheiden en gaat verre daarboven uit.
Als een man een vrouw trouwt, zijn zij tevoren reeds door den band des bloeds verbonden. Zij ontmoeten in elkander een medemensch. Door het huwelijk toornt bij deze betrekking een andere en nieuwe, die ver daarboven uitgaat en van veel inniger aard is. Maar wie zou hier nu willen zeggen, dat de huwelijksband mechanisch aan die andere wordt toegevoegd.
Zoo hebben wij ook de verbondsbetrekking tusschen God en mensch te zien. Hoe groote genade den mensch daardoor bewezen wordt, dat hij in de gemeenschap Gods wordt opgenomen en een vriend van God wordt genaamd, nochtans is en blijft hij een schepsel Gods en is daarom ook in het verbond gehouden tot de gehoorzaamheid, waartoe het schepsel verbonden is krachtens de wet, door God aan den mensch gegeven.
Ook onder het genadeverbond, waarin den mensch alle heil en een volkomen zaligheid uit genade wordt gegeven, zonder eenige voorwaarde, die eerst door den mensch moet worden vervuld, blijft de mensch verbonden om God te dienen en in Zijn wet te wandelen. Ja, deze bewezen genade verplicht zelfs tot een bizonder liefdevolle gehoorzaamheid.
De gedachte, dat het werkverband slechts gehoorzaamheid vroeg en het genadeverbond alleen geloof vraagt, moet dus ten eenenmale verworpen worden. Het verbond als zoodanig vraagt, immer geloof, zoowel vóór als na den val. Zooals de bruid de hand van den .bruidegom niet kan aanvaarden dan geloovende in zijn woord en trouw, zoo kon de mensch vóór den val en kan de mensch na den val de hand des Heeren, die hem in het vertoond gegeven wordt, niet aanvaarden dan door het geloof.
In het huwelijksformulier beloven man en vrouw elkander geloof en trouw. Deze beide behooren bij elkander ook in het verbond tusschen God en mensch. Als de mensch in het paradijs God niet meer gelooft op Zijn woord, verbreekt hij met het geloof ook de trouw. Ontrouw en ongeloof gaan immer met elkander gepaard. Wij zijn zoó afhankelijk van God, dat wij nimmer getrouw kunnen zijn dan door het geloof in Gods trouw.
Hier ligt de verklaring, waarom bet houden van bet verbond, dat in het geloof geworteld is, het houden van Gods inzettingen ais vanzelf mede-brengt, maar waarom ook omgekeerd het verlaten van Gods inzettingen in de Schrift als een verbreken van het verbond wordt gezien. Zoo wordt bet ons niet geteekend vóór den val, maar zoo stelt de Schrift bet ook voor na den val. Er is tusschen deze beide geen verschil. Zonder geloof en gehoorzaamheid is het verbond niet bestaanbaar.
Wanneer dit beter verstaan werd, zouden tal van menschen zich niet stooten aan hoofdstukken als Levit. 26 en Deuter. 28, waarin God zich tot Israël wendt en vele zegeningen hen belooft, die in Zijn inzettlngen wandelen zullen, maar met ontzaglijke vloeken vervloekt, die Zijn rechten zullen verlaten en verbreken. Menigeen meent hier te doen te hebben met een soort werkverbond en schrijft dit toe aan de oude bedeeling en denkt dat deze woorden alleen daaruit verklaard kunnen worden, dat de bediening van het verbond der genade onder Israël een wettisch karakter droeg.
Dit is geheel onjuist. Deze opvatting veronderstelt een verbondsbeschouwing of een genadebeschouwing, door welke de wet wordt opgeheven, waardoor noch plaats overblijft voor een belooning der goede werken, noch voor een bezoeken van het kwade. Wat genoemde hoofdstukken leeren, heeft zijn geldigheid ook voor bet genadeverbond onder de nieuwe bedeeling, want dit verbond doet de wet niet te niet. Zoodra dan ook een christen op grond van de kindsbetrekking, waarin hij tot God geplaatst is geworden, meent, dat hij het nu met dit of dat gebod niet nauw behoeft te nemen, is bij in de anti-nomiaansche strik gevallen en zoodra hij door de onderhouding van dit of dat gebod denkt in een bizondere gunst-betrekking toit God te zullen komen, is hij onder het juk der dienstbaarheid opnieuw gekomen. De vriendschapsbetrekking tot God en het kindschap Gods, die in en met het verbond gegeven zijn, zijn enkel vrucht van vrije genade, maar juist deze verbondsbetrekking dringt aan op een nauwgezette onderhouding van Gods wet.
Onze afwijzing van de beschuldiging eener mechanische verbondsbeschouwing tegen Junius en Westminster, door ds. Diemer ingebracht, om de verdere theologen maar te laten rusten, kunnen wij dus in de volgende punten samenvatten :
a. De mensch, naar Gods beeld geschapen, heeft nimmer een bron van kennis in zich zelf gehad, waaruit hij de kennisse Gods putte, maar God heeft van den aanvang af zich aan hem geopenbaard en heeft hem den Heiligen Geest gegeven, opdat deze hemelsche Leidsman hem het verstand zou geven om den Waarachtige te kennen.
b. De mensch heeft van den aanvang af in een relatie tot God gestaan, welke een verbondsrelatie genoemd mag worden.
c. Wijl de verbondsbetrekking door den mensch verbroken kan worden en ook verbroken is, maar de mensch niet ophoudt een schepsel Gods te zijn, kan en moet onderscheid gemaakt worden tusschen de betrekking, waarin de mensch als schepsel tot zijn Schepper staat en de betrekking, waarin het verbond hem tot God plaatst.
d. Als Junius en de belijdenis van Westminster spreken van de oprichting van het verbond van God met den mensch in het paradijs, bedoelen zij daarmede niet een tijdperk af te zonderen, waarin de mensch lang of kort buiten het verbond heeft geleefd, maar bedoelen zij daarmede den nadruk te leggen op de openbaring, die den mensch van God gewordt, door welke openbaring hem. de inhoud van heit vertoond nader geopend wordt.
e. Ofschoon de wet door ons alen gezien mag worden in het raam des verbonds, is er nochthans onderscheid tusschen de verbondsbetrekking en de wet. En wijl de wet ook na het verbreken des verbonds den mensch blijft verbinden, moet de wet in nauw verband gebracht worden met de schepping, alzoo de band, die den mensch als schepsel aan God bindt, ook onvernietigbaar is., maar bet verbond is veeleer in verband te zien met Gods genadige verkiezing, wijl God in Zijn ondoorgrondelijken raad den eenen mensch door verbondsbetrekking genadig tot Zijn kind heeft aangenomen en den ander om zijn zonde heeft verworpen. Ook in en door bet verbond vóór den val baant deze verkiezende genade zich een weg tot den mensch.
f. Het aannemen van een onderscheid tusschen de scheppingsrelatie en de verbondsrelatie, zoowel als de erkenning, dat ook in het paradijs Gods openbaring de bron der Godskennis is geweest, geeft nimmer het recht om van een mechanische verbondsbeschouwing te spreken.
O. a/d IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's