KERKELIJKE RONDSCHOUW
KOHLBRUGGE zijn levensgeschiedenis
IX
Bij Kohlbrugge kwam een nieuw leerpunt in zijn leven. Hij begon zich meer thuis te voelen in de belijdenis van Calvijn en werd een aanhanger van de Gereformeerde leer. Hoe kwam dat ? „Nadat het Gode behaagd had, tot troost na mijn afzetting en daarop gevolgde beproevingen, mij de profetien te leeren verstaan, werd het mij al duidelijker, wat de apostel Paulus bedoelt met Rom. 9 vers 10 en 11. [„En niet alleen deze, maar ook Rebecca is daarvan een bewijs: dat zij uit éénen bevrucht was, n.l. Izaak, onzen vader. Want ais de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den roepende"]". Hij was door zijn bekeering en wat er mee samenhing, meer en meer bekend geworden met de heerlijkheid Gods tegenover den verloren zondaar, waarin hij door het onderzoek van de boeken van Jesaja, Jeremia en Ezechiël geweldig versterkt was. En door het bestudeeren van de Patres en de uitleggers der Schrift vond hij, dat de souvereiniteit Gods en Zijn vrijmachtige genade in de verkiezing van een arm zondaarsvolk nergens zóó nadrukkelijk geleerd werd en zóó de hoofdgedachte was van alle nadenken der goddelijke dingen, dan bij de leeraars der Gereformeerde Kerk. Waar anders had men zóó zeer de vrijmacht Gods, de vrijmacht van Zijn erbarmen, op den voorgrond geschoven, om Zijn absolute en ieder menschelijk begrip te boven gaande grootheid, theoretisch en practisch, te leeren dan daar ? Hing niet hiermee de leer van de eeuwige uitverkiezing samen, zooals hij ze bij Calvijn vond ? Dat alles kon voor Kohlbrugge niet onverschillig zijn en hij voelde zich dan ook hoe langer hoe meer verwant met de leeraars van juist déze Kerk.
Hierbij kwam nog iets anders. Zijn kijk op de geschiedenis van land en volk en Kerk, achtgevende op de wondere leidingen Gods met Nederland. Had zijn grootmoeder hem tevergeefs zoo dikwijls gesproken van het drievoudig snoer : Kerk, Nederland en Oranje, als zij samen zaten voor de blauw-witte tegels van de Oude haard en zij hem vertelde „wat er was geschied" ? En moest niet het hart van een man, die zich gaarne verdiepte in het historieboek en de Vaderlandsche geschiedenis bestudeerde, door dien geest der Calvinisten ontstoken worden, die het Nederlandsche volk in den strijd voor geloof en vrijheid hadden geleid en gesterkt, waardoor het worstelende Nederlandsche volk een zoo geheel eenige plaats in de geschiedenis der natiën heeft verdragen ? Wat eens de groote Oranje, Willem de Zwijger, trok tot het strijdbare Calvinisme, dat zijn kracht putte uit de onvoorwaardelijke overgave aan Gods eer — kon het zonder uitwerking blijven op Kohlbrugge, wanneer hij de geschiedenis der eeuwen nadacht ? De leerlingen van Calvijn hadden goed en bloed onverschrokken veil gehad voor vrijheid en recht en geloof. De leerlingen van Calvijn hadden met verstand en moed en geloof den opstand uitgezet en gevoed, die leidde tot onafhankelijkheid en tot de geheel eenige bloei van Holland ! De leerlingen van Calvijn hadden hun harde weerstand gesteld tegenover de eerste opkomende, gevaarlijke, aanrollende golf van het Liberalisme, het zoogenaamde Arminianisme of Remonstrantisme. En was dat niet in den grond der zaak dezelfde vijandelijke en Godonteerende macht, waartegen Kohlbrugge zich verzet had en daarbij zijn gansche levensbestaan op het spel had gezet ? Was het wonder, dat hij hier verwante geesten opmerkte en dat alles voor hem van belang werd, wat met Calvijn, wat ook met de beroemde Synode van Dordt samenhing, welke Kerkelijke Vergadering de Gereformeerde leer in de Nederlanden vastlegde tegenover de twijfelende critici en felle bestrijders ?
Hier zien we dan ook den overgang van Kohlbrugge naar Calvijn zich voltrekken. Niet dat Kohlbrugge zijn leermeester Maarten Luther ontrouw werd, aan wiens persoon en werk hij meer dan aan alle anderen zijn inizichten dankte. Altijd weer legt hij er de nadruk op, dat hij veel meer van Luther dan van Calvijn gelezen heeft. Maar de Geneefsche reformator met zijn heldere exegese of Schriftuitlegging, hield hem geweldig vast. Bovendien greep hij gaarne naar de werken van Caspar Olevianus, die met zijn Heideibergschen Catechismus een der voornaamste leeraars der Evangelische Christenheid is geworden.
Doch in den grond der zaak was het de Heilige Schrift zelf, die deze ommekeer in het geestelijk leven en theologisch denken van Kohlbrugge voltrokken heeft. Vanuit de Profeten ontstaan zich voor hem de veelszins zoo ontoegankelijke afgronden en nauwe doorgangen der waarheid, waarbij zoovele leeraars en uitleggers moeite hebben. Het licht begon meer en meer door te dringen en in dat licht zag hij het licht! De zoo moeilijke en zware hoofdstukken van den Romeinenbrief (9—11) ontsloten zich in heerlijkheid. En waar hij zich tot een dieper verstaan er van bediende van de verklaring en uitlegging der Reforrmatoren, eigende hij zich nu bijzonder die gedachten toe, die de Gereformeerde uitleggers geput hadden uit deze diepten der Godskennis, en die waren neergelegd, uiteengezet en verdedigd in de Belijdenisschriften der Gereformeerde Kerk. En hier noemt Kohlbrugge zelf dan altijd weer de leer van de praedestinatie en der vrije genade, in welke hij zich zeer sterk met de Gereformeerden verwant voelde.
’t Is dus niet zoozeer een verandering van zijn geestelijke overtuiging, maar veel meer een verdieping van zijn geloof en inzichten. Dieper mocht hij ingeleid worden in de heilgeheimen Gods. En alles komt voort uit de scherpe, ernstige, allesbeheerschende vragen en de scherpe, ernstige tegenstellingen die Kohlbrugge voelde en zag. „Daar boven, in den hemel, in den Heere, is de genade, de gerechtigheid en het leven; — maar wat is er hier op aarde een geweldige macht van zonde en dood en duisternis ! Wat is nu waar ? Wiens is de heerschappij ? Heerscht de genade werkelijk door gerechtigheid in het eeuwige leven ? Is Christus waarachtig opgestaan, is de Geest er, door welken wij een vrijmoedigen toegang hebben — óf houden duivel, dood en zonde hun vreeselijke heerschappij en geweld ? Waar blijft de Wet ? Is God werkelijk In Zijn recht ? Geschiedt in waarheid Zijn heilige wil ? Is in den hemel alles zóó in orde gemaakt, dat niets meer scheiding kan maken tusschen den heiligen God en een mensch, die louter ongerechtigheid is ?
Met deze groote, fundamenteele levensvragen bezig zijnde, welke tenslotte de levensvragen aller geloovigen zijn, moest Kohlbrugge wel In aanraking komen met Augustlnius en Pelagius, Luther en Erasmus, Calvijn en Pighlus, Gomarus en Arminlus, waarbij hij zich het meest leerde aansluiten bij de Gereformeerde belijdenis.
Daarbij viel zijn innerlijke levensgang op merkwaardige wijze samen met zijn uiterlijke lotgevallen. Met de oude gemeente, waarin hij van zijn jeugd af thuis hoorde", verbond hem nu niets meer. Zijn vader was gestorven, zijn moeder behoorde tot de Hervormde Kerk, de nieuwe vrienden toehoorden ook bijna allen tot de Kerk. Walt zou hem verhinderen om daar, waar hij innerlijk reeds mee verwant was, ook zijn kerkelijke gemeenschap te zoeken ?
Het schijnt echter, dat in de Hersteld Luthersche Gemeente een zekere verandering, een bezinning plaats vond en dat erkend werd, dat men te ver gegaan was. Men toonde neiging om Kohlbrugge tegemoet te komen en hem weer een plaats als hulpprediker aan te bieden. Maar Kohlbrugge achtte als „eerlijk man" een dergelijke plaats onder de gegeven omstandigheden geheel onmogelijk ; hij wist: hier was het tafellaken ééns voor al doorgesneden en een terugkeer tot de oude verhouding uitgesloten. (KLugkist Hesse : H. Fr. Kohlbrugge, Madz. 93—96). (Wordt voortgezet).
CALVIJN EN DE SACRAMENTEN (3) De Kinderdoop
Ten opzichte van den kinderdoop zijn de bezwaren vele. Alle secten verwerpen den Doop aan de kleinen. De Doopsgezinden zeggen, dat we ons te houden hebben aan de woorden der Heilige Schrift: gaat henen, predikt het Evangelie allen creaturen, en die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden. De Doop moet dan volgen op de belijdenis des geloofs en kan alleen aan volwassenen worden toegediend. Op het Zendingsterrein handelt men dan ook naar dezen regel; niemand begint daar met de kinderen te doopen. Maar men negeert de beteekenis en vergeet de voorrechten van het verbond, als men in het midden van de Christelljke Kerk de kinderen van geloovige en belijdende leden der gemeente niet zou willen doopen. De kinderen van geloovige ouders hooren er óók bij krachtens Gods belofte : „Ik wil u tot een God zijn en de God van uw zaad" (Genesis 17). Of zooals Petrus zegt: „want u komt de belofte toe en aan uwe kinderen". (Hand. 2).
Nu moet men niet zeggen (aldus Calvijn, IV, 16, 1) dat de kinderdoop niet gegrond is in eenige goddelijke Instelling, maar alleen door de vermetelheid der menschen en uit verkeerde nieuwsgierigheid is ingevoerd en daarna door een dwaze lichtvaardigheid als gebruik is aangenomen. Want de kinderdoop steunt op Gods belofte en het zou lichtvaardigheid en vermetelheid van de Kerk zijn, als zij weigerde den doop aan de kleine kinderen der geloovigen toe te dienen. God heeft onder het Oude Verbond de besnijdenis juist voor de kinderen gegeven, omdat de belofte aan Abraham èn zijn zaad werd gegeven. Waarom zullen wij onder het zooveel rijkere Nieuwe Verbond niet hetzelfde zeggen van den Doop, welke God ons in de plaats van de besnijdenis gaf ? Bij Doop en besnijdenis Is Christus het fundament, en de 'belofte is één, n.l. de belofte van de Vaderlijke gunste Gods, de vergeving der zonden en het eeuwige leven. Bij beiden, besnijdenis (uittrekken van den onrelnen mensch) en Doop (bad der wedergeboorte) wordt één en dezelfde zaak afgebeeld : de vernieuwing des menschen.
De kinderen der Joden waren erfgenaam van het Verbond Gods en werden daarom heilig zaad genoemd, ter onderscheiding van de kinderen der goddeloozen (Genesis 17 vers 12). Op dezeifde wijze worden de kinderen der Christenen voor heilig gehouden. Zij worden onderscheiden van het onreine zaad der afgodendienaars (1 Cor. 7 vers 14). De Heiland berispte de discipelen, die tusschen hen en Hem gingen staan en hen wilden verhinderen tot Hem te 'komen. Hij zei, dat ook zij behoorden tot het Koninkrijk Gods. (Matth. 19 vers 13).
Vraagt men : wat heeft de Doop nu gemeen met deze omhelzing door Christus ? Wij antwoorden, dat de Doop ons tot Christus: leidt. Indien het Koninkrijk der Hemelen hun dan toebehoort, waarom zal hun het teeken geweigerd worden ? En nu moet men er niet van maken, dat de Heiland hier menschen bedoelt, die als de kinderen zijn ; want uit de eigen woorden der Schrift is duidelijk, dat het hier gaat om de kinderen, die tot Hem gebracht worden. „Derzulken" is het Koninkrijk Gods; hier wordt bedoeld de werkelijke kinderleeftijd. (IV, 16, 7).
Nu lezen we nergens, dat een kind door de hand der Apostelen werd gedoopt. Maar zoo dikwijls wy lezen, dat een huisgezln gedoopt werd, zyn de kinderen toch niet uitgesloten ? (Hand. 16 vers 15 en 32). Wanneer men op deze wijze door redeneerde, zou men er toe komen om b.v. de vrouwen van het Avondmaal af te houden, want wij lezen nergens, dat zij daar toegelaten werden. Maar in de Gemeente van Christus behooren zij er bij, als 't gaat om aan te zitten aan den Disch des Verbonds !
Welke is nu de vrucht van dezen Doop, zoowel voor de ouders als voor de kinderen ? De vrucht is deze, dat ons geloof met een uitnemende vertroosting wordt gesterkt en de belofte tot in het duizendste geslacht wordt bevestigd. Want ja, de belofte Gods is ons genoeg en moet ons genoeg zijn. Maar de Heere, die onze zwakheid kent, wil ons zooveel mogelijk tegemoet komen. En daarom wil Hij bij de belofte aangaande de zaligheid onzer kinderen ook nog een teeken en zegel voegen in het Sacrament van den Doop. Hij wil hen met het teeken van Zijn barmhartigheid teekenen in den Doop.
De kinderen ontvangen uit den Doop dit voordeel, dat zij helt lichaam der Kerk worden ingelijfd en aldus den anderen leden aangenaam en aanbevolen zijn. Bovendien worden zij, wanneer zij volwassen zijn, niet weinig aangezet tot een ernstigen ijver om God te dienen.
Ook moet ons de dreiging verschrikken, dat God een wreker is, wanneer men weigert Zijn kind met het teeken des Verbonds te laten teekenen.
Wanneer de Heere aan Zijn volk Israël in Zijn Verbond allerlei aardsche zegeningen beloofde, was het den Heere er om te doen om de kinderen Abrahams begeerig te maken naar de geestelijke zegeningen. Hij wilde geenszins, dat zij bij de vleeschelijke dingen zouden blijven staan. Ook in den Doop, al is het teeken van het water van de aarde, moet het ons om de geestelijke dingen, in Christus geschonken, te doen zijn. De kinderen Abrahams hebben Abrahams geloof na te volgen en zullen als geestelijke kinderen Abrahams zaad genoemd worden. Zooals door de besnijdenis het harte van Israël moest worden opgewekt tot de hoop des eeuwigen levens (waarom d.e besnijdenis ook genoemd wordt het zegel der rechtvaardigheid des geloofs, (Rom. 4 vers 10), zoo moet ook door den Doop onze hope worden getrokken op de geestelijke schatten van Gods Koninkrijk, om te zijn een geheiligd volk.
Men zegt (IV, 16, 17), dat de kinderen vanwege hun jeugd niet in staat zijn de verborgenheid van den Doop te begrijpen en men wil dan wel beweren, dat men ze als kinderen van Adam moet laten liggen, totdat zij den leeftijd bereikt hebben welke met de tweede geboorte overeenkomt. Maar Christus beveelt hen tot Zich te brengen, omdat Hij het Leven is. (Matth. 19 vers 13).
Ook de besnijdenis was een teeken van bekeeririg en geloof, nochtans werden de kleine kinderen besneden. En zóó moeten ook de kinderen gedoopt worden tot de toekomende bekeering en het geloof. De vruchten zullen later gezien worden. Wie de Heere verwaardigd heeft te verkiezen, dezen zullen, door de kracht van 's Heeren Geest en op de wijze, die God nuttig oordeelt, ten leven ingaan. Sterven zij vroegtijdig, dan is dat naar 's Heeren raad en welbehagen. Komen zij tot den leeftijd, dat hun de beteekenis van den Doop onderwezen kan worden, zoo moeten zij te meer aangezet worden tot naarstigheid om de vernieuwing te ontvangen, waarvan zij het teeken reeds bezitten. Door het teeken van den Doop zullen zij den ganschen loop van hun leven deze vernieuwing bedenken en betrachten.
Daar Christus Zijn getuigenis gegeven heeft ook aan de kleine kinderen, die tot de Kerk gerekend moeten worden, aangezien zij erfgenamen zijn van het Koninkrijk der Hemelen (Efeze 5 vers 26), moeten de kinderen gedoopt worden, opdat men hen niet afscheure van het lichaam van Christus.
Als er sprake is van volwassenen, mogen die geenszins gedoopt worden, tenzij men hun wandel en geloof kan naspeuren en opmerken. Maar gansch anders is het met de kleine kinderen gesteld, die van de volwassenen onderscheiden moeten worden. Bij Abraham volgt het Sacrament van de besnijdenis op zijn geloof, maar bij Izaak gaat het teeken der besnijdenis vooraf, omdat hij naar het erfrecht, van de moederschoot af, in het Verbond begrepen is.
Zoo moeten de kinderen des Verbonds gedoopt worden.
En nu dus het met waar, dat men dan óok aan de kinderen het Avondmaal zou moeten uitreiken. Want de Doop is als 't ware de ingang in de Kerk, maar het Avondmaal is gegeven aan de volwassenen, die de vaste spijs kunnen verdragen. Zij kunnen het lichaam en het bloed des Heeren onderscheiden, wat de kleine kinderen niet vermogen. Bij het Avondmaal behoort dan ook, dat een ieder zichzelf zal beproeven.
Als Servet leert, dat geestelijke dingen passen bij geestelijke dingen, zoodat kinderen, die niet geestelijk zijn, ook niet geschikt zijn voor den Doop (1 Cor. 2 vers 13) dan erken ik — aldus Calvijn, IV, 16, 31 — dat nieuwe menschen met geestelijke spijs moeten gevoed worden, maar voor de kinderen is de Doop echter genoeg als een teeken der aanneming, totdat zij, groot geworden zijnde, vaste spijs kunnen verdragen. Intusschen wil Christus ook voor de kinderen spijze ten leven zijn, al worden zij tot het Avondmaal nog niet toegelaten. Ook de kinderen zijn erfgenamen van het Koninkrijk der Hemelen.
Laat ons dus — aldus besluit Calvijn IV, 16, 32 — al deze meeningen, waardoor de vertroostingen, welke de geloovigen met hun haat uit de beloften Gods ontvangen, verijdeld en weggenomen worden, verre van ons laten. Zij maken de geloovigen ongevoelig voor de barmhartigheid Gods, maar ook traag om hunne kinderen tot vroomheid te onderwijzen. En dat mag geenszins geschieden ! (Wordt voortgezet).
NAAR INDIË !
Van de Nederlanders is bekend, dat zij graag de zeeën bevaren en uitvliegen naar alle kanten, om in alle werelddeelen handelsrelaties aan te knoopen. Indië en Amerika, Egypte en Palestina, onze landgenooten gaan overal heen ! Ook om op „ontdekking" uit te gaan. „Nova-Zembla" hebben we maar te noemen, en we weten dat die Hollanders voor geen klein geruchtje vervaard zijn.
Ook is echter bekend, dat de Hollander graag dicht bij huls blijft, niet gaarne z'n voeten onder eens andermans tafel steekt en moeders pappot bemint.
Bij dat laatste kunnen we soms wel eens een beetje boos worden.
Als hier overvloed was, b.v. van onderwijzers, en in Indië was gebrek, konden we geen flinke leerkrachten vinden om naar Indië te gaan, noch naar de Oost, noch naar de West.
En voor predikant in Indië waren wel menschen, maar — die wij er nu liever niet zagen heengaan ( de goeden niet te na gesproken, want er waren ook uitnemende mannen onder !) Waarom wilden anderen niet ?
Omdat men niet zoover van huis wilde gaan ! Omdat men dat zegt) dan een Hollander, die onder z'n vóórvaderen zulke kloeke wereldreizigers telt!
We denken nu aan de Protestantsche Kerken in Oost-Indië. Ook aan het Zendingswerk.
Wij gelooven, dat we heel belangrijke tijden beleven en dat de komende jaren Van buitengewone beteekenis zullen zijn. Er is groote nood, ellende, benauwdheid. En dat werkt op heel het leven. Dat maakt, dat we een crisis doormaken. En dat zal straks beslissen over den voortgang der geschiedenis. Wat zou het heerlijk zijn, als we er oog voor mochten hebben en dat we de juiste wegen en middelen wisten te kiezen, opdat de komst van Gods' Koninkrijk mocht worden bevorderd in het geestelijk leven zich onder de volkeren mocht verdiepen.
Daarvoor zal de arbeid in Gods Koninkrijk zoo goed mogelijk moeten worden georganiseerd. Oók in Indië !
En dan denken we aan ons Zendingswerk. Hoe heerlijk zou het zijn, als daar predikanten konden worden ingeschakeld, sterk door hun geestelijk beginsel en goed toegerust met de noodige kennis van de theologie, met een goeden kijk op het leven. Zoowel voor het kerkelijk leven, als voor de opleiding van jonge menschen op het Zendingsterrein, als ook voor de medische Zending zou dat uitnemend en rijk gezegend kunnen werken.
En dan denken we ook aan de Indische Kerk. Pas is de Protestantsch-Indische Kerk georganiseerd. De band tusschen Kerk en Staat is gelukkig veel losser geworden en men is meer zelfstandig geworden, hoewel de financieele regeling is gebleven. Men is gekomen tot een eigen kerkelijk leven, met een eigen organisatie. Zoo lazen we pas nog : »Voortaan zullen de nieuwe predikanten, die uit het Vaderland naar Indië gaan, niet meer in Holland, maar in Batavia bevestigd worden. De gang van zaken wordt dan aldus : afvaardiging in Nederland, bevestiging te Batavia en intrede in de eigen gemeente.
Ook de belijdeniskwestie is nader geregeld; de grondslag van het kerkelijk leven is : Jezus Christus, Gods Zoon, de eenige en algenoegzame Zaligmaker.
Met deze belijdenis (overigens laten wij nu de kwestie van organisatie en belijdenis der Indische Kerk rusten) kunnen „onze" dominees zeer zeker naar de Indische Kerk gaan, om als bedienaar des Evangelies in onze Oost-Indische bezittingen het Woord Gods te prediken en de Waarheid Gods te verbreiden en te verdedigen. Hun prediking en hun Sacramentsbediening, hun woord en daad, hun leer en leven, zou tot rijken zegen kunnen zijn. Korten tijd hebben wij één predikant van den Gereform. Bond in Indië gehad en wel ds. Binsbergen, die in Leerbroek en Muiden gestaan heeft en daarna benoemd is geworden tot predikant in Indië. En dezer dagen mocht op onze Bestuursvergadering nog een brief worden voorgelezen van iemand, die uit Indië met verlof in het Vaderland is, waarin met de grootste waardeering over den persoon en het werk van ds. Binsbergen geschreven stond. Hij was een man van beginsel, met : groote werkkracht, die om de wille van zijn persoon, zijn werk én zijn beginsel door vriend en tegenstander hóóg werd geëerd en bij velen zéér geliefd. Helaas is hij jong gestorven en vroeg door den Heere van zijn post afgelost. En nu, nu is er niemand, niemand meer van ons in Indië. Terwijl men het toch zoo graag, zoo héél graag zou willen dat er iemand, van Gereformeerd beginsel zijnde, uit Holland overkwam, om daar als verkondiger van het ware Evangelie werkzaam te zijn.
Wij wilden dat hier nog eens uitspreken, met de hartelijke wensch en bede, dat het meer en meer onder ons ingang zal vinden: „naar Indië !"
Als de Gereformeerde Bond ook hierin nog iets doen mocht, zou het ons tot een eere en tot groote vreugd zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's