VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD
Genesis 8 : 13b—17. Toen deed Noach het deksel der ark af en zag toe en ziet, de aardbodem was opgedroogd. En in de tweede maand, op den zeven en twintigsten dag der maand, was de aande opgedroogd. Toen sprak God tot Noach, zeggende : Ga uit de ark, gij en uwe huisvrouw en uwe zonen en de vrouwen uwer zonen met u. Al het gedierte, dat met u is, van alle vleesch, aan gevogelte en aan vee en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan; en dat zij overvloediglijk voortitelen op de aarde en vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen op de aarde.
5e Serie.
XII
De Heilige Geest Gods werkt in de zielen. Zijner kinderen een diepen eerbied voor het werk des Heeren, voor Zijn Woord en daden. Een karaktertrek van het ware volk Gods is, dat het voor Zijn Woord toeft. Dat is dan ook de oorzaak van de beginseltrouw, die het echte volk van de meeloopers onderscheidt. Als het er op aankomt, zien de laatsten er nooit tegenop een koopmanschap te maken van de geestelijke waarden en sluiten zij gemakkelijk een verbond met de kinderen dezer eeuw. Maar de Heilige Geest grift in de zielen van het echte volk een diep ontzag voor de waarheid van Gods gebod en Woord. Daarom raken zij ook niet lichtvaardig aan het werk des Heeren, worden zij daartegenover geleid met diep ontzag, zoodat zij teeder staan tegenover den eenvoudigsten en in de wereld soms verachten mensch, waarin God Zijn genadewerk openbaarde. Gods Heilige Geest leert geheel anders oordeelen dan de massa, die aanziet wat voor oogen is. Zij loopt mede met het klatergoud. der wereld, zooals Jeruzalem in de dagen van des Heeren geboorte. Er waren er maar enkelen, die oog hadden voor de wezenlijke heerlijkheid van het schamele Kindeke in de kribbe, met zijne armelijke moeder. Gods volk ziet alleen het wezenlijk heerlijke, en daarom, staat het met eerbied en ontzag tegenover al hetgeen, waarvoor de wereld slechts minachting kent. Het ziet Gods Koninkrijk en daarom de ijdelheid van hetgeen de wereld groot
waant.
Van dien eerbied voor Gods werk geeft hier nu ook Noach op eenvoudige, treffende wijze blijk. Toen Noach in de ark ging, bad hij met al hetgeen in de ark behoudenis vinden zou, onder de bijzondere leiding des Heeren gestaan. Het werd ons al geteekend als een werk, dat Noach deed op Gods gezag. Gelijk als hem God bevolen bad, alzoo deed hij. In het teeken dezer gehoorzaamheid stond zijn ingang in de ark. En ten laatste, als alles ingebracht is, dan sluit de Heere achter hem toe. Door een wonderdaad van Gods genade Wordt de ark gesloten. En nu is het merkwaardig, als de ark zich heeft vastgezet, als de vloed bezig is te ver-ebben, als Noach zich, door zijn inzicht geleld, vergewist aangaande den toestand op de aarde en het hem duidelijk is geworden, dat er aan een uitgang eindelijk kan worden gedacht, daar raaf en duif hem leerden, dat de wateren. gedroogd waren van boven de aarde, dan doet Noach het omgekeerde van hetgeen wij zouden verwachten. Verwachten zouden wij, dat in zulk een geval, bij .allereerst zijn aandacht had gewijd aan de deur, waardoor hij ingebracht was en die de Heere op wonderlijke wijze gesloten had. Dat zou natuurlijk geweest zijn. En toch, dat natuurlijke, voor de hand liggende, doet hij niet. Integendeel, instede van om te zien naar de deur, deed hij het deksel van de ark af. Aan de door God ingesloten deur strekt hij zijne band niet uit, maar hij lichtte het deksel af en begon alzoo met de afbraak van de ark, die hij gebouwd had en welker samenstelling hem dus volkomen bekend was. Maar aan de opening, die de Heere gesloten had op wondere wijze, raakte hij niet, omdat hij er zich van bewust was, dat Gods werk door den mensch niet kan worden uitgevonden, noch ook mag worden aangetast. Daarom, hij licht het deksel af en zag toe. Het dus zijn oog van boven uit de ark weiden over de aarde. De Schrift verhaalt het ons op een wijze, die de verwondering teekent, die Noach vervulde bij den eersten aanblik van het schouwspel, dat zich daar voor zijn oog ontrolde. „Hij zag toe", zoo zegt zij, als om ons af te malen, hoe hij een oogenblik als verrast en ontroerd stil stond, toen hij voor het eerst na den vloed weder de aarde aanschouwde. Het was een schoon tafereel, dat zich voor hem ontvouwde, te schooner, te aangrijpender, nadat hij zoo langen tijd in de ark der behoudenis had doorgebracht. Nu had zij haar werk gedaan, de redding had zij geboden, maar nu wachtte ook voor Noach eene nieuwe levenstaak op eene aarde, die wel niet nieuw was geworden, maar die van de oude wereld met haar anti-goddelijk streven was bevrijd. Het recht Gods was aan haar voltrokken. Hare menschheid was ondergegaan in vloek en dood onder de oordeelen Gods. En zoo was de aarde, hoewel dezelfde aarde, gereinigd, ook al bleef haar na dit al eene menschheid, die dezelfde kiemen in zich droeg, die de oude wereld had verdorven.
Toen het deksel was afgelicht, zag Noach toe, en de aarde lag daar na den vloed voor hem, zich badende in den lichtglans van de zon. In al hare schoonheid verkondigde zij de eere Gods, de heerlijkheid van den Schepper, die tevens baar Rechter is. Niets ontdekte bij van hetgeen de oude wereld eenmaal geweest was en waaraan hij die herinnering mededroeg. Van haar glorie, van hare werken, van haar cultuur, van al waarop zij zich verhief en misschien verheffen kon, was geen spoor meer te ontdekken, gebleven was alleen de majesteit van Hem, die als de eeuwige Schepper van de einden der aarde, ook de eeuwige Bouwmeester is, zooals de profeet Hem aangebouwde op den muur, die naar het paslood gemaakt was en in Wiens hand een paslood was. Aangrijpend en schoon was de eerste aanblik, door de aarde geboden, na den vloed. En Noach stond als ontroerd, geboeid door hare schoonheid. Hij zag toe, en daaruit blijkt, hoe hij eene pooze stille stond, terwijl de gedachten zijns harten zich vermenigvuldigden. „En ziet, die aardbodem was gedroogd". De wateren waren weggevloeid. De Heere had ze wederom besloten in de afgronden der zeeën, teruggebracht binnen de palen, die Hij hun had gezet. Zij hadden Zijn werk gedaan, Zijn recht voltrokken. Zijn oordeel volbracht. In het raadsplan Gods heeft ook de zondvloed zijne functie. Ook de zondvloed was moment in de scheppende daad, die de profeet aldus beschreef: „Ik schep een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde". Ook de zondvloed is in dat scheppingsproces een schrede op den weg, die naar het einde leiden zal. Om dat einde te verwerkelijken was ook de zondvloed noodig en om Gods Kerk eene nieuwe toekomst te bereiden, was ook de redding noodig van den éénen uitverkorene Gods, opdat alle toekomende geslachten in Noach het exempel zouden zien, dat leert, hoe de verkiezende genade Gods zich ontfermt diens Hij wil en alzoo zouden komen tot de verlossingen des Heeren.
Zoo aanschouwde dus Noach van boven uit de ark, hoe de wateren van den vloed waren verdwenen. Voor zijne oogen lag daar de droog geworden aarde. De oppervlakte der aarde was weder zichtbaar. Zij lag daar als een braakland voor hem, dat hem als het ware uitnoodigde tot eenen nieuwen levensaanvang, tot nieuwen arbeid, tot een nieuwen strijd om cultureelen wasdom, naar het oorspronkelijk Godsbestel, dat den mensch geroepen heeft tot onderwerping der aarde, tot eene heerschappij-voering over haar. Aldus ontsloot zich eene nieuwe phase in de geschiedenis der menschheid, die Noach als profetisch voor hem en voor zijne geslachten zag ontsloten.
Het ligt voor de hand, dat er nu eene pauze intreedt in het verhaal en er behoefte ontstaat ons opnieuw te oriënteeren met betrekking tot het tijdsverloop. De geschiedenis beeft tijdstapeling noodig. Zonder deze kan zij niet bestaan. En daarom, is dan ook in de geschiedenis de tijdrekenkunde een onderdeel, dat voor wetenschappelijke geschiedbeschrijving onmisbaar moet geacht. Dus brengt ook hier de gewijde Schrijver eene tijdsbepaling in, die ons aangeeft op welk tijdstip de nieuwe wereldorde na den zondvloed ingetreden is. Daarvan zegt de Schrift: En in de tweede maand, op den zeven en twintigsten dag der maand, was de aarde opgedroogd.
Het is merkwaardig dat Noach, nadat hij de eerste maal de duif heeft uitgelaten, zeven dagen wacht en dan wederom eene duive uitlaat. En dan wacht hij nogmaals zeven dagen en laat wederom, eene duive uit. Zoo zijn er dus driemaal zeven dagen, drie weken, noodig om Noach in te lichten over de droogwording der aarde en is het de bedoeling der Schrift ons te doen verstaan, dat Noach de vogels uitliet op een sabbathdag. Zoo laat de Heilige Geest ons de bevrijde aarde zien in hetzelfde licht, waarin de gansche schepping ons wordt voorgesteld. Het scheppingsverhaal kan alleen worden verstaan in het licht van den sabbath. God heiligt den zevenden dag, omdat Hij op denzelven gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen heeft om te volmaken. Zoo wordt de schepping bestemd tot Gods eere en heerlijkheid, zal al wat adem heeft den Heere loven. De sabbath is er, opdat Hem. die eere door zijn volk zal worden gebracht, dat de mond der schepping zijn zal, die des Heeren lof verkondigt. En zoo wordt nu ook de door den zondvloed overweldigde aarde droog en wordt zij voor Noach's oog ontsloten eveneens op een sabbathdag, als om ook deze gereinigde aarde opnieuw aan hare wezenlijke roeping te herinneren, haar Godverheerlijkend einddoel voor den geest te stellen der toekomende geslachten. Een nieuw tijdvak vangt aan in de geschiedenis der aarde, maar ook zal zij voor het bewustzijn van Gods Kerk staan als niet den mensch, maar den Heere gewijd. Zooals de eerste wereld haar historische ontwikkelingsgang begint in het licht van den eeuwigen sabbath, zoo vangt ook de tweede wereldperiode aan in dat licht, opdat Gods volk zijne roeping zal beseffen haar te heiligen in den dienst des Heeren zelf. En Noach heeft van die hooge, heilige toestemming geweten. Hij had er open oogen voor, toen nadat het deksel was opgelicht, de aarde in hare heerlijkheid zich voor hem ontplooide. Het was een sabbathdag, dien hij kende, vierde, gedacht, zooals Gods Kerk de eeuwen door dien heeft gevierd en gedacht door zichzelf alsdan neder te leggen voor des Heeren troon, of het Hem behagen moge met Zijnen Heiligen Geest te werken in haar hart, opdat zij al de dagen des levens van hare booze werken viere, om den eeuwigen sabbath in dit leven aan te vangen.
Alzoo legde Noach zichzelven, de zijnen, gansch den inhoud van de ark der redding, met de gansche aarde daar voor hem, en alle toekomende geslachten voor des Heeren heilig aangezicht op dezen sabbathdag als een teeken, dat hij zich bewust was van de roeping der menschheid om Gode Zijne eere te geven en de gansche aarde en alle geslachten te binden aan Zijne heilige ordinantiën, opdat de dag aanbreken zal, waarin de tweede wereldperiode eindigt in de derde, waarvan de apostel Petrus profeteert: „Maar de hemelen, die nu zijn en de aarde, zijn door hetzelfde Woord als een schat weggelegd en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels en der verderving der goddelooze menschen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's