VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD
Genesis 8 : 12 en 13. Toen vertoefde hij nog zeven andere dagen en hij liet de duif uit, maar zij keerde niet weder tot hem. En het geschiedde in het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand, op den eersten derzelfder maand, dat de wateren droogden van boven de aarde. Toen deed Noach het deksel der ark af en zag toe en ziet, de aardbodem was gedroogd.
5e Serie.
XI.
Genesis 8 : 12 en 13. Toen vertoefde hij nog zeven andere dagen en hij liet de duif uit, maar zij keerde niet weder tot hem. En het geschiedde In het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand, op den eersten derzelfder maand, dat de wateren droogden van boven de aarde. Toen deed Noach het deksel der ark af en zag toe en ziet, de aardbodem was gedroogd.
Dat Schriftuurlijke beelden wel tot onze leering mogen gebezigd, maar niet voor verklaringen mogen worden uitgegeven, blijkt hier op treffende wijze. Van de duive met de olijftak in haar bek, van haar uitzwerven, van haar schenen over de wateren, is van alles gemaakt, dat in het verhaal zelf geen grond vindt. Zoo zijn er allegorische verklaarders geweest, die de raaf als de wet, de duif als het Evangelie hebben opgevat. Anderen noemden de duif in haar uitvliegen en wederkeer als die beteekende, dat er een ruste overblijft voor het volk van God. Maar wie het verhaal leest, kan van dit alles daarin niets ontdekken. De eenvoud van het verhaal teekent ons op wonderschoone wijze, hoe Noach proeven neemt door middel der met zorg uitgekozen vogels om een inzicht te verkrijgen aangaande den toestand op de aarde. Alvorens de ark te verlaten, moest hij weten of de aarde hem een woonplaats bood. Iets meer ligt er in het verhaal niet. Doch daarmede is niet gezegd, dat van de ons gegeven teekenlng, de houding en de gedraging der vogels, van raaf en duif, ons niet de beelden en voorbeelden aan de hand zou kunnen doen, die toelichting kunnen geven over wat op ander gebied, in dit geval dan ook geestelijk gebied, gebeurt tot leering en vermaning, die naar de godzaligheid is. De Schrift zelve gaat ons voor met aan de wereld der dieren en planten de voorbeelden te ontleenen. Denk alleen maar aan den dorschenden os, dien men niet muilbanden mag. Daar wordt het dier het exempel eener zedelijke wet, die Gods Kerk te betrachten heeft. En zoo ook is er geenerlei bezwaar op de vlucht van raaf of duif te wijzen als op voorbeelden, van belang in den levensstrijd van Gods kinderen, om ons te leeren in geestelijken zin. Doch verder mag het niet gaan, want ook hier geldt, dat aan de woorden dezer profetie niet mag worden af-of toegedaan. Dat allegorische uitleggingen niet wezenlijk uitleggingen zijn, blijkt vooral daaruit, dat zij steeds bewijzen met den loop van het Schriftwoord niet overeen te komen. De eerste duif toch vloog uit en kwam weder, want zij vond geen rust voor het hol van haar voet; de tweede duif kwam eerst tegen den avondtijd weder miet het afgebroken olijf blad in haar bek. Daaruit werd het aan Noach duidelijk, dat er verandering was gekomen in den stand der wateren, dat olijfboomen reeds gedeeltelijk boven de watervlakte uitstaken. Zoo brachten dus de vogels, met name de teedere duive, bericht aangaande de aarde onder den vloed. En nu toeft Noach nogmaals zeven dagen.
Zoo laat ons Gods Woord zien, met welk een geduld Noach wacht op de daden des Heeren. Hoewel in hem de begeerte leefde, dat de tijd van zijnen uitgang haast mocht komen, neemt hij toch rustig den tijd en wacht er zich voor op overhaaste wijze naar een doelwit te grijpen, voordat de Heere het als in zijne hand gegeven had. Ook daarin kan en mag hij ons een leerrijk voorbeeld zijn in den strijd des levens, in dien strijd ook onzer dagen. Wij zien geestelijke stroomingen, die een machtigen invloed soms oefenen, die een gevaar dreigen te worden voor onze samenleving. En dan worden andere bewegingen opgeroepen ter bestrijding. En hoe blijkt het dan maar al te zeer, dat de historische processen slechts langzaam, over vele geslachten heen, zich ontwikkelen. En dan schijnt het soms, als worstelen velen te vergeefs. Denk slechts aan ons kerkelijk leven, waarin het schijnt, als wordt er zoo ontzaglijk veel kracht verspild. Geslachten na geslachten worstelen en gaan heen zonder te zien, dat er iets wordt bereikt en het einddoel, zoo vurig nagestreefd, wordt benaderd. En dan blijkt het dat velen ongeduldig worden, den strijd opgeven, andere wegen gaan, waarin zij den vrede denken te vinden. Toch houdt God niet op te werken, staat de historische ontwikkeling niet stil, al blijft eerst aan latere geslachten de verwerkelijking te zien van wat nu nog onbereikbaar schijnt. Ten slotte geeft ook op dit gebied de Heere Zijne eere aan geen ander. En Gods kinderen zullen moeten leeren te wachten. Gods Heilige Geest moet hun geduld leeren om in Gods hand Gods werk te laten en het niet in onze handen over te nemen. Doch dit maakt den arbeid van Gods volk niet overbodig, hun trouw, hun gebed, hunne zielsworstelingen gaan daarom niet doelloos voorbij. Zooals de Heere de tranen telt, zoo merkt Hij op het einde. Nooit is in die levensworsteling iets zonder waarde. Zijne knechten maken zich op om te bouwen en God van den hemel doet het gelukken. Doch op Zijn tijd en soms op heel ongedachte wijze. Zijne gedachten zijn hooger dan die der menschen. Zijne wegen hooger dan die door de menschen werden ultgebakend. En Gods kinderen moeten dit leeren, zoodat zij het in des Heeren hand geven. Zoo Hij vertoeft, verbeidt Hem, Hij zal gewisselijk komen, dat is het levens-devies, waaronder zij strijden. De Heere Zelve waarborgt, dat de strijd zijner kinderen niet nutteloos is. Die waarlijk gelooven, haasten niet. Dat leert Noach's voorbeeld, want hij wacht nog zeven andere dagen, een volkomen tijdsbestek dus, een genoegzame tijd, waarin hij voorbereidt wat tot zijn verder onderzoek noodlg kan zijn. Maar hij doet geen nieuwe stappen, laat geen andere vogels uit, doet niets, dat onrust en ongeduld verraadt, doch blijft bij de eenmaal vastgestelde voornemens en toont alzoo eene heilige voorzichtigheid. Alzoo wachtte hij zeven andere dagen, eene week dus, waarin ook de sabbath was besloten, waarop hij de verheerlijking Gods in de werken van Zijn oordeel en genade beide gedacht. Deze zeven dagen waren dus geen dagen, die hij doorbracht buiten Gods gemeenschap, want de sabbath voerde alle andere dagen op hooger, geestelijk peil. Hij wachtte dus rustig eene spanne tijds en dan laat hij andermaal de duive uit. En van deze laatste staat nu geschreven : „Zij keerde niet weder tot hem". Daaruit blijkt in de eerste plaats, dat eene allegorische verklaring, die aan de vogels in het algemeen, aan de duif in het bijzonder eene andere beteekenis hecht, niet kan gaan. Deze duif toch keert niet weder, zooals de vorige. Dat was echter geen teeken, dat zij ondankbaar was geworden en minder edel was dan de andere. Doch zij keerde niet weder, opdat alzoo Noach zou te weten komen wat hij weten moest aangaande den stand der wateren en de toestanden op de aarde. Hij leerde er uit, dat de duif althans weder op de aarde kon leven en de haar in de ark geboden schuiling niet meer behoefde. Voor haar was er weer voedsel en een rustplaats voor het hol van haren voet. En daarom, zij keerde niet weder en vergewiste alzoo Noach van hetgeen hij noodig had te weten.
Zoo blijkt dus de duif in het verhaal niet anders te zijn dan de vogel, die inderdaad voor Noach de boodschapper was der waarheid, op kondschap uitgezonden tot Noach's voorlichting.
Door dit alles worden wij nu in het verhaal allengskens voorbereid op den uitgang der ark. De Schrift. Iaat ons zien, hoe hij, de man des geloofs, langzaam in groote zekerheid zijnen weg gaat, die tenslotte daarop uit moet komen, dat hij, die op Gods bevel in de ark zijne toevlucht nam, haar ook alleen op Gods bevel verlaten kan. Daarop bereidt ons het Schriftverhaal voor, wanneer het ons meedeeit, hoe in het zeshonderd en eerste jaar, op den eersten dag der eerste maand, de wateren bleken gedaald, zoodat de aardkorst weder bloot was geworden. Door het gedrag der vogels was Noach daarvan nu op de hoogte gebracht. En dus was de tijd gekomen om zich nog nader en nu met eigen oog te vergewissen aangaande de aarde.
Er is eene merkwaardige opklimming in de pogingen, die Noach deed om tot klaarheid te komen. Eerst opent hij schuchter het venster, laat dan vogel na vogel uit om te kunnen weten hetgeen hij weten moet. En in dit alles blijft Noach de wijze en voorzichtige, die geene de minste overhaasting toont, al is er in zijne ziel een angstig wachten op Gods bevel. Vogel na vogel laat hij uit, en wacht viermaal zeven dagen om dan het deksel af te wentelen en de frissche lucht een onbeperkten toegang te verleenen. De tijd van de afneming van het deksel der ark wordt alzoo zeer nauwkeurig aangegeven als nieuwjaarsdag van het zeshonderd en eerste jaar. Uit den aard der zaak is dit niet zonder bedoeling. Zoodra voor Noach alle gevaar is geweken, gevaar, dat niet slechts van boven, niet slechts van de uitwaassemingen der aarde, van storm en vloed en stroomen dreigde, dan wordt het dak der ark verwijderd. En dit geschiedde bij den ingang van het nieuwe jaar. God stempelt daardoor dit gebeuren tot een feit, dat in de herinnering moest bewaard blijven, want het wijdde als eene nieuwe periode der geschiedenis in, bij welker aanvang de wondere genadedaad der redding het onderpand worden kon van een nieuwe wereld, waarover klaarder nog dan in het paradijs, het licht van Gods ontferming opging. De geweldige vloed, het ontroerend oordeel, daarin voltrokken over die volstrekt verdorven wereld, verkondigde Gods recht, maar de verkiezende genade, aan Noach bewezen, gaf getuigenis van Zijne wondere ontferming. Als Noach het deksel afneemt van de ark, als de vrije lucht hem weder doet ademhalen met blijdschap en hij als opleeft na zoovele maanden van opsluiting, dan ontsluit zich daarmede op den nieuwjaarsdag eene nieuwe toekomst, die klaarder dan ooit te voren verschijnt in het teeken der vrijmachtige verkiezende genade, want in die komende menschheid, die uit Noach zal opkomen, zal de gouden draad der verbondsgenade getrokken worden door Noach's geslachten, die zal uitloopen in die geboorte van het volk, dat uit Abraham spruiten zal.
Het deksel neemt hij af, maar aan de deur, die de Heere eenmaal achter hem gesloten had, raakte hij niet. Daaraan zal hij de hand niet leggen, dan op Gods eigen gezag. Als de Heere hem bevel geeft, dan zal hij uitgaan. Doch tot zoolang beperkt hij zich tot het afnemen van het deksel, dat hij zelve eenmaal had gemaakt. Zoo vangt Noach dus zijn leven aan in eene nieuwe, andere wereld, aan den ingang van het jaar, in het diepe bewustzijn van zijne afhankelijkheid, in het diepe bewustzijn ook van de daad der reddende genade Gods. „Aller oogen wachten op U", zoo zegt de Psalmist van alle schepsel, dat uit Gods eigen hand leeft, en zoo wachtend op de goedertierenheden Gods, staart Noach in den geopenden hemel boven hem. Zijn gebed gaat op tot den Vader der lichten, van Wien alle goede gave en alle volmaakte gift nederdaalt en van Wien Noach ook nu in eene nieuwe wereld nieuwe wondere daden van genade biddend inwacht. De hemel boven hem is weder geopend, het licht en het leven, de hope en de liefde, het geloof en de vreugde over Gods heil, het stemt hem alles tot het bewustzijn van een vrede, die alle verstand te boven gaat. Op dezen nieuwjaarsdag ervaart de man Gods, dat al het oude is voorbijgegaan en alles nieuw geworden is, want hij schouwt de wereld van nu voortaan in den lichtglans dier wonderbare genade des Heeren, waaruit Gods Kerk de eeuwen door zal leven, zooals haar gepredikt wordt door dezen Noach, die verkondiger is van de gerechtigheid des geloofs.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's