De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

GODS GAVE AAN OPRECHTEN

8 minuten leestijd

Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid, wandelen. Psalm 84 vers 12b.

Wanneer God tot u kwam met de vraag : wat wilt gij hebben ? , welk antwoord zoudt gij dan geven ? Deze vraag is de overdenking waard. Want uit uw .antwoord kunt gij opmaken, hoe het met uw zieleleven staat. En wanneer gij het eerlijk doen zoudt, dan denk ik, dat de meeste antwoorden er ongeveer zóó uit zouden zien : Een ziek mensch zou vragen om gezondheid. Een zwak mensch om meer kracht. Een arme om geld. Een rijke om nog meer bezittingen. En zoo zou ik door kunnen gaan.
En ik denk, dat zoo weinig menschen zouden vragen : Heere, dat ik U zelf maar tot mijn deel mocht hebben. En waarom ?
Een mensch vraagt om hetgeen hij mist. Om hetgeen hij noodig heeft. En nu zien we dit opmerkelijke in het leven : Een mensch kan niet veel missen, behalve God en Zijn heil. Daar schijnen de menschen toch zoo weinig behoefte aan te hebben.
Een mensch wil de dingen van de wereld. Maar niet God. En wat is dat ongelukkig. Want de heele wereld laat ons in nood en dood in den steek. De wereld heeft ons niets te geven in de ure van ons sterven. Dan zijn we rampzalige menschen.
Dat we hier toch maar meer gevoel van hadden. Want als we overtuigd worden van de armoede van het wereldsche leven, dan zullen we gaan zoeken het waarachtig goede. Dat, wat troost geeft in nood en dood. Het goede, .dat God geven kan en geven wil.
Gelukkig alle menschen, die ontdekt worden aan hun armoede en ellende, wanneer zij niet meer hebben dan de wereld en eigenwillige vroomheid. Want voor zulke ellendigen is een blijde boodschap, dat God het goede wil schenken. Dat, wat waarlijk goed is voor tijd en eeuwigheid.
De Heere heeft iets te geven aan menschen. Heeft lust om het goede te geven. Zie het maar bij het begin der menschheidsgeschiedenis. De Heere gaf het Paradijs. Gaf den lusthof, waar den mensch niets ontbrak. En dwaasheid was het daarom, den duivel te gelooven. Want Satan heeft nooit het goede met den mensch voor. Maar altijd zijn ongeluk. Zijn verderf.
En dwaasheid blijft het van den mensch om nog steeds bij den duivel het goede te zoeken. Want alleen God heeft het goede met den mensch voor. Het was ook een gruwelijke zonde om van den Heere af te vallen. En het blijft zonde voor ieder mensch om God den rug toe te keeren. En den duivel te volgen. En daarom God is rechtvaardig, al zou Hij de heele menschheid om doen komen onder Zijn toom. We hebben niet anders ons waardig gemaakt dan dat God ons dood laat eten aan de vrucht der zonde. Dan dat Hij ons verwerpt. En weg doet zinken onder Zijn gramschap in een eeuwig verderf. Ja, dan is God rechtvaardig !
Maar hoe wonderlijk wordt dan dit woord van den Psalmdichter. God heeft lust om aan menschen het goede te geven. Het goede aan slechte menschen. Wie zal ons dit redelijk verklaren ? Al heeft de mensch zijn weg verdorven, al is hij naar recht niet anders waardig dan toorn en gramschap, toch heeft de Heere lust om. hem het goede te geven. De Heere wil redden van het moedwillig gekozen verderf, waarop al onze wegen der zonde uitloopen.
Wie zal die ontfermingen peilen ? God staat vrij van elk schepsel. Ja, sterker nog : de Heere heeft menschen voor Zich, die van zichzelven niet anders doen dan Hem tergen en beleedigen. En toch wil de Heere aan zulke „slechte" menschen het „goede" geven. Dat is grondelooze barmhartigheid!
En wat is nu dit „goede" ? Daar hebben wij, menschen, een heel andere opvatting over dan God in den hemel.
Wij denken het eerst aan de tijdelijke dragen : veel geld, veel goederen, een groote boerderij, een goede betrekking, veel werk, veel eer, veel macht, veel genoegen. En ga zoo maar door. Wij zijn „natuurlijke" menschen. En denken daarom, het eerst aan de natuur. Aan de wereld. Aan de tijd. En we hebben er geen waarachtig besef van, dat we hoogere dingen noodig hebben, naar 't woord van den Heere Jezus.: Wat baat het een mensch, al gewint hij de heele wereld ?
Een natuurlijk mensch weet niet wat hij kwijt is. Dat is onze doodstaat. En dat is een verschrikkelijke toestand. We gelooven het niet echt, dat we met al die bovengenoemde zaken nog doodongelukkig zijn, omdat we het ééne noodige missen. En (dat ééne noodige is het .goede Gods.
Verstandelijk weten we er wel van. We hebben er wel over gehoord. Daar kan nog wel een weinig gevoel van zijn. Vooral bij ernstige gebeurtenissen. Als we eens staan vlak bij een doode. Wanneer we blikken in een open graf. Maar het is zoo oppervlakkig. Een natuurlijk mensch is zich niet bewust van hetgeen hij mist. Hij heeft genoeg aan de natuur, aan de wereld, met wat godsdienst er bij. Hetzij het een „zware" of een „lichte" godsdienst is, dat doet er niet toe. Maar hij weet niet, wat hij mist. Dat hij God kwijt is. Dat hij het leven met dien God kwijt is. En dit is het goede.
In het Paradijs zijn we dat kostelijk goed verloren. En daarom haalt het ons niet, wat we ook gewinnen in de wereld, wanneer we dat goed niet deelachtig worden. Want dan zal het met al onze winst nog zijn : schade lijden. Schade lijden n.l. aan onze ziel, voor de eeuwigheid.}
Wij moeten dat verloren goed weer terug hebben, wil het wèl met ons zijn. En dat verloren goed wil God weer geven. De Heere laat het boodschappen, dat Hij het leven weer geven wil. Dat Hij Zichzelf weer geven wil. En als een zondaar God vindt, het leven met God deelachtig wordt, dan heeft hij alles, was noodig is om getroost te leven en getroost te sterven. God tot ons deel te hebben, dat is zaligheid. Want als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn ? Dan zorgt de Heere overal voor. Hij staat voor Zijn volk heelemaal in.
Dan geeft Hij Zijn Zoon tot een Borg. In Zijn Zoon gerechtigheid. Vergeving van zonden. Dan leeft de Heere met Zijn volk als hadden zij nooit eenig kwaad gedaan. Gods liefde mogen zij ondervinden. Genade bewijst de Heere. Hij wordt hen tot een Vader !
Dat is een groote zaak, kind van God te mogen zijn. Dezen God tot een Vader te mogen hebben. Want deze God heeft een sterke liefde. Het is: zoó'n geweldig liefdesvuur, dat een stroom, dat een zee van ongerechtigheden het niet blusschen kan.
En deze God heeft zulk een groote kracht. Hij is de Almachtige. En al Zijn kracht gebruikt Hij ten behoeve van Zijn kinderen. Geen vijand zal ze meer uit Zijn hand rukken.
En deze God heeft sterke armen. Daarin draagt Hij Zijn volk. Hij zorgt, dat ze niet omkomen van gebrek, noch honger, In bestrijding of aanvechting. Onder het kruis of in druk. God zorgt voor Zijn volk.
En ook de dood zal hen niet kunnen schaden. De Heere brengt Zijn kinderen door dien dood heen tot een eeuwige, volkomene verlossing in den hemel.
Wat een kostelijke gave is dit goed, dat de Heere geeft. Wat ter wereld is hiermee te vergelijken ? God tot ons deel te hebben, dat is het hoogste goed te bezitten. Dat is een zalig leven. Dat is een rijkdom, veel rijker dan de heele Wereld te geven heeft!
Maar wie ontvangen dit goed ? Die in oprechtheid wandelen ! Wat wil dit zeggen ?
Een mensch is van nature niet eerlijk voor God. Want we willen niet voor de werkelike toestand van ons leven uitkomen. We willen niet buigen als een zondaar voor God. Dat is onze onoprechtheid.
Dan hebben we goede gedachten over onszelf. Dan vinden we ons niet slecht. Dan willen we geen zondaar-zijn-voor-God.
Dat is onze natuurlijke levenshouding. En daarvan moeten wij nu genezen. Van goed moeten we slecht worden. Van vroom goddeloos. En zoo voor den Heere buigen.
En dat zal gebeuren wanneer wij door Gods Geest ontdekt worden aan onszelf. Dat is nodig. Een mensch moet zichzelf leeren kennen. Zijn zondig levensbestaan voor het aangezicht Gods. Wij moeten eerlijk oprecht worden voor den Heere. Dan wordt onze hoogmoed gebroken. Dan moeten we al onze goede gedachten loslaten. Al onze gerechtigheden verliezen. Dan worden we zondaren voor God. Echte zondige verkeerde, slechte menschen. Dan leeren we buigen met een boetvaardig hart. Dan wordt de tollenaarsgestalte gebooren : O God, wees mij zondaar genadig.
Dat is een eerlijk, oprecht mensch. Die belijdt zijn zonde. Die heeft genade van God noodig. En daarin heeft de Hetere een welgevallen. Want aan zulken kan God Zijn gave, dat kostelijke goed, kwijt. Aan zulken zal de Heere het goede niet onthouden.
Neen, de Heere is het niet verplicht. Hij is in Zijn recht om het te onthouden. Dat leert iedere ontdekte zondaar, die eerlijk gemaakt is voor den Heere, verstaan. Het is genade. Ja, genade alléén. Maar de Heere heeft hierin lust, om aan slechte menschen het goede te geven. En iedere oprechte zondaar, die om deze genade leert smeeken, en uit genade dit goed ontvangt, is gelukkig te prijzen. Want zij hebben God tot hun deel. En dat is zeer verre het beste! Want dit goed blijft tot in eeuwigheid !
Wanneer God nu eens tot u kwam met de vraag: wat wilt gij hebben ? welk antwoord zoudt gij dan geven ?

De Heere make ons allen oprecht!

Zegveld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's