De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

20 minuten leestijd

KOHLBRUGGE,
zijn levensgeschiedenis.
X.

Kohlbrugge klopt aan bij de Ned. Hervormde Kerk te Utrecht, maar.... wordt niet toegelaten. Kohlbrugge is niet in den weg van verstandelijk onderzoek, maar in den weg van zielservaring tot overeenstemming gekomen met de Gereformeerde belijdenis. .En nu voelde hij zich getrokken tot de Hervormde Kerk met haar Geref. belijdenis. Daarbij kwam, dat hij zich met hart en ziel Nederlander voelde; en daarom begeerde hij niet terug te keeren naar de Herst. Luthersche Kerk, die hem uitgeworpen had, maar hij klopte aan bij de „Vaderlandsche Kerk", zooals hij de Ned. Hervormde Kerk met „de aloude Gereformeerde belijdenis" noemde. Met het Reveil lag daar zijn ideaal. Dus keerde dan Kolhbrugge zich uit overtuiging, dogmatisch en historisch genomen, van de Herst. Luthersche Kerk af en wendde zich tot de Hervormde Kerk, om krachtens zijn overeenstemming met hare belijdenis tot haar toegelaten te worden, niet vermoedende, dat hij zeer spoedig Op dezen weg weer tegen een harde muur zou loopen.
Kohlbrugge voelde zlch soms als een verlamde, dien men de hielpezen doorgesneden had. En die man zou worden tot een onruststichter, die een gansch Groote Kerk in opschudding zou brengen. Maar 't was dan ook een Kerk, die de schoone, gladde, gemakkelijke, ongestoorde gang der dingen tot een afgod geworden was. En 't zou blijken, dat de Hervormde Kerk in haar samenstel van besturen voor niets zulk een vrees had, dan om „met vuur van den hemel in aanraking te komen". Rust, rust begeerde zij. Om rustig te kunnen voortgaan in eigenwillige, zondige wegen, vol leugen en ontrouw !
Toen Kohllbrugge, begin 1830, nog te Amsterdam woonde, verzocht hij aldaar opname in de Hervormde (Greref.) Kerk; en hij deed het volgens de daar heerschende gewoonte. Hij wendde zich tot een der predikanten, met verzoek, de zaak zoo spoedig mogelijk in orde te brengen. Die predikant was ds. Kortenhoef Smith. (Het lidmaatschap, blz. 44). Maar de angst, die zooveel menschen verlamt deed hem terug deinzen voor de verantwoordelijkheid. En — Kohlbrugge werd door ds. Smith met zijn verzoek verwezen naar Utrecht, omdat hij daar gepromoveerd was !! (Iets, wat natuurlijk met deze zuiver kerkelijke aangelegenheid niets, maar dan ook niets te maken had !). Dus — naar Utrecht.
En zoo nam Kohlbrugge zich voor, om met zijn jonge vrouw daar heen te verhuizen. Gelukkig beschikte Louisa Engelbert, met wie hij sinds kort gehuwd was, over een niet onaanzienlijk vermogen, zoodat het echtpaar daar voorloopig zonder financieele zorgen kon leven. Eerst woonden ze op kamers in de Twijnstraat; twee jaar later betrokken ze een flink huis op de Plompetorengracht.
Met veel verwachting begaf Kohllbrugge zich naar den oudsten Utrechtschen predikant ds. Van Beuningen. Die kende hem en scheen bereid om alles op zich te nemen. Op de vraag, of er een bewijs van goed zedelijk gedrag noodig was, was het antwoord : niet noodig ! waarom zou 't ook ? Misschien kende K. eenige leden der gemeente ? Het antwoord van K. was : „Ja, vier". Dan is — zoo was het bescheid van ds. v. B. — alles in orde; en we zullen hopen, dat zich verder geen moeilijkheden voordoen. „Kom dus volgende week terug, om in tegenwoordigheid van een ouderling uw belijdenis af te leggen en als lidmaat te worden
aangenomen'".
Maar — ook ds. Van Beuningen werd bang. En inplaats van zich aan de afspraak te houden, wilde hij zich van te voren verzekeren van de toestemming van den Kerkeraad, om zich daardoor in den rug te dekken en veilig te stellen. De Kerkeraad eischt echter een toewijs van goed zedelijk gedrag, af te geven door den Kerkeraad van de vroegere gemeente van Kohlbrugge. Ofschoon zich vier mannen van de Hervormde Kerk te Utrecht plechtig wilden borgstellen voor den theol. Doctor Kohlbrugge, baatte dat niets. En wat beteekende nu daartegenover een getuigenis van een Kerkgenootschap, met welke hij in de bekende twistzaak, in oneenigheid was geraakt en dat zeker weigeren zou om hem, op deze wijze, behulpzaam te zijn ? Maar men stond er op. Men had het vroeger óók nooit anders gedaan. Ach — dacht K. treurig — gaat de beleefdheid tegenover een vervolgde Kerkeraad (hij dacht aan den Kerkeraad van de Hersteld Luthersche Gemeente te Amsterdam — boven de waarachtig broederlijke liefde-en hulp, die men vervolgden moet betoonen ? Hij waagde het nog éénmaal aan te kloppen en de dingen in het rechte licht te stellen. Toen luidde 't na zes weken (!) droog en onvriendelijk: „de attestatie moet onvoorwaardelijk ingediend worden!"
Dus moest Kohlbrugge een zwaren gang gaan ! Hij moest smeekend zich wenden tot diegenen, die hem eens wreed buiten de deur hadden geworpen. Maar hij nam het op zich, het was hem ernst met zijn verlangen naar een kerkelijk tehuis, met de Gereformeerde waarheid tot belijdenis.
Het getuigenis van de Herst. Luthersche Gemeente, dat hij verkreeg, luidde: „Genoemde heer Kohlbrugge is den 226ten Dec. 1823 en vrouwe E. Engelberts 25 Febr. 1824 als lidmaat der Herst. Luthersche Gemeente, na aflegging van hun geloofsbelijdenis, aangenomen en staan als zoodanig in het lidmatenboek ingeschreven". Ds. Uckkerman, met wien K. het ongenoegen had gehad, was de onderteekenaar.
Met deze attestatie verscheen K. plotseling in den Utrechtschen Kerkeraad; (7 Juni), werd ook, tegen alle verwachting in, toegelaten en hij droeg mondeling toen nog éénmaal zijn verlangen aan de opzieners der gemeente voor. Zijn oogen op ieder afzonderlijk richtende, zeide hij : is hier iemand onder de predikanten en ouderlingen, die eenige beschuldiging tegen mij heeft ? Men zegge het vrijmoedig ; ik zal mij verantwoorden". Algemeen zwijgen. Niemand deed z'n mond open; alleen de voorzitter zeide, dat op de agenda van de vergadering andere dingen stonden dan een bespreking met hem. Daarom, kon hij vertrekken en moest hij zijn verklaring schriftelijk indienen. Hoe langer hoe meer geraakte K. in de moeite. Hij legde den Kerkeraad nu drie vragen voor, om te weten waar hij aan toe was.
„Mag ik Zondag mijn kind laten doopen in uw Kerk ? Wil mij rond en open zeggen, wat men tegen mij heeft ? En wanneer men geen beschuldigingen tegen my heeft, wil men mij dan als lidmaat der Gereformeerde gemeente open aannemen en rechten geven ?
Alleen 't eerste werd toegestaan, en zoo „moesten wij ons kind laten doopen, als stonden wij in den voorhof der heidenen. Hoe echter nu verder ? Door het feit, dat K. verzocht had om opname in de Hervormde Kerk, was hij feitelijk uit de Luthersche getreden. Hij hing nu in de lucht. Moest hij daarom niet de hoogste waarde hechten aan bespoediging van zijn zaak ? Moest hij het onder deze omstandigheden niet ondervinden als een kwaadwillige behandeling, dat weer twee maanden voorbij gingen, vóór hij opnieuw wat hoorde ?
En toen vernam hij, dat de Kerkeraad van Utrecht het verzoek van K. doorgegeven had en wel aan de Synode ! Deze echter, die van het verloop tot nu toe, slechts oppervlakkig op de hoogte kon zijn, deed niets anders dan de Kerkeraad, in zijn tot nu toe afwijzende houding te stijven en vast te houden aan den eisch, dat er een bewijs van goed zedelijk gedrag moest komen. Op dit gebruik der Kerk bestond geen uitzondering !
Gebruik ? „Mag men dan iemand vermoorden (in de maatschappij) wegens een gebruik? " vraagt K. met recht. „Moest ik dan zonder genade kerkelijk sterven wegens een wet, welker vervulling mij onmogelijk gemaakt werd ? Leert zoo het Evangelie ? "' En dan nog zegenwenschen aan het slot ? „Hoe kan men, over iemand Gods besten zegen afbidden, hem heil wenschen en broeder noemen, terwijl men dóet alsof men geen vertrouwen stelt in zijn zedelijk gedrag en op grond daarvan hem niet als lid zijner gemeente meent te kunnen aannemen?
Hoe diep is men afgevallen van de Christelijke ethiek en haar toepassing, hoewel men er mee bezig is, als men zulk een diplomatie niet ziet als zonde !"
Wat bleef dlus nog over, dan om zich nog eens te vervoegen bij de Herst. Luthersche Gemeente ? Met dringende woorden verzocht de heen-en weergeslingerde, dat men hem niet door zijn verzoek af te wijzen, ongelukkig zou maken. Zijn verzoek werd afgewezen. „Het is bij ons geen gebruik". Alweer dat „gebruik'. Alsof het onverschillig was, dat in de Kerk zielen geërgerd en gedood worden, als maar aan de voorschriften der oorspronkelijke verordeningen niets wordt veranderd.
K. kon kwalijk anders gelooven, dan dat men een leelijk spel met hem speelde. En merkwaardig, juist in die dagen (21 Juli 1830) vaardigde de Algemeene Synode der Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden een wet uit, met als inhoud : dat niemand, „die een kerkelijk ambt bij een ander Kerkgenootschap bekleedt of bekleed heeft, in een gemeente kon worden opgenomen, zonder dat de kerkelijke besturen het goed zedelijk gedrag deszelven in de vroegere gemeente heeft vastgesteld". Een wet, die juist gemunt was op Kohlbrugge's geval.
Men wilde hem in de Hervormde Kerk met alle geweld verhinderen binnen te komen !
[Wordt voortgezet].

CALVIJN EN DE SACRAMENTEN (4) Het Heilig Avondmaal
Als de Heere ons als een Vader in Zijn huisgezin opgenomen heeft, naar Zijn belofte : „Ik wil u tot een Vader zijn èn uw zaad", en als Hij door den Doop ons in Zijn Kerk ingelijfd heeft, draagt Hij ook als een Vader zorg voor onze voeding gedurende ons gansche leven. En tot verzekering daarvan heeft Hij ons het tweede Sacrament gegeven, het Sacrament van Zijn Heilig Avondmaal, waarin Christus betuigt het levendmakende brood te zijn. Joh. 6 : 51.
Om het gewicht van de zaak en ook om de wille van de velerlei listen des Satans is een nauwkeurige verklaring noodig, zegt Calvijn (4de Boek, hoofdstuk 17).
De teekenen zijn brood en wijn, welke ons voor oogen stellen het onzichtbaar, geestelijk voedsel, dat wij ontvangen uit het vleesch en bloed, uit het lijden en sterven van Jezus Christus. (Matth. 26 : 26 ; Mare. 14 : 22 ; Luc. 22 : 19 ; 1 Cor. 11 : 24). Deze geestelijke voeding en mystieke vereeniging is uiteraard onbegrijpelijk; daarom stelt de Heere ons haar voor oogen door zulk een eenvoudig teeken. Daarvoor verzekert Hij ons en maakt het tot een gewisse zaak, dat het lichaam van Christus eenmaal zóó voor ons is opgeofferd, dat het nu alles voor óns is en dat wij dat nu tot ons mogen nemen, het mogen eten met onze mond en door dat eten de kracht van die eenige offerande in ons gevoelen. De belofte toch luidt: Neemt, dat is Mijn lichaam, dat is Mijn bloed". Dit Sacrament kan de vrome, godvruchtige zielen zéér versterken en troosten. Er ligt immers een getuigenis in : wij zijn met Christus tot één lichaam vereenlgd geworden, zoodat al het Zijne het onze is. Hieruit volgt, dat het eeuwige leven het onze is. Maar ook de vergeving van onze zonden, die Hij op Zich genomen heeft. In Hem is onze vrijspraak verzekerd.
En in het Sacrament wil Christus ons dat toereiken en deelachtig maken. Hij wil het ons in handen geven als óns eigendom. „Neemt", zegt Hij ; 't is dus het onize. „Eet". En zoo wordt het ééne zelfstandigheid met ons. „Voor u gegeven, voor u vergoten". Ze behooren dus meer óns dan Hem toe. In deze laatste woorden vooral ligt schier de gansche kracht van het Sacrament: de plaatsbekleedende Borg schenkt het alles weg aan de Zijnen, opdat liet hun eigendom, zal zijn.
Het voornaamste doel van het Sacrament is niet om ons het lichaam van Christus enkel en eenvoudig, en zonder diepere overweging en hooger doel toe te reiken, maar om ons de belofte te verzegelen, dat Zijn vleesch en bloed waarlijk spijs en drank zijn ten eeuwigen leven. En hierbij worden we gewezen op Zijn lijden en sterven, op heit kruis van Golgotha. Wij eten Hem toch eerst recht, wanneer wij Hem gekruisigd eten. Daardoor is Hij ons een spijs en drank ten eeuwigen leven geworden. Joh. 6 : 51.
In het Evangelie nu en bijzonder in het Avondmaal wordt Christus ons als gekruisigd voorgesteld en te genieten gegeven.
Voor twee dingen moeten wij ons wachten, dat we niet fout gaan : we moeten niet te weinig en niet te veel aan de teekenen toekennen. We mogen de uitwendige teekenen niet te zeer verkleinen en afrukken van hun verborgenheden; waarmee zij zekerlijk verbonden zijn. Maar wij mogen ze ook niet onmatig verheffen en op deze wijze de verborgenheden verduisteren.
Christus is bet brood des levens. Maar, op welke wijze wordt men Hem deelachtig ? Sommigen achten het eten en drinken van Christus' lichaam en bloed: hetzelfde als gelooven. Maar als geloovigen moet men het eten en drinken. Het eten en drinken moet zijn de vrucht van het geloof. Eerst het geloof en dan het geloovig eten en drinken, 't Is zooals we lezen in Ef. 3 : 17 : „Christus woont door het geloof in uwe harten". De inwoning van Christus in onze harten is dus een gevolg, een vrucht van het geloof.
Maar in elk geval is het een eten des geloofs. Door het geloof wordt Christus' vleesch en bloed gegeten en gedronken ; het wordt in ons opgenomen ; wij hebben gemeenschap met Zijn vleesch en bloed, en daardoor gaat Zijn leven tot ons over, evenals het brood, dat genomen en gegeten wordt, sterkte toebrengt aan het lichaam.
Sommigen spreken wel van eenige gemeenschap met Christus en aan Zijnen Geest, maar dan zonder vleesch en bloed te vermelden. Alsof zoovele uitdrukkingen in Joh. 6 tevergeefs gesproken waren ! De volle gemeenschap met Christus gaat door Zijn vleesch en bloed, dat Hij onze plaats bkleedende Middelaar te eten en te drinken geeft, om het geloof te sterken. Het Avondmaal gebruikende hebben we te zien op God en te omhelzen wat Hij ons aanbiedt. Niemand heeft het leven, dan die Zijn vleesch eet en Zijn bloed drinkt, Hem, den Middelaar Gods en der menschen, den mensch. Christus Jezus met al Zijne weldaden omhelzende.
De verborgenheid dezer gemeenschap aan het vleesch en bloed van Christus tracht Calvijn dan eenigszins te verklaren en duidelijk te maken, ofschoon het een mysterie, een heilige verborgenheid is.
Christus is van het begin af het levendmakende Woord des Vaders geweest: de fontein en oorsprong van leven, waaruit ten allen tijde alle dingen, geen ding uitgezonderd, het leven ontvangen heeft. (Joh. 1 vers 4 ; 1 Joh. 1 vers 1 ene.) Toch is, 'volgens Johannes, het leven eerst geopenbaard geworden, toen de Zoon van God in het vleesch Zich zichtbaar en tastbaar ons voor oogen gesteld heeft. De mensch is gevallen en aan den dood onderworpen en alleen in de gemeenschap met dat Woord, de Fontein des levens, Jezus Christus, kunnen wij de hoop der onsterfelijkheid en het eeuwige leven terug krijgen tot zaligheid. Maar welk een afstand is er tusschen Hem, die het eeuwige leven is, en ons!
Hier is het nu van het allergrootste belang, dat Hij Vleesch en bloed heeft aangenomen, dat het Woord is vleesch geworden en onder ons heeft gewoond en in het lichaam geleden heeft. Nu is Hij niet verre meer van ons en geeft Hij Zich aan ons, om door ons genoten te worden.
Zoo maakt het Avondmaal ons ook méér deelachtig dan den Geest van Christus alleen. In Zijn vleesch en bloed ontvangen zij Hem en in Zijn vleesch en bloed komt hun het leven als vanzelf tegemoet, indien zij het eten in het geloof en drinken in vertrouwen des harten.
Het vleesch van Christus heeft van zichzelf zoo groote kracht, dat het ons zou levend maken. Maar het is van de volheid des goddelijken levens doortrokken, om dezelfde volheid tot ons te brengen. Zoo is het vleesch van Christus, den Zaligmaker, een rijke en onuitputtelijke fontein, welke het leven, dat uit God opwelt en opspringt, in ons uitstort. Ieder die in geloove Zijn vleesch en bloed deelachtig wordt, heeft ook deel aan het leven !
Men bedenke, dat de verborgen kracht des Heiligen Geestes vér boven ons verstand uitgaat en het zou dwaas zijn Zijn onmetelijkheid naar onze maatstaf te willen bepalen.
Laat ons dus door het geloof aangrijpen, wat ons verstand niet vatten kan, n.l. dat de Geest waarlijk vereenigt, wat door de plaats van elkander gescheiden is. Daarom zeide de Apostel: Het brood, dat wij breken, is de gemeenschap aan het lichaam van Christus" (1 Cor. 10 : 16). De Heere stelt ons die gemeenschap aan Christus' lichaam maar niet slechts voor oogen, maar Hij geeft die ook bij de breking des broods waarlijk en wezenlijk aan de Zijnen.
[Wordt voortgezet].

Hoe is de inrichting en het Bestuur van de Ned. Hervormde Kerk? (1)
't Is al dadelijk jammer, dat we beginnen moeten het woord „bestuursinrichting" te gebruiken. Dat moest in onze Ned. Hervormde (Geref.) Kerk niet zoo zijn. En hoe eer we, in wettelijken weg, die besturenorganisatie wèg kunnen werken, hoe beter het is. Dat moet niet de Overheid doen, dat moet de Kerk zelve doen. De Overheid moet hier haar handen maar thuis houden ! En alle belijders van den Christus Gods moeten hier, om de eere des Heeren en het welzijn der aloude Vaderlandsche Kerk, schouder aan schouder staan 't Zal ook tot zagen voor land en volk zijn !
Besturenorganisatie dus. Dat is sinds 1816 zoo. En wel is in 1852 een belangrijke wijziging gekomen in het bestuur der Kerk, doordat de Koning zich terug trok, maar een principieele verandering is het toch niet geweest. We bleven met de Synodale besturenorganisatie zitten en alleen een gemeenschappelijke actie in de Kerk en van de Kerk, kan, onder 's Heeren bijstand, .principieele verandering brengen.
Overzien we de inrichting van onze Hervormde Kerk even, dan bemerken we, dat we hebben de plaatselijke Kerkeraad; vervolgens het Classicaal Bestuur, dan het Provinciaal Kerkbestuur, dan de Algemeene Synode.
Naast het Bestuur krijgen we dan vervolgens het Beheer, met de indeeling van de colleges van Notabelen en Kerkvoogden en het Algemeen College van Toezicht.
We beginnen met de plaatselijke Gemeente en den Kerkeraad.
Tot elke afzonderlijke Gemeente (plaatselijke Kerk) behooren die er in geboren zijn, als de ouders of één van de ouders tot de Hervormde Kerk gerekend worden en die dan in de Hervormde Kerk 'gedoopt worden. Dat zijn de doopleden. Vervolgens zijn er : de belijdende lidmaten, dat zijn allen die in de Hervormde Kerk belijdenis des geloofs hébben afgelegd voor den Kerkeraad èn in een openbare godsdienstoefening, waarbij de drie vragen van Artikel 39 Regl. op het Godsdienstonderwijs, moeten worden gesteld.
Alleen wanneer men belijdenis des geloofs heeft afgelegd (de belijdende lidmaten d'us) heeft men stemrecht. Deze stemgerechtigde lidmaten moeten dan in de gemeente woonachitig zijn, 23 jaar oud zijn, en minstens 5 maanden geleden belijdenis hebben afgelegd of hun attestatie hebben ingediend (of ook wel een bewijs van lidmaatschap, als men reeds lang uit z'n vorige gemeente vertrokken is). Uitgesloten van stembevoegdheid zijn : lidmaten, die onder censuur of curateele staan. Het stemrecht is in de Hervormde Kerk voor mannen èn vrouwen.
Verhuist men, dan is het zoowel terwille van de goede orde, alsook van de uitoefening van het stemrecht, noodig, dat men z'n attestatie van z'n ouden Kerkeraad naar dien van z'n nieuwe woonplaats overbrengt, liefst zoo spoedig mogelijk ! Wat ook voor de Kerkvoogdij en haar administratie wenschelijk is (eventueel betalen van Hoofdelijken Omslag in de gemeente waar men woont).
Hoe is nu het Bestuur der Gemeente ?
In elke Hervormde Gemeente zijn twee lichamen. En we moeten hier dan spreken van „bestuur" èn „beheer". Dat moet heel goed onderscheiden worden, want het zijn inderdaad in onze Hervormde Kerk twee héél verschillende organisaties : het Bestuur èn het Beheer !
In een plaatselijke Gemeente vinden we dus : Bestuur en Beheer, en in dit verband kunnen we ook zeggen: Kerkeraad en KerkvoogdIj (of Kerkelijke Administratie).
De Kerkeraad zorgt voor de geestelijke, de Kerkvoogdij of Kerkelijke Administratie (Kerkvoogden en Notabelen) voor de stoffelijke belangen der Gemeente. Ieder heeft z'n eigen terrein, met eigen werk en eigen bevoegdheden, en deze twee lichamen worden ook op een geheel verschillende manier gekozen en samengesteld.
De Kerkeraad zorgt dus voor de geestelijke belangen der Gemeente.
Deze Kerkeraad bestaat uit den predikant met de ouderlingen en de diakenen, (hoewel over dat instituut van „diakenen" afzonderlijk straks nog moet worden gesproken). Die Kerkeraad is in een kleine Gemeente weer wat anders samengesteld dan in een grootere. Want in een kleine Gemeente vergaderen predikant, ouderlingen en diakenen altijd samen. Daar is maar één Kerkeraad. Dat is omdat het college van predikant en ouderlingen (soms 2) te klein is. De diakenen zijn daar zoowat hulp-ouderlingen tegelijk, louter en alleen vanwege de kleinheid van den Kerkeraad (die eigenlijk, als geestelijk Instituut, alleen bestaat uit predikant en ouderlingen). In zoo'n kleine Gemeente is aan de diakenen bijzonderlijk opgedragen en toevertrouwd de zorg voor de armen (en de weezen, zoo noodig). Maar hierbij moeten we weer 't zelfde opmerken als zooeven : eigenlijk is het college van diakenen te klein om dat werk alléén te regelen en daarom worden in een kleine Gemeente de diaconale zaken behandeld door de diakenen met den dominé en de ouderlingen saam. Zooals de diakenen dus mee beraadslagen en mee beslissen — In een kleine Gemeente — met de ouderlingen, zoo beraadslagen en (beslissen de ouderlingen mee met de diakenen.
Dat is in grootere Gemeenten anders.
Daar hebben we eigenlijk een dubbele Kerkeraad ; met de onderscheiden namen: Bijzondere-en Algemeene Kerkeraad. de Algemeene Kerkeraad bestaat uit: de predikanten, de ouderlingen en de diakenen. De Bijzondere Kerkeraad bestaat uit: de predikanten en de ouderlingen. In Gemeenten, waar de Kerkeraad zóó onderscheiden, is (wat alleen in groo­tere Gemeenten met méér dan drie predikanten 't geval is) vormen de diakenen, behalve dat zij behooren tot den Algemeenen Kerkeraad, óók nog een afzonderlijk college.
De predikanten moeten minstens 23 jaar oud zijn ; de diakenen meerderjarig volgens de burgerlijke wet.
Tot kerkeraadsleden zijn uitsluitend mans-lidmaten benoembaar. (In het Kiescollege — waarover straks meer — kunnen ook vrouwelijke lidmaten zitting nemen ; maar de vrouwen zijn niet benoembaar tot de ambten).
Wat behoort nu tot de taak van den Bijzonderen en wat tot de werkzaamheden van den Algemeenen Kerkeraad?
Aan den Bijzonderen Kerkeraad is opgedragen:
1. De regeling van getal, tijd en plaats der openbare godsdienstoefeningen. De afschaffing van beurten of de instelling van nieuwe beurten behoort aan den Kerkeraad; de leiding van de godsdienstoefening, en dus ook het beslissen over het gebruik van den Heidelbergschen Catechismus, het laten zingen van Psalmen en Gezangen enz. behoort aan de predikant(en); ook b.v. in vacante gemeenten.
2. De zorg voor het godsdienstonderwijs, naar de voorschriften van het betreffende Reglement.
3. Het toezicht op de belijdenis en den wandel van de leden der gemeente en de handhaving der kerkelijke orde, volgens het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht.
4. De bevordering van alles, wat het godsdienstig leven in de gemeente kan verhoogen. Het bevorderen b.v. van de kerkelijke huwelijksbevestiging en inzegening.
5. Het afnemen van de belijdenis des geloofs en de bevestiging van de nieuwe lidmaten der gemeente.
6. Het waken voor het geregeld indienen van de attestatiën der lidmaten, die van elders zijn ingekomen.
7. Het uitreiken, op aanvrage, van attestation aan naar elders vertrekkende lidmaten en het afgeven van doopbewijzen op aanvrage van of namens belanghebbenden.
8. Het houden van dubbele, op verschillende plaatsen bewaarde registers van: gedoopten; lidmaten, die op belijdenis zijn aangenomen, met attestatle zijn overgekomen of vertrokken, die tot een andere gezindte zijn overgegaan, die overleden zijn, die kerkelijk in het huwelijk Ingezegend zijn. (Doop-, lidmaten-, trouwboek).
9. De aanstelling met instructie, de schorsing en het ontslag van godsdienstonderwijzers(essen), voorlezers en voorzangers, behoudens de rechten van derden.
10. De jaarlijksche afvaardiging tot de Classicale Vergadering en het ontvangen van het verslag van hetgeen daar belangrijks is geschied.
11. Het toezicht op het diaconie-beheer, volgens het Reglement voor de Diaconieën. (De diakenen vormen een afzonderlijk college).
12. Het behandelen van zaken van beheer van kerkelijike goederen en fondsen, voor zoover dat aan den Kerkeraad is opgedragen en dit onder toezicht der Kerkelijke Besturen. (Zorg voor het innen van de bijdrage der lidmaten voor de Generale Kas).
[Wordt voortgezet].

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's