VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD
Genesis 8 : 15—17. Toen sprak God tot Noach zeggende : Ga uit de ark, gij en uwe huisvrouw en uwe zonen en de vrouwen uwer zonen met u. Al het gedierte der aarde, dat met u is, van alle vleesch, aan gevogelte en aan vee en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan. En dat zij overvloediglijk voorttelen op de aarde en vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen op de aarde.
5e Serie.
XIV.
De Heere handelt wonderlijk met Zijne kinderen. Hij onderwijst en leert hen, zoodat zij allengskens worden voorbereid op de ontvangst van het klare, tot hen persoonlijk uitgesproken woord. In het leven van Gods uitverkoren kinderen is er altijd te merken van een voorbereidenden arbeid des Heiligen Geestes, die hen als rijp maakt om het groote licht te zien opgaan. Zoo was er ook in de dagen, die aan Noach's uitgang voorafgingen, allerlei gebeurd, waardoor Noach toebereid, geschikt werd voor zijn uitgang. Hij had naar zijn eigen inzicht en gegeven de kennis, die hij had van de vogels, raaf en duif uitgezonden. Hij was er van overtuigd geworden, dat de wateren daalden. Ten slotte had hij het deksel afgelicht van de ark, dat hij er zelve eenmaal had opgemaakt, en hij had met eigen oog zich overtuigd van de droogwording der aarde. Hij had zich verlustigd in den aanblik van de nieuwe landouwen. En onder dat al was het gevoel (bij hem levendig geworden, dat hij weldra zou kunnen uitgaan. Maar tot de daad zelve kwam hij niet, durfde hij niet komen, daar hij zich in den weg der redding, dien de Heere voor hem had uitgekozen, zoo diep afhankelijk wist. Hij kon alleen wachten op den Heere, Hem alleen verbeiden, ook al toefde Hij te komen. In dat verbeiden, in dat wachten op des Heeren daad, lag tegelijkertijd een biddend uitzien, een heimwee naar des Heeren komst. De Heere oefent Zijne kinderen in den weg der godzaligheid. Doch daarin komt dan ook het oogenblik, waarop Hij de ziel bezoekt met Zijn heil, waarop Hij als doorbreekt met genade. En zoo geschiedde ook nu. God sprak tot Noach. Hij scheurde de stilte in Noach's ziel, deed het licht opgaan in de donkerheid, want Hij sprak tot Zijn kind.
Met het Woord van God gaat de verlichting op, wanneer het namelijk met de levendmakende werking des Geestes gepaard gaat, zoodat het zich direct en tot ons persoonlijk richt. Zonder dat ligt daar wel het Woord, maar wordt het in het gunstigste geval een louter voorwerpelijk Woord, dat de zielen niet roert, laat staan ontroert. Het Woord, dat alléén in de ruimte klinkt, gaat duizenden voorbij. Zelfs al zou iemand alzoo met een „ja" antwoorden, dan zal het ijdel zijn, omdat het slechts uit den mond, maar niet een ja zou zijn, geweld uit de diepte der ziel. Persoonlijk moet het ons roeren. Klinken in onze ziel als tot ons persoonlijk gericht. De Heere moet ons noemen bij onzen naam. Daarom werd aan de gemeente van Sardis geschreven, dat zij ge denken zou, hoe zij het ontvangen en gehoord had. En zoo moest zij het ook bewaren en zich bekeeren. Noodig is dus, dat God de Heere ons in ons persoonlijk wezen nadert, persoonlijk tot ons het Woord richt. Daarom zegt Hij : „die ooren heeft, die hoore, wat de Geest tot de gemeenten zegt". Zoo heeft de Heere tot Noach Zijn woord gericht. Zijne sprake doen uitgaan, zoodat het bevel in zijne ooren weerklonk : „Ga uit de ark". Daarop was Noach voorbereid en daarnaar had hij uitgezien. En nu was het hem klaar geworden, dat de ure van den uitgang was gekomen. De Heere bracht hem eene blijde boodschap, de tegenstelling van die andere boodschap des heils, die hij van den Heere had ontvangen, toen het gevaar naderde en de opkomende vloed aller menschen leven bedreigde. De Heere had toen tot Noach gesproken Zijn reddend woord : „Ga gij en uw gansche huis in de ark". En nu, als met een weerslag daarop, klinkt het van Godswege in zijne ooren : ,, Ga uit de ark". De Heere had aan zijnen knecht Noach gedacht om hem te bewaren van den dood, waaraan de gansche wereld ten prooi zou vallen. Hij had aan hem gedacht, toen de vloed de aarde overstelpte en de ark zwalkte over de wateren. Hij had ook aan hem gedacht, wanneer Noach meende vergeten te worden en vreesde, dat zijn weg aan den Heere voorbijging. En zoo toonde Hij ook nu hem niet vergeten te zijn. Daarom bracht Hij aan Noach de blijde boodschap van zijnen uitgang. Inderdaad, na zoo lange, maar menschelijk Inzicht, zoo benauwende omzwerving, was het als een evangelie des heils, dat in zijne ooren weerklonk, toen de Heere als met luider stemme tot hem zeide : „Ga uit de ark".
In alle de dagen, dat hij in de ark toefde, lezen wij niet, dat Noach Gods stemme hoorde. Slechts bij zijn ingang en bij zijn uitgang gaat de hemelsche sprake tot hem. uit. En bij deze beide gelegenheden waren die woorden Gods, hoewel zij het tegengestelde inhielden, voor Noach een bron van blijdschap. Toen de Heere zeide : „Ga in de ark", toen heeft Noach in die woorden verstaan de sprake der reddende genade. Hij had met het oog des geloofs profetisch den ondergang der wereld voorzien en door genadelicht Gods geleld, de ark gebouwd tot behoudenis van zichzelven en van de zijnen. En toen de Heere hem den ingang in die ark bevolen had, moest hij dat bevel wel als een wonderdaad van Gods genade ontvangen. En wie een daad van genade ontvangt, zoo groot en machtig, op zoo wonderbare wijze, die moet wel verblijd zijn van hart. Zoo was het immers ook met den Psalmist, die geklaagd had over banden des doods en angsten der hel, over benauwdheid en droefenis. Toen hij den Naam des Heeren aanriep en ervaren mocht, dat de Heere zijne ziel redde van den dood, zijn oog van tranen en zijn voet van aanstoot, toen nam hij den beker der verlossingen op, toen brak hij uit in den jubel, wilde hij zijne geloften den Heere betalen. De ontvangen en verzegelde genade baart den jubelzang der verlossing, waarin zich de diepgevoelde blijdschap des harten uitspreekt. Als de Heere met gaven der genade Zijn intocht houdt in de ziel Zijner kinderen, dan is voor Zijn volk de blijdschap gezaaid. En al was dus die ingang in de ark voor Noach, die den ondergang der aarde komen zag, op zichzelf beschouwd iets vreeselijks, toch was er in, die wondere redding, waardoor deze Noach uit de gansche wereld als een gekende des Heeren werd behouden, ook een grond voor diepgevoelde blijdschap. Een blijdschap, zooals Gods kind die smaken mag, wanneer het hem aan de ziel wordt verklaard, dat de Heere de stemme zijner smeeking heeft gehoord. Zoo was Noach ingegaan met vreugde, over het heil, aan hem bewezen, over de goedertierenheid des Heeren, over de vrij machtige verkiezende daad, die aan hem bewezen was, die zichzelven toch niet beter achtte dan die wereld, al had hy profetisch haar opgeroepen tot bekeering. Noach had zijne ziel en al de zijnen als een buit uitgedragen uit de ondergaande wereld. En toen de Heere tot hem zeide : „Ga in de ark", toen gold hem dat Godsbevel als de reddende genadedaad. Toen was er vreugde in zijne ziel geweest, ondanks al de ontroering, waarmede het oordeel, dat over de wereld komen moest, hem vervulde.
En nu sprak de Heere wederom tot hem. Zoolang hij daar ronddreef over de wateren, had hij wel begeerd de stem des Heeren te hooren, doch haar niet gehoord. Zelve had hij de proeven met de vogels toedacht om zich te vergewissen over den stand der wateren op de aarde. Hij had verstand, met goddelijk licht bestraald, doch dat sloot niet in, dat hij ieder oogenblik de stem des Heeren hoorde. (Die Heere leidt de blinden langs den weg, dien zij niet geweten hebben. Zoo had Hij ook Noach geleid bij zijne overleggingen en hem indachtig gemaakt de natuurlijke kennis, die hij van de vogels had. Doch de sprake des Heeren was niet tot hem uitgegaan. In het leven van Gods kinderen is het beluisteren der stemme Gods als in hoorbare klanken beperkt tot die enkele oogenblikken, waarin de Heere bijzondere, buitengewone bemoeienis maakt met de zijnen. En zoo was het nu ook in Noach's levensgeschiedenis. Buitengewoon was de ingang in de ark aan Noach met luider stem bevolen. En nu de ure gekomen was, waarop hij de ark verlaten moest, nu was er weder een bijzonder tijdsitip aangebroken. Met den ingang in de ark werd hij uit de wereld uitgenomen. Hij moest haar verlaten, achterlaten zonder verder naar haar om te zien. Hij had zijn profetischen arbeid aan haar volbracht en daarmede was het einde gekomen van de lankmoedigheid Gods. Noach alleen werd behouden. En dat was zulk een geweldige, zulk een voor het natuurlijk verstand ongelooflijke tegenstelling, dat was zoo buitengewoon, zoo wonderbaar, dat de Heere tot Noach als met hoorbare stemme sprak : „Ga gij in de ark". Uit de geheele ondergaande wereld wordt die ééne Noach geroepen. Die roeping moest wel op eene treffende, klare, opvallende wijze worden voltrokken. Daarom hoort hij de stemme Gods, spreekt de Heere. In die sprake des Heeren is dus het bijzondere en buitengewone ons voor oogen gesteld.
En nu is de uitgang uit de ark aangebroken. Was de ingang gepaard met het verlaten van de wereld, met het afscheid van haar, bij den uitgang is het precies andersom. Als de Heere tot Noach zegt: „Ga uit de ark", dan wordt daarmede voor Noach de aarde weder ontsloten. En daarmede opent Hij voor dienzelfden Noach, dien Hij eerst uit de ondergaande wereld had uitgeleid, geheel nieuwe vergezichten over een aarde, die als eene hernieuwde aarde uit den vloed was geboren. Voor Noach's oog ontsloten zich de drooggelegde velden. Hij zag in het ver verschiet de nieuwe toekomst voor zichzelven en voor de zijnen. En profetisch aanschouwde hij de levenstaak, die in de nieuwigheid van het aardsche leven voor hem lag. Toen klonk andermaal het woord des Heeren in zijne ooren : „Ga uit de ark''. En ook dit was een woord, dat zijne ziel met blijdschap vervulde. De Heere verzegelde hem daarin de verlossende daad en Hij deed hem de levensroeping verstaan, die daarin geworteld lag. Een herboren aarde kreeg Noach terug in de plaats der oude, die hij op Gods bevel had verlaten. En met de gave dezer nieuwe aarde gaat nu gepaard een nieuw leven, waarvoor de Heere hem de oogen opent. Noach wondt met zijne gansche familie op die vernieuwde aarde overgebracht. De Heere leidt hem er in. En daarom. God spreekt ook nu weder. Bij het begin van den vloed had Hij gesproken, nu het einde van den vloed daar is, spreekt Hij wederom. Het bijzondere in de genadeleiding des Heeren wordt met bijzondere openbaringen begeleid, opdat Gods kinderen zullen weten, zeker zullen zijn, verzegeld zullen worden in hun hart en dus alle twijfel zal worden uitgebannen. Zoo doet de Heere met Noach bij zijn ingang en zijn uitgang, die Hij dus beide bewaakt, zoodat de belofte aan hem wordt vervuld : „De Heere zal uwen ingang en uwen uitgang bewaren van nu aan tot in der eeuwigheid".
Zoo wordt in Noach's geschiedenis geleerd, hoe de Heere onder verschillende omstandigheden aan elkander tegengestelde middelen en wegen aan Zijne kinderen voorschrijft, voor welke Hij toch eene even stipte gehoorzaamheid vordert. Hij beproeft het geloof en de gehoorzaamheid Zijner kinderen en bereidt hun alzoo naar de vrijmacht Zijner genade eene geheel ongedachte uitleiding uit de dreigende gevaren. Hij stelt hen in de ruimte, verblijdt daarmede hunne ziel en opent voor de Zijnen nieuwe en schoone levensdoeleinden. Zoo bevestigt Hij in het leven der Zijnen Jezus' woord aangaande de wedergeboorte Zijner kinderen. Hij geeft hun de belofte, dat zij, die Hem gevolgd zijn in de wedergeboorte en verlaten hebben huizen, of broeders, of zusters of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers om Zijns Naams wil, in heerlijkheid zullen Ingaan, dat zij honderdvoud weder ontvangen en het eeuwige leven beërven. Die belofte werd ook aan Noach bevestigd, toen de Heere tot hem zeide : „Ga uit de ark" en voor zijne oogen de schoone landouwe zich uitstrekte, die hem profeteerde van een nieuw leven van arbeid voor zich en de zijnen op de droog geworden aarde, die voor Noach's oog zich ontplooide, door het eeuwig licht van Gods genade bestraald.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's