MEDITATIE
OEFENING TOT GODZALIGHEID
»....en oefen uzelf tot godzaligheid. Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens«.
Het Grieksche volk in de oudheid is in vrijwel alle opzichten een uiterst merkwaardig volk geweest. Ontelbare wijzen zijn er uit voortgekomen. Echter, zij oefenden niet alleen den geest, doch ook het lichaam, daar zij meenden, dat een gezond lichaam de onontbeerlijke voorwaarde is voor een gezonden geest. Daarom trachtten zij hun lichamen gezond en krachtig en lenig te maken. Van overheidswege werden terreinen en gebouwen ingericht voor de „lichamelijke oefening" : worstelkampen, wedrennen en allerlei soort van spelen. En van tijd tot tijd werd in wedstrijden gestreden om. de eer van den uitgeloofden prijs, die bestand in den zoogenaamden lauwerkrans, waarmede de overwinnaar zich de slapen tooide.
De menschen, die aan zulke wedstrijden deelnamen, of (zooals dat vaak werd genoemd) in de loopbaan liepen, hebben de overwinning op zoó hooge waarde geschat, dat zij al het mogelijke deden om den prijs te behalen. Langen tijd van te voren oefenden zij reeds hun lichaam. Zij verzorgden het op uiterst nauwkeurige wijze en poogden hun kracht en behendigheid en uithoudingsvermogen tot den hoogsten graad op te voeren. Ook onthielden zij zich zorgvuldig van alles, wat aan dit uithoudingsvermogen schade zou kunnen toebrengen. Zoo werden zij de toonbeelden der meest gestrenge volharding en zelftucht.
De apostel Paulus, die zoo vaak en zoo lang juist in Grieksche streken heeft gepredikt, was met deze dingen zeer goed bekend. Op meer dan één plaats in zijn Zendbrieven noemt hij deze lichaamsoefeningen tot een voorbeeld, ja, tot een beschamend voorbeeld, voor de gemeente van Christus. Wanneer er menschen zijn die om aardsche eer en voor een vergankelijke krans zooveel in 't werk stellen, hoeveel te meer reden is er dan niet voor menschen, die uit genade een hemelsche, onvergankelijke kroon mogen verwachten, om in het worstelperk des geloofs hart en zinnen over te geven aan de gedachte dezer toekomst en zich te oefenen in godzaligheid !
In het bovengenoemd Schriftwoord stelt Paulus twee dingen tegenover elkander, namelijk de lichamelijke oefening èn de godzaligheid, die ook een oefening wordt genoemd. »Oefen uzelf tot godzaligheid*.
Daarmede is dus al dadelijk iets gezegd, waarop wij wel goed mogen letten. Zoo gemakkelijk wordt soms gedacht, dat iemand, die de godzaligheid bezit, zulk een rustig en gelukkig mensch is. Aan de eene zijde is dit ongetwijfeld waar. Met het oog op de vergeving der zonde en op het nieuwe hart, door God hem geschonken, en met het oog op de eeuwige heerlijkheid, waarin hij zeker zal ingaan, is hij een gelukkig mensch. En voorzoover zijn geloof levend is, is hij ook een rustig mensch. D.w.z. voorzoover de Heilige Geest in zijn hart krachtig werkt en hem doet weten de dingen, die hem van God geschonken zijn.
Maar dat geluk en die rust zijn toch maar één zijde van het leven van een mensch, die God heeft leeren kennen. Want als wij dit deelachtig zijn, dan zijn wij onderdanen geworden van een nieuwen meester, namelijk van den Koning der Koningen en Heere der Heeren. En dus moeten wij ook leeren leven naar de wetten van Zijn Koninkrijk, die geheel anders zijn dan de wetten van den Vorst der duisternis, onder wiens heerschappij wij tevoren leefden.
Dat beteekent een inwendige strijd. Zelfs een harde strijd. Als het goed met ons is, zullen wij eigenlijk uit eigen ervaring moeten weten dat het een strijd is op leven en dood. De Heere Jezus Christus noemt in Matth. 16 vers 24 het volgen van Hem: het kruis opnemen, dat is : den kruispaal dragen, om. daaraan alles, wat niet uit Hem is, te dooden.
De Catechismus onderscheidt in de ware bekeering twee stukken : de afsterving van den ouden .mensch en de opstanding van den nieuwen mensch. Maar laat ons nooit meenen, dat deze afsterving met een onopgemerkt wegkwijnen gelijk staat. Zoo gemakkelijk laat de satan zich het terrein niet afwinnen.
Het „Oefen uzelf tot godzaligheid" stelt ons voor oogen den ijver, de belangstelling, de liefde, de volharding van die Grieksche menschen, die om prijs streden in de loopbaan. Er moest iets worden overwonnen. Er was tegenstand. Als het lichaam moest voorden bedwongen en tot dienstbaarheid worden gebracht, dan moest de zwakheid des lichaams worden versterkt. De grofheid moest worden verfijnd, de traagheid versneld. Kortom : alle gebreken moesten verbeterd worden en de goede aanleg worden ontwikkeld. En welk een toewijding bij dit alles, terwijl het toch was om geen hooger goed, dan een lauwerkrans om. de jeugdige haren ! Een onbestendig eerbewijs, want de haren van de winnaars gingen grijzen en de krans was dan reeds lang vergeeld en vergeten.
Daarom zegt Rauhs in den tekst: „Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut". Het nut daarvan is weinig, omdat het voorbij gaat. De sport kan nuttig zijn, maar dan voor een bepaalden leeftijd en in bepaalde omstandigheden. Zij mag een middel zijn, waardoor men vaardiger wordt voor den arbeid, waartoe God ons riep. Maar het middel mag niet doel worden. Wij mogen daaraan nooit den tijd en den ijver wijden die aan onze levenstaak eigenlijk toekomt! Sommigen zijn in hun gewone werk lauw en traag, de rechte lust en volharding ontbreken. Maar op het sportterrein lijken zij wel andere menschen. Dan kan het goed en noodig zijn om eens aan Paulus' woord te herinneren, dat de lichamelijke oefening tot weinig nut is. Als wij een mensch, op welk terrein dan ook, zijn alleruiterste kracht zien inspannen om een kleinigheid te verwerven, dan vragen wij onwillekeurig naar den stand van zijn geestvermogens.
Paulus haalt dit echter alleen aan, om ons iets eruit te doen leeren. Het is, zooals hij het schrijft in I Korinthe 9 vers 25 : „Dezen dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke". Er is voor Gods kinderen op aarde waarlijk wel reden voor den oefenstrijd tot de godzaligheid. Want de godzaligheid, dat is de wandel in de vreeze Gods, is wel degelijk tot iets nut. Het nut daarvan gaat niet voorbij : „De godzaligheld heeft de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens".
Dat de godzaligheid de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens in eigendom heeft, is haar welgefundeerd bezit. De Heere Jezus Christus Zelf heeft gezegd : „Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al déze dingen (d.w.z. de noodige dingen der aarde) zullen u toegeworpen worden", Matth. 6 vers 33.
De mensch van nature keert dit gaarne om. De belofte des tegenwoordigen levens verbindt hij in de practijk aan zijn arbeidskracht of bekwaamheid of gewiekstheid en juist wanneer men den onbekeerden mensch „in de practijk" aantreft, dus op de straat, in zijn werk, op zijn kantoor, of waar dan ook, dan blijkt de godzaligheld of de wandel in de vreeze Gods zoo vaak een zeer verborgen bijzaak te zijn.
En ook de belofte des toekomenden levens verbindt de mensch van nature liever niet aan den wandel eener oprechte vroomheid. Gewoonlijk wordt de wensch de vader der gedachte, dat men in zekeren zin in de wereld kan opgaan en toch in het hart de hoop kan meedragen, dat hier het einde nog wel goed kan zijn, ook al heeft men „er niet naar geleefd".
Tegenover dit alles spreekt Paulus een klaar woord. Niemand kan rusten op de belofte van het tegenwoordige en van het toekomende leven, wanneer niet de handel en wandel de blijken toonen van godzaligheid. In tijden van rust voor lichaam en ziel groeit bij onbekeerden het onkruid van ongegrond vertrouwen tot weelderige hoogten op. Maar ook hier wordt eens iegelijks werk door het vuur beproefd. Het leven kent genoeg stormvlagen, die ons schip van deze al te lichte ankers losslaan. En het sterven zal het zeker duidelijk maken — zooals niet voor de omstanders dan toch voor den stervende zelf, dat er buiten Jezus geen leven is, maar een eeuwig zielsverderf.
De godzaligheid bezit ze echter beide : de belofte des tegenwoordigen levens en de belofte des toekomenden levens. Dat bezit is geschonken. Het is een genadegift. Want de godzaligheid, dat is dus de wandel in de heiligmaking uit de weeze Gods, is niet de Verdienende oorzaak van deze beloften. Christus alleen heeft voor Zijn volk alles verworven. En „-zoo vele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem (Christus) ja en zijn in Hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons", II Korinthe 1 vers 20.
Maar wel is het de weg der godzaligiheid, waarop aan Gods kinderen de zekerheid van deze beloften geschonken wordt. Ja, het is juist de weg der godzaligheid, waarop Gods kind alle machten leert afzweren, waarvan hij zijn tijdelijk en eeuwig hen verwachtte, om zich alleen toe te vertrouwen aan den Zaligmaker. Het is ook de weg der godzaligheid, waarop Gods kind den strijd moet leeren aanbinden tegen alles, wat aan dit geloofsvertrouwen vijandig is.
Dit is nooit korter en duidelijker samen te vatten, dan zooals de Catechismus het doet, als hij zegt, dat „onze doodsvijaniden = de duivel, de wereld en ons eigen vleesch, niet ophouden ons aan te vechten". (Antw. 127). In deze drie trokken is klaar geteekend wat ons van nature overheerscht. En tevens wat na vernieuwing des harten ons tot doodsvijanden wordt. Daarin is wel de geweldige verandering te zien, die er door bekeering plaats vindt.
Er is strijd gekomen. Allereerst en allermeest een strijd van binnen. Zeker, wie voor God den Heere leeft, ontmoet ook strijd van buiten. In II Timotheüs 3 vers 12 lezen wij : „En ook allen, die godzalig willen leven in Christus, die zullen vervolgd worden". Maar dit is niet het voornaamste van den strijd. Het voornaamste daarvan wordt gestreden en doorstreden in het diepste van het hart. Van nature is ons hart een hof van den satan, die dat als een sterkgewapende bewaart. In dien hof blijft het wel rustig, zoolang daar niet binnendringt Een, die sterker is dan hij. Onbekendheid met den geestelijken strijd des harten is daarom het meest zekere bewijs, dat wij nog gewillige onderdanen van den satan zijn. Wie echter door de genade der wedergeboorte het leven, dat uit God is, ontvangen heeft, kent dezen strijd van meet af aan. En hij ondervindt, dat de overwinning in Christus vast is. Want de godzaligheid is tot alle dingen nut.
»Oefen uzelf tot godzaligheid*. Wij moeten tot deze woorden terugkeeren. Want dat de godzaligheid de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens heeft, dat staat wel duidelijk in Gods Woord geschreven, maar het is niet altijd even duidelijk te lezen in het levens-boek der geloovigen.
De oorzaak daarvan ligt ontegenzeggelijk in het gebrek aan deze oefening. Als de Grieken zich oefenden, dan bestreden zij de zwakheid en de grofheid en de traagheid van hun lichamen. Maar in het leven der geloovigen is de vermaning vaak onmisbaar, om zich aan het voorbeeld der Grieken te spiegelen.
Er zijn menschen geweest, die de oefening tot godsaligheid in uitwendige dingen zochten. Paulus kende hen ook en spreekt van hen in het 3de vers van 't teksthoofdstuk. Wij kunnen ook denken aan de dwaling van het monnikenwezen in de Roomsche Kerk. Men meende de wereld te ontvluchten in de eenzaamheid: en de verleiding tot zonde te bestrijden door lichaamskastijding. Men vindt er „lichamelijke oefening" als waken en vasten en bidden. Uit 't leven van een Luther werd vooral duidelijk, hoe onnut en onbijbelsch en verwerpelijk dit is.
Neen, de „oefening tot godzaligheid" is niet een vleeschelijke, doch een geestelijke arbeid. Te verrichten met de geestelijke middelen van Gods Woord en het gebed. Gods Woord, door den Heiligen Geest voor ons zielsoog gesteld, leert ons scherp zien, wat door de oefening moet worden overwonnen en wijst ons de bron van alle kracht en volharding aan in den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus. Het gebed, dat Hem zoekt, wordt het instrument om niet de gedaante der godzaligheid, maar de kracht der godzaligheid te ontvangen. En het oog, dat Christus den Heere aanschouwt, zal zich verblijden in de heerlijkheid van strijd en overwinning beide.
Hierden
C. v. Dop
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's