De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BEKEERING VAN K. VAN GENNE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BEKEERING VAN K. VAN GENNE

6 minuten leestijd

10) Ik ging mijn weg dan maar gemoedigd voort en mocht mij in nederigheid des harten in mijn God verblijden. Maar ik dacht gedurig toeter te worden, als ik van boven iets mocht ontvangen, waarin ik door en met mijzelven bedrogen werd. Hoe hartelijk ik het ook begeerde, dat ik toch meer tot eer van dien God mocht leven, die mij uit zulke groote nood en dood verlost had, zoo moest ik het tegendeel tot mijn innigste smart gedurig ondervinden. Ja, ik moet zeggen, dat mijn ongelijkvormigheid hoe langer hoe meer werd. Mijn hart leverde allerlei gruwelen op als een bron zijn water opwelt; maar ik mocht hierover ook weer hartelijk vernederd worden voor God. Ik kreeg ook soms een ruime toegang tot de genadetroon, ziende op mijn dierbaren Zielevriend, en ik mocht het verbond dan weder vernieuwen en met mijn hart en hand schrijven : ,,Ik ben des Heeren", zoodat ik dan weer in 't lieflijk licht van Gods aangezicht leven en verkeeren mocht, dagen, ja, weken achtereen. Ik werd wel eens weer neder geworpen, maar ook spoedig door mijn medelijdenden Hoogpriester opgericht. Hij goot als de barmhartige Samaritaan gedurig olie en wijn in de wonden, zoodat ik menigmaal met een vol gemoed moest uitroepen : „Zulk een is mijn Liefste, ja zulk een is mijn vriend, o dochters van Jeruzalem" (Hooglied 5 vers 10. O, dat zalige zakken en zinken op dien gezegenden Heiland ; dat is beter te ondervinden, dan in woorden te brengen. Ik mocht ook bij oogenblikken door Jezus tot den Vader gaan, hoewel dat toen nog zelden gebeurde. Ik werd ook hier wel over aangevallen, dat ik meer met den tweeden Persoon als met den Eersten van het aanbiddelijk Wezen werkzaam was, doch het woord van den Zaligmaker keerde deze bedenkingen ook al weer af : „Ik en de Vader zijn één" (Joh. 10 vers 30). „Die Mij liefheeft, zal van Mijnen Vader geliefd v/orden" (Joh. 4 vers 21), en daar had ik dagelijks de gevoelige blijken van. Ik was tenminste bij­ zonder gezet op gevoelige en zoete gestalten. Had ik die niet, dan was ik zeer bekneld en verlegen, en dan wist ik menigmaal niet wat er aan scheelde, waardoor ik zoo bezwaard in mijn ziel was. Ik wist nog niet om Jezus" gerechtigheid dagelijks te gebruiken tot vrede met God, somtijds wel, maar dan kon ik er weer geheel blind voor zijn. Zag ik dan op mijn bederf, dan zonk menig keer alle moed en ik vreesde dan nog wel dat ik mij nog bedroog. Het kon toch wel zoó nabij komen, terwijl het schijn en nog geen zijn was. O, dan vreesde ik nog of 'mijn hart wel oprecht voor God was, want het was toch nog zoo vol van binnen van doode en goddelooze werken, terwijl toch de leer van Jezus en Zijn apostelen al op heiligheid aandringt. Dan was ik weer bevreesd om met de hond tot zijn uitbraaksel weer te keeren en met de gewassenen zeug tot de wenteling des slijks. Dit duurde evenwel maar korte oogenblikken, dan werd ik weer in de zaligste ruimte gesteld en kon dan ook weer met veel vrijmoedigheid met mijn hemelschen Bruidegom omgaan, ja, als Mozes mocht ik in mindere mate met den Heere spreken van aangezicht tot aangezicht. Tusschenbeide had ik veel sierkte voor mijn genadestaat en ik mocht mij gedurig verwonderen over Gods nederbuigende goedheid, eeuwige ontferming en onnaspeurlijke liefde, dat Hij juist op mij had neergezien, zoodat ik gedurig moest zeggen : „Waarom mij en niet een ander, die geschikter is, die ook zoo zondig niet is, als ik mij zie". Ik gevoelde mij dan ook gedrongen cm mij geheel aan den Heere over te geven, met ziel en lichaam. Hem ten 'dienste. Ja, al had ik duizend zielen en lichamen gehad, ik had ze gaarne aan Hem gegeven. Somtijds ging ik een lange tijd in die gevoelige gestaltenis ; ik had dan ook niet te strijden en het was dan alsof ik al overwonnen had, maar tot mijn allerdiepste droefheid kreeg ik voortdurend de nederlaag van mijn onverzoenlijke vijanden, die het op mijn ondergang gemunt hadden.
De Overwinning Israels overwon echter aan het kruis, waar Hij den Satan den kop vermorzelde, de wereld overwon en de zonde veroordeelde in Zijn vleesch. Ik had dezelve maar achter Hem te dooden in de kracht van Hem, en somtijds werd ik ook kennelijk ondersteund in den strijd en bemoedigd met het heerlijk loon, aan de wettige strijd beloofd. Als ik op mijzelven zag, dan was er in mij geen kracht, maar ik moest zeggen met den vromen Josafat: ,,Mijne oogen zijn op U; och, Heere Jezus, mijn vijanden zijn immers ook de Uwe en de Uwe zijn de mijne, geef kracht, opdat ik in de strijd niet mag onderliggen, maar altijd sterke tegenstand mag bieden, totdat ik eindelijk geheel mag overwinnen". Zoo werden zij ook menigmaal op het gebrekkig gebed beteugeld. Op Zijn wenk was het : „Laat af van dezen". O, wat zijn ze gelukkig, die dezen Koning toebehooren en onderdanen van den Heere Jezus zijn.
Ja, ik mocht de veiligheid bij mijn Zielevriend ook gedurig inzien en gevoelen en met Paulus in volle verzekering des geloofs uitroepen : „Wie zal mij scheiden van de liefde van Christus, verdrukking, benauwdheid of honger, of naaktheid of gevaar of zwaard ; ja, in dezen zijn wij meer dan overwinnaars" enz. Ja, ik moest er dit menigmaal uit de volle verzekering des gemoeds bijvoegen : „Ik ben verzekerd dat noch dood, noch leven, noch duivelen, noch Overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogten, noch diepten, noch eenig ander schepsel mij zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die daar is in Christus Jezus. Ik werd ook gedurig op de weg, die de Heere met mij hield, verkwikt met de zielroerendste beloften, die ik nu kon aannemen als in en door den Verbondsmiddelaar alle in Hem Ja en Amen, Gode tot heerlijkheid. Ik kon mij nu gedurig op Hem verlaten als mijn Zaligmaker en verkeerde somtijds met Hem als een man met zijn vriend ; ik gevoelde veel overgetoogenheid om het Lam te volgen, waar het ook ging, en daar mijn weg diep was voor het uitwendige, zoo mocht ik menige keer met de tranen in de oogen uitroepen : „Vader, niet gelijk ik wil, maar Uw wil geschiede", zoodat mij de stilheid en gelatenheid mijn weg zoo dragelijk maakte, dat ik van vreugde menigmaal in mijn ziel opsprong. Wat vermag toch de genade niet.
Hoe donker ook Gods weg mag wezen. Hij ziet in gunst op die Hem vreezen.

[Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

BEKEERING VAN K. VAN GENNE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's