FINANCIËN
Weet ge waaraan ik dacht dezer dagen ? Aan dezen dichtregel: „In raadselen wandelt de mensch op aard !"
Of schijnt 't u niet een raadsel, dat terwijl heel de wereld voor de moeilijkste problemen zich ziet geplaatst, welke zij niet weet op te lossen en die dagelijks ên in omvang én in moeilijkheid schijnen te groeien, diezelfde wereld zich bezig houdt met en schatten voor zich opvordert, welke worden uitgegeven voor wat met haar directe belangen in een zeer verwijderd verband staat. We kunnen het ons zoo goed indenken, dat de eenvoudige man er niets van begrijpt.
Hoe kan het, zoo vraagt hij, terwijl de een zegt „daar moet met krachtige hand worden bezuinigd", roept de ander : „voor het doel, dat ik nastreef, moeten geweldige sommen worden bijeengebracht".
Waaraan wij in deze denken, behoeft nauwelijks te worden gegist. Voor de sportwereld zijn tonnen gelds, wat een enkele gulden is voor een zuinige huismoeder. Dat beteekent voor ons niet meer — zoo verluidt het in deze kringen — dan een zaak van organisatie. Als ge de menschen er maar warm voor weet te krijgen, hebt ge zoó geweldige sommen bijeen. Welk land het daarin al heel ver heeft gebracht, is het land van over de zee, Amerika. Fabelachtige sommen waren in een ommezientje bijeen, als 't maar gold iets wat de hartstochten kon opzwiepen. En werd voorheen over die dingen gesproken als iets wonderlijks, iets wat als echt Amerikaansch gold, dat is thans zoo niet meer. 't Is overgewaaid naar alle landen. Een dam, om. dien stroom te keeren, bestaat blijkbaar niet.
Hoe zou dat nu komen ?
Aan de eene zijde heerscht nood, verkeert men in groote zorgen, terwijl aan de andere zijde wordt gedaan alsof men met zijn geld geen raad weet ?Is dat nu iets tegensprakigs, iets wat tegen elkaar indruischt ? Of zitten daartusschen ook schakels van verbinding ?
We willen deze kwestie eens onder de oogen zien. 'k Vermeen niet op eenige tegenspraak te stuiten, wanneer ik zeg, dat er geen beter tijden zijn om den menschelijken geest in evenwicht te houden, dan die, waarin al de vermogens van dien mensch worden opgeëischt voor zijn levensbestaan. Een grooter ramp dan werkloosheid is nauwelijks denkbaar. Wanneer al de dagen van de week gelijken op dien van den rustdag, is die rust erger dan de grootste vermoeienis. Uit dit kwaad wordt ander en grooter kwaad geboren. Niet enkel het lichaam lijdt daaronder, doch nog méér de geest. Deze zoekt naar een doelwit en vindt dit niet.
Ziedaar de zucht naar vermaak, naar spel, naar prikkeling.
Alles heeft hij daarvoor veil. Zou het niet voorkomen, dat van de karig toebedeelde steungelden nog moeten worden overgeboekt op intree voor bioscoop en sportvelden ?
Iets ledigs vindt ge nergens; elk ledig wordt gevuld. Wanneer het geen werkelijke dingen zijn, zoo wordt naar schijn gegrepen. In dit laatste ligt de schakel naar 't terrein, waarover in dezen ook niet kan worden gezwegen. 't Is niet één groep van menschen, doch hetzelfde verschijnsel doet zich voor over heel de linie. (Denkt maar eens aan de wintersport. Alle landen hebben hun vertegenwoordigers gezonden naar de plaatsen, waar men zijn krachten met elkaar zal meten op het smalle ijzer of door zijn glijden over de sneeuw. Degenen, die hieraan mee doen, behooren tot de armeren niet, doch zoo niet uitsluitend, toch voor een zeer hoog percentage tot de gegoeden dezer wereld.
Op de vraag, wat de meesten daartoe dringt, krijgt ge hetzelfde antwoord als overal : „de eentonigheid van het leven zoeken wij te breken op deze wijs". Of : „onder de buitengewone druk van onze tijd kan door zulk'n verpoozing niet anders dan een gunstig resultaat worden verkregen. Wij hebben dit noodig".
Zoo ziet ge, hoe de uitersten elkander ook hier weer raken. Aan de eene zijde weet men met moeite het budget nauwelijks sluitend te maken, aan de andere zijde wordt met schatten gespeeld. Wanneer van dat laatste mij een overzicht wordt voorgelegd, komt niet zelden de gedachte bij me boven : „Wat jammer, dat waar de wereld zoo gemakkelijk hare gelden verstrekt, er bij ons, wat de zaak van Gods Koninkrijk aangaat, zooveel objecties worden gemaakt. De wereld is voor de Kerk vaak beschamend.
Hierbij laat ik het, wat mijn inleidend woord betreft, om het overzicht te doen volgen van wat in deze laatste twee weken bij mij inkwam.
1. Ik zal beginnen met een busje. Wij hebben onderscheidene uitgezet, waarvan de opbrengst niet weinig bedraagt. Het verblijdt ons dat in de laatste dagen van meer dan eene plaats aanvragen om deze te zenden , bij me binnenkwamen.
Dezer dagen hoop ik ze te verzenden. Het busje, dat de inhoud afdroeg, is al jaren in handen van onzen vriend Th. A. Faber te Ooster-Nijkerk, d.i. de plaats, waar wijlen onze vriend ds. Van der Snoek het Woord mocht bedienen. Of hierin verband bestaat, weet ik niet. Misschien dateert de inzameling al van ouderen datum. Dit weet ik wèl, dat dit busje tot een van de beste mag worden gerekend.
Ditmaal was de opbrengst ƒ 12.50 Wij danken onze Friesche vrienden voor deze blijken van meeleven zeer hartelijk.
2. Te Rhenen waren ook enkele busjes geplaatst. Wij verheugen ons in het feit, dat de hand, die deze te verzorgen kreeg, ook thans weer door Gods goedheid daartoe werd bekwaamd.
De opbrengst was hooger dan ik had durven hopen, n.l - 12.01 Godes zegen ruste rijkelijk op beiden, op gevers en het gegevene.
3. Onze collga Hovius deed een goed werk, door ook de catechisatiebus in zijn nieuwe gemeente Ouddorp disponibel te stellen voor onze fondsen. Hij heeft me verblijd met de toezending van - 7.50 Onze vriendelijke dank daarvoor.
4. Uit de collectezak van de Baarnsche gemeente wordt ons gedurig een bijdrage toegezonden, waarvoor wij onze erkentelijkheid mogen betuigen. Ditmaal was gecollecteerd in het gebouw „Calvijn" - 5.— 5. Thans volgen enkele collecten,
gehouden bij spreekbeurten.
De eerste kwam uit Rotterdam (C). Na aftrek van enkele noodzakelijke uitgaven bedroeg deze - 15.19
Ds. Remme, van Amsterdam, ging hierbij voor. Wij zeggen hiervoor de Rotterdamsche vrienden dank.
6. Te Kesteren heeft collega Steenbeek, van Oudewater, een spreekbeurt geleid, waarbij ook een collecte voor onze fondsen werd gehouden. Deze bracht op - 19.75 't Deed ons goed, dat de Kerkeraad van Kesteren ook ons werk heeft willen steunen. Daarvoor vriendelijk dank.
8. In Middelharnis en Dirksland heb ik, toen mij werd gevraagd om aldaar op een Zondag voor te gaan, een collecte mogen houden voor onzen arbeid.
De collecte bedroeg te Middelharnis - 20.— In Dirksland bedroeg deze - 34.— 'k Zeg de beide Kerkeraden zeer vriendelyk dank voor dezen steun.
9. Nog enkele collecten volgen, n.l. in Hoevelaken werd, terwijl ds. v. d. Hoek, van Rouveen, hier voorging, gecollecteerd - 18.60
Te Gameren, waar ds. Bartlema, van Zeist, sprak, kwam in - 18.25 Te Huizen, waar ds. Van Ginkel, van Renswoude, voorging, werd gecollecteerd. .-54.10 Voor elk dezer betuig ik mijn oprechten dank.
10. Nog een bijdrage voor het Studiefonds kwam in uit Hattem. De Mannenvereen. „Immanuël" zond me thans - 10.40 98
Ds. Bout, van Genemuiden, had hierbij de leiding.
Waar uit dezen kring telkens zulke blijken van meeleven met ons werk mij worden verstrekt, mag ik niet nalaten hiervoor mijn bizonderen dank te betuigen.
11. Uit eigen gemeente kwamen dezer dagen twee posten bij me binnen, n.l. uit de collectezak van de Janskerk van N.N. voor het Studiefonds - 10.— Den onbekenden gever dank ik ten zeerste.
En nu nog van N.N. de eerste bijdrage voor de a.s. Paaschcollecte. Over deze voorbode heb ik me niet weinig verheugd, 'k Hoop dat een rijke oogst mag volgen. 't Was de eerste rijksdaalder - 2.50
Naar den volksmond, het eerste achterwiel. Nu weet een ieder wel, dat een wagen niet gemakkelijk op één wiel zich voortbeweegt. De ontbrekende rollen ook wel naar het erf, waarop mijn wagen staat.
12. Nog één collecte laat ik volgen. Deze kwam uit het hooge Noorden. Nu heeft deze landstreek den naam, dat het er koud is, doch wat mijn ervaringen betreft, moet ik zeggen, dat er ook zoele winden kunnen waaien. Wat voor naam zou ik er beter aan kunnen geven dan deze.
Ds. Remme had het voorrecht te Onstwedde een Zondag te mogen voorgaan in de Bediening des Woords, bij welke gelegenheid hij een inzameling hield voor onze fondsen, die niet minder opbracht dan honderd vijftig gulden, zegge - 150.— 't Roept bij mij een zelfde gedachte wakker, als die bij mij opkwam toen ik ook op een kouden winterdag hier mocht voorgaan, 't Was er goed tusschen de broederen. Gods rijke zegen ruste er op,
Tezamen geteld kom. ik tot een niet onbelangrijke som van f 389.80
Met vriendelijke aanbeveling.
Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's