De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BEKEERING VAN K. VAN GENNE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BEKEERING VAN K. VAN GENNE

6 minuten leestijd

BEKEERING VAN K. VAN GENNE
Ik was toen en lang na deze dronken van de vettigheid van Gods huis en ging mijn weg als de kamerling met groote blijdschap des gemoeds. Het leven was mij Christus en het sterven mij gewin. Ja, ik trof overal den Heere in aan ; 't zij dat ik at of dronk of iets anders deed, ik mocht het hartelijk begeeren te doen tot eer van God, en ging daarmee opstaan en ook daarmede liggen, en werd somtijds in de uitlatingen van Gods gunst en liefde verzwolgen. Ja, het was bestendlg mijn vermaking en blijdschap om God te dienen, lief te hebben en te vreezen. Mijne overdenkingen van Hem waren zoet, en ik mocht mij in den Heere verblijden. Ps. 104. Ik moest nu zeggen met de koningin van Scheba, dat mij de helft niet was aangezegd van deze zaligheid, die ik nu mocht smaken. En hoewel ik toen bij de uiterste goddeloozen moest verkeeren, zoo kon ik menigmaal van dat alles niets hooren. Het was of toen mijn ooren voor het kwade gesloten waren. Wat zijn toch de wegen en wonderen Gods opmerkelijk. Het werd mij vergund mij een geruimen tijd in dat licht te verblijden. Ik genoot vele voorsmaken van de zalige hemel en paarde hier aanvankelijk mijn halleluja's met de godzaligen in de woningen des lichts, die vrij van zonden God verheerlijkend, roemen en prijzen in Zijnen tempel en Hem dienen nacht en dag. Ja, ik heb ook menige nacht mij zoetelijk mogen verkwikken in mijn God en in de werken Zijner handen. Ja, als ik ook maar een enkel sterretje in het oog kreeg, zoo werd mijn ziel in verrukking weggevoerd, zoodat ik in verwondering moest uitroepen : „Hoe groot zijn Uwe werken, o Hèere, Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt. Het aardrijk is vol van Uwe goederen en de hemelen vertellen mij van Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. Dag aan dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan de nacht toont wetenschap". Ja, het riep mij alles toe : „God is groot en wij begrijpen Hem niet". Ja, al had ik duizend tongen gehad, zoo zouden zij oneindig te kort gekomen zijn om naar waarde In de lof van mijn God uit te wijden, daar het toch alles op zijn best genomen een stamelend en gebrekkig werk is. Ik moest dan menigmalen in overtuiging van mijn gebrek uitroepen: „*k Zal eeuwig zingen van Goos goedertierenheid". Dat was mijn innigste en zaligste uitzicht, hetwelk mij gedurig zeer beminnelijk aanstraalde. Daar zouden de klanken toch hooger en zuiverder zijn dan hier op aarde, waar nog zooveel belemmert In het kennen, dienen en verheerlijken van God. Maar hoe zalig ik ook mijn weg mocht bewandelen, dit licht werd met al haar verkwikking door zonde verduisterd en weggenomen. Die Heere wilde mij meer leeren en mij doen opwassen, hoewel ik niet kon gelooven, dat het vorderen op den weg zóó toeging, als ik van achteren heb mogen inzien, dat, volgens de woorden van Paulus, degenen, die God liefhebben, alle dingen zullen moeiten meewerken ten goede. Ik kende nog weinig van mijn machteloosheid ten goede, want ik genoot veel genade om in gewilligheid den Heere te dienen. Ik kende nog maar ten deeze mijn booze droom. Ik had het nooit kunnen of durven denken, dat ik zoo weinig voor dien God zou overhebben, als ik daarna tot mijn innige zielesmart ben gewaar geworden. Evenwel, het was ook al met wijsheid, dat de zonde in mij was overgebleven, want ik zou al spoedig gedacht hebben, dat het een vrucht van mijn eigen akker was, en ik zou mij op gegeven goed schandelijk verheven hebben. Ik moest nu nog eens ondervinden, hoeveel genade ik ook genoten had, wat een diep rampzalig hart ik nog meedroeg, en .dat ik nog steeds tot alle boosheid geneigd was, zoo de weerhoudende hand Gods mij niet bewaarde.
Het gebeurde op een tijd dat ik van mijn vijanden en wel allermeest van de inwonende verdorvenheid zóó verwond werd, dat ik als dood onder de moordenaars gevallen was. Ik werd zeer geschokt en geslingerd en had ook zware aanvechtingen over mijn genadestaat. Zoozeer stond ik in de rechtvaardigheid Gods, dat ik vreesde in het onweer verpletterd te worden. Ja, 't was, of een wraakoefenend rechter met een uitgetrokken zwaard boven mijn hoofd stond en elke donderslag was alsof ze mij zoo terneer zou vellen. Ik werd zoo angstvallig, dat, zoo ik het had durven doen, ik mij verstoken zou hebben.
’s Avonds ging ik naar een van mijn vrome vrienden. Ik was al biddende onderweg om het bloed der verzoening tot wassching mijner zonden en ongerechtigheden. Ik werd bepaald bij het volk Israël, toen men het bloed aan de posten der deuren moest doen, opdat de verderfengel voorbij mocht gaan. Hierdoor mocht ik bijzonder opgeleid worden tot de dierbare heilsverdiensten van den Heere Jezus als het eenige middel tot zaligheid. De Heere toonde zoo bij vernieuwing, dat Hij gaarne vergeeft. Wij zongen, toen wij van elkander gingen, uit Psalm 68 vers 9, waaronder ik in het geloof den door lijden verhoogden Verlosser ten hemel zag varen en mij opnieuw met vrijmoedigheid mocht rekenen onder de vrijgekochten door het bloed des Lams. Toen ik op straat kwam, drukte de Heere deze woorden met zeer veel kracht op mijn ziel: „Hij heeft (n.l. Jezus) met één offerande in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden", waaruit ik veel sterkte mocht trekken.
Ik kon op dat oogenblik met alle zekerheid gelooven, dat al mijn zonden uitgedelgd: waren en dat zelfs de zonden, die ik nog zou bedrijven, ook al door Jezus' bloed bedekt waren. O, gel. vriend, wat een zalig oogenblik; wat mocht ik nu weer opnieuw hart en hand aan den Heere Jezus geven, wat had ik nu weer een lust en innige begeerte om die zonde toch te haten en te vlieden en om in nieuwigheid des levens te wandelen. Het werd nu weer alles nieuw. Ja, ik werd nu als onder de armen gedragen. O, wat een ontfermend, God, die naar zulke nietigen en ellendigen wil omzien, die het zoo bij oogenblikken tegen Hem komen bederven en zonde tot zonde, overtreding tot overtreding toe doen. Ja, de eeuwigheid is noodig om de wonderen groot te maken, dat Hij wederhoorigen bij Zich wil doen wonen.
(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

BEKEERING VAN K. VAN GENNE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's