BEKEERING VAN K. VAN GENNE
Ik was toen op een vroom gezelschap, waar ik met zooveel kracht en nadruk deze woorden op mijn hart kreeg : „Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die goede boodschap brengt, die vrede doet hooren, die tot Zion zegt, uw God is Koning", Jesaja 52 vers 7.
Ik was hieronder vol van de liefde Gods, zoodat ik niets hartelijker en vuriger verlangde als om maar ontbonden te worden, daar ik er op dien tijd ook niet het allerminst aan kon twijfelen, of mijn einde zou vrede zijn. Maar ik kreeg ditmaal niet, wat ik begeerde. Ik verlangde daarom zeer naar de eenzaamheid, want ik moest mij ontlasten. Dit was tot overloopens vol, zoodat al de deelen van ziel en lichaam er van doortrokken waren. Op dien tijd werd er niet veel van de liefde tot den Heere Jezus gesproken, hetwelk mij te meer naar de eenzaamheid deed verlangen, omdat ik dan gemeenzamer en vrijer met mijn hemelschen Bruidegom kon spreken.
Ik kwam dan op straat en ging voorbij een woning der zonde en der ijdelheid, waar men de zonde met ruime teugen indronk. Maar o, gel. vriend, mijn ziel werd hierdoor als met een priem doorstoken, nu moest ik zeggen : „Och, Heere, ik kan hier zoo niet langer op aarde leven ; och, neem mij tot U in den zaligen hemel".
ik kwam hierop in de kazerne en las in den brief van Paulus aan de Hebreen, en wel deze woorden : „Daar blijft dan een rust over voor het volk van God", waaronder ik zoó bedaard werd, dat ik mij in nederigheid en onderworpenheid aan mijn God overgaf, zonder uitbreiding. Ik begeerde Hem na te volgen door bezaaide en onbezaaide landen, onder beding van genade. De Heere wilde mij nog wat leeren in het strijdperk van dit leven, waarin ik nog in zooveel opzichten vreemd was. Ik meende, als ik Jezus' eigendom was, dat ik het dan te boven was. Maar toen heb ik bevonden dat de strijd eerst recht een aanvang nam. Van achteren heb ik datgene leeren kennen, wat ik nog maar m zijn beginsel bezien had. Wat was ik nog maar weinig bekend met mijn vuile bron en deszelfs opwelling. Ja, een klein beginsel wist ik ook nog maar van de weg van vrije genade en zoo alleen te zien op Jezus Christus en Dien gekruist , als het eenige redmiddel tot zaligheid. Wat had ik ook weinig de eer van God in het oog in al mijn doen en laten, wat was ik nog onverloochend. aan eigen zin en wil en lusten. Ik had maar mijn meeste vermakingen in de zalige uitlatingen, zoete vertroostingen, om maar van den Koning in de binnenkamer gebracht te worden, hetwelk mij ook veel en aanhoudend mocht gebeuren. De liefde van Christus was altijd als vloeiende en ik moest gedurig uitroepen met de Bruidkerk : „Mijn liefste is blank en rood. Hij draagt de banier boven duizenden". (Hoogl. 5 : 10). Ja, als ik naar den hemel zag, was het alsof mij de wolken de vreede toespraken, of, zag ik op de aarde, met de steenen was mijn verbond en het gedierte des velds was met mij bevredigd. (Job 5 : 23).
Ik mocht mij gedurig op den Heere Jezus leggen met uitgebreide geloofsarmen, als op dat geslachte Lam, dat al mijn zonde op Zich nam en mij gedurig die zalige vrijspraak met kracht op mijn hart bracht, zoodat ik deelen mocht in de vrede met God. Ja, ik werd somtijds door de liefde van Christus gedrongen, dat ik mij geheel aan Hem overgaf. Ja, al was het mijn leven, dacht ik. Ik kon zoo gelooven hoe de martelaren met vreugde naar brandstapels en moordschavotten zijn heengegaan, en juichten in het midden der vlammen. Ik was toen gedurig met mijn hart waar mijn schat was, en had vele en brandende 'begeerten om bij den Heere in te wonen, want van alles, wat hier op aarde was, was ik los. Ja, ik gevoelde menigmaal mijn ziel zoó gedrongen door de liefde van Christus, dat ik zeggen moest: Och Heere, maak mij een vroegen inwoner van Uw zalig Koninkrijk, uit vrees, dat ik weer in de wereld en in de zonde zou worden ingewikkeld. Maar o, wat is er van achteren al niet opgestaan, in dat booze hart. Ik had gemeend zoo voort te gaan van deugd tot deugd, en van kracht tot kracht. Zonder strijd dacht ik te overwinnen, daar toch de strijd nog niet, of ten minste weinig gekend werd. Het was maar: Eet, vrienden, wordt dronken" (Hoogl. 5 : 1). Ja, mijn lichaams-krachten werden zeer verminderd: voor de overgroote vertroostingen, zoodat ik menigmaal krank van liefde was, (Hoogl. 2 : 8), ja, tot stervens toe zooals ik meende. O, zalige uitlatingen van God, dit mag een vreugde bij uitnemendheid genoemd worden. Daar komt niets bij in aanmerking. De wereld kent of begeert het niet. Ja, ik moest zeggen : „Al .gaf mij iemand al het goed van de wereld voor deze liefde, ik zou het ten eenenmale verachten, (Hoogl. 8:7).
’t Gebeurde mij ook op een avond, die mij niet licht te vergeten is, dat ik naar een van mijn dierbaarste zielsvriendinnen ging, om daar te spreken van de groote werken Gods, waar ik toen zeer vol van was. Ik ging toen op straat, al opziende naar een heldere hemel, glinsterende maan en flikkerende sterren. Alles verkondigde mij des Heeren macht, wijsheid en liefde; ik was verheugd in mijn God, (Jes. 61 : 10). Toen ik bij mijn vriendin kwam spraken wij zoetelijk en hart vereenend, waarna wij zingende van elkander gingen. Mijn ziel was zeer opgetrokken. Toen ik nauwelijks buiten de straat .kwam, kwam. mij in 't hart, dat ik nog wel op een moordschavot mijn leven kon moeten eindigen, waarop ik zeer verblljdend antwoordde : „Als ik daartoe geroepen word, zal God mij daartoe ook Zijn genade geven". Ja, gel. vriend, nooit is het mij in woorden te brengen, wat ik toen aan mijn ziel mocht gevoelen. Het was, alsof ik al reeds in de hemel was opgetrokken. Ik dacht ook op die tijd niet anders, of ik zou op de weg zijn neergevallen, want mijn lichaam gevoelde ik niet meer. Maar dit week ook eenigszins weer, waarop mij zeer gevoelig op mijn gemoed kwam :
Schept moed en troost u onderwegen, Al schijnt gij nog zeer ver van huis. Het is zoover niet eens gelegen, Aan het eindje volgt de rust van 't kruis. Dan valt gij in een vollen zegen, Uit al dit wereldsche gedruisch. Door het bloed van Jezus, u verkregen. Uw Vader in Zijn armen thuis.
Hetwelk mijn hart zoó verheugde, dat ik in 't midden van de goddeloozen dit moest uitspreken door te zingen uit Psalm 89 het 7de vers :
Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort. Zij wand'len. Heer, in 't licht van 't godd'lijk aanschijn voort, enz.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's