De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

23 minuten leestijd

„VELDWIJK” VIJFTIG JAAR
Wij willen nog even terugkomen op 't feit, dat 28 Januari 1886 de eerste Stichting der Vereeniging tot Christelijke verzorging van krankzinnigen, de stichting „Veldwijk" te Ermelo geopend werd. Dat was een blijde gebeurtenis voor allen die den Naam des Heeren, in de openbaring van Jezus Christus onzen Heiland en Zaligmaker, liefhebben. Want er was in heel ons land geen toevluchtsoord voor geesteszieken, waar de Naam van den Heiland in eere was. Er v/aren slechts „neutrale" rijksgestichten ! Waar de Bijbel ontbreekt, waar geen christelijke lectuur is, waar alle geestelijke leiding van het huis zelve ontbreekt, omdat men.... „neutraal" moet zijn. Wat hebben wij toch, in vergelijk van de eerste helft van de 19de eeuw, nu, in de eerste helft van de 20ste eeuw vele en groote voorrechten boven ons voorgeslacht. Laat men, vooral waar nu de dagen zoo donker en de tijden zoo zwaar zijn, toch niet over 't hoofd zien de ontzaglijk groote en de zeer vele voorrechten, die wij nu uit de hand van onzen trouwen Bondsgod ontvangen mogen, op elk terrein des levens: voor de kerk, de school, de jeugd, ook voor onze zieken !
Maar om nu nog even terug te komen op het vreugde-feit van de stichting van „Veldwijk" in het merkwaardige — maar roerige — jaar 1886, toen èn kerkelijk èn politiek de geesten zoo zéér bewogen waren. Wat oordeelde het vriendelijke liberalisme, het denkend deel der natie, de intellectueelen, die cultureel zoo hoogstaande vrijzinnigen over deze daad van de belijders van den Naam des Heeren ?
In het feest-en gedachtenisnummer van Refahja, zoo aantrekkelijk door de vele ge-illustreerde artikelen, wordt er nog even aan herinnerd, dat men, o.a. sprak van „het opmerkelijk verschijnsel, dat juist die geloovige drijvers op kerkelijk en politiek gebied, die zoovelen krankzinnig en zenuwziek maken, zich gedrongen gevoeld hebben een toevluchtsoord te stichten voor krankzinnigen en zenuwlijders van hun soort en partij, waar ze die ongelukkigen willen genezen met deszelfde geneesmiddelen als waarmee de kwaal is teweeggebracht. Helaas, hun grootheidswaan zet zich zelfs voort in een stichting voor verbijsterden „op Gereformeerden grondslag.
Voor vijftig jaar leefde het liberalisme dus bij de gedachte — 't is niets nieuws voor ons — dat men bij zieken, ook bij geesteszieken, met de godsdienst de zaak niet moest verknoeien en bederven. En bij de „christelijken" was „grootheidswaan", vooral bij degenen die van „gereformeerde belijdenis" zijn. Zoo was het op kerkelijk terrein, op schoolgebied', in de politiek, bij de ziekenverpleging en de geneeskunst, ja, overal! De godsdienst er buiten ! En geen „grootheidswaan" bij de „christelijken" zou geduld worden.
En waar is men terecht gekomen op elk terrein ? Zie eens op kerkelijk gebied. En om maar één ding daar buiten te noemen: waar is men aangeland met de Openbare School en den eisch "de godsdienst er buiten" ?
Wat moest het Liberalisme dankbaar zijn voor onze Scholen met den Bijbel en voor onze christelijke stichtingen van barmhartigheid ! De Heere geeft ons Volk en Vaderland wel groote voorrechten !
Laat ons christen-volk van Nederland dankbaar zijn. En laat ons moedig voorwaarts gaan, ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des Geloofs Jezus Christus. Hij, die het beloofd heeft, is getrouw. Hij zal het voor ons volenden ; Hij, de Levensbron. Dat er dan een volk gevonden mag worden, dat in Hem gelooft en mag vertrouwen op Zijn Woord en op Zijn beloften.

DE BIJBEL OP DE OPENBARE SCHOOL
De Openbare School en de Bijbel. Dat is iets anders dan de Openbare School met den Bijbel. Dat laatste zou zijn : dat men de Openbare School met den Bijbel en naar den Bijbel ging inrichten, 't Eerste is, men wil de Openbare School laten zooals ze is, maar er een oogenblik van den dag of een dag in de week een Bijbel binnen halen, om in de onveranderde Openbare School — strikt neutraal zijnde !! — een oogenblik te laten vertellen uit den Bijbel of te laten spreken over den Bijbel.
Door wie ? En hoe ? In welke toon en in welken geest ?
Ja dat is nu juist de moeilijke kwestie. Wie zijn heb of zullen het zijn, die den Bijbel ter hand nemen op de Openbare School ? En zal het de kinderen van ons volk, die nog de Openbare School bezoeken (waarom ? toch niet omdat het onderwijs op de Openbare School beter is dan op onze Scholen met den Bijbel ? Maar zeer beslist omdat ze — nu ja — van dat „christelijke" niets hébben moeten, nader brengen tot de heilsgeschiedenis, tot de kennis van God en Christus, tot het rechte begrip van de ware religie ?
Laat men eens eerlijk zijn bij het beantwoorden van deze vragen !
De practijk van de Staatsschool en de Bijbel (waar óók nog wat aan godsdienst, óók nog wat aan bijbelkennis wordt gedaan) in Duitschland is niet moedgevend. De berichten over de Engelsche Scholen doen ook 't voorhoofd fronsen.
Uit het Correspondentieblad van de Vereeniging van Chr. onderwijzers en halen we deze woorden aan :
„In 1934 heeft dr. C. P. Fothergill op de ,,bible Campaign Conference" te Londen dit getuigd van de Engelsche Openbare School, waar de Bijbel wordt onderwezen : „Waar men in Engeland een Openbare School bezoekt, overal is het godsdienstig half-uurtje tot een formaliteit geworden. Heel een jong geslacht groeit op zonder kennis van de eerste elementen van het Christendom; practisch zijn het heidentjes, groot wordend in een Christenland".
De Voorzitter van de Bijbel-Conferentie mr. A. Lindsay Glegg, voegde hieraan toe : „Het is vreeselijk : juist op een leeftijd, waarop de kinderen het meest ontvankelijk zijn, waarop wij ze moesten opvoeden in het allerheiligst geloof, juist op die leeftijd hooren ze het Woord Gods critiseeren, belachelijk maken en uiteenrafelen (torn to pieces).
Tot zoover de aanhaling uit het Correspondentieblad.
Laat men toch duidelijk omschrijven wat men wil in zake de school, het onderwijs en het opkomend geslacht. Is heb te doen om den Bijbel als Gods Woord ? Wij willen niet, dat men 99 boeken neerlegt en er een Bijbel bij voegt en dan zegt: nu liggen er 100 boeken. 'Dat willen wij niet! Wij willen, dat de Bijbel zal zijn het Boek, het geheel éénige boek, het Woord Gods. Daarom willen we ook, dat er gesproken zal worden van onze kinderen opvoeden in het allerheiligst geloof". Het is ons er maar niet om te doen „dat ze wat van den Bijbel zullen weten." En hoe dan nog ? Want men heeft in de Klasse-Onderwijzer al gesproken van „baldadig geflodder". Wij willen, dat de Bijbel zal ter hand genomen worden door menschen, die den Bijbel eeren als het Boek, het Boek der boeken, Gods Woord. En dat kan de Regeering en de Rijks-wet voor de Openbare-of Staatsschool nooit voorschrijven noch waarborgen. De Regeering kan niet voorschrijven noch waarborgen, dat in Amsterdam, Zwolle, Rotterdam, Maastricht, Sneek, Groningen, Assen enz. op de Openbare School onderwijzers en onderwijzeressen zullen zijn, die den Bijbel zullen nemen als het Boek der boeken, als Gods Woord, om de kinderen op te voeden in het allerheiligst geloof. Dat kan nooit. Dat kan ook in Nederland niet. En daarom moeten we voorzichtig zijn met een Openbare School en den Bijbel. Is de Bijbel daar veilig ? Zijn onze kinderen daar veilig wat het allerheiligst geloof betreft ?
We moeten de oplossing zoeken in den weg van de School met den Bijbel; de School naar den Woorde Gods, opkomend uit het midden van de maatschappij, opkomend uit de kringen der geestverwante ouders en vrienden van het christelijk onderwijs ?
Hierin heeft de Heere Nederland gezegend boven andere landen. En die zegeningen moeten we niet gedachteloos gaan vergooien ; maar we moeten kloek voor ons beginsel uitkomen, om de wille van het kind, om de wille van gezin en school, van Volk en Vaderland !

KERK — CHRISTUS
Kerk en Christus moeten, in één adem worden genoemd. De Kerk is van Christus en van niemand anders. Hij is haar Hoofd en Heere, haar Koning, Wetgever, Rechter. En de Kerk is; Zijn huis. Zijn eigendom. Zijn lichaam. Spreekt de Kerk het niet eiken Zondag in haar geloofsbelijdenis uit: „Hij is onze Heere" ? En beteekent dat niet, naar de mooie verklaring van onzen Catechismus : „Dat Gods eeniggeboren Zoon, onze Heere, ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed gekocht en van alle geweld en heerschappij des duivels verlost heeft, en ons alzoo Zich tot een eigendom gemaakt".
Dat is wat de Apostel schrijft aan de gemeente van Corinthe : „Doch gij zijt van Christus". * (Dat heeft men in 1816 vergeten, dat de Kerk „van Christus is". Toen heeft de Koning met zijn raadgevers gedacht en gezegd : „de Kerk is van ons". En omdat men zei „van ons" heeft men niet gevraagd : „Heere, wat wilt Gij dat wij doen zullen met Uw Kerk ? " Maar men heeft gedacht en gezegd en in practijk gebracht: „wij zullen die Kerk Inrichten en vormen en gaan besturen, zooals wij dat goed vinden".
Het eigendomsrecht van den Heere Christus werd geloochend.
De Koninklijke heerschappij van Christus werd krachteloos gemaakt. Dat is de zonde en de ellende van ons kerkelijk leven van de laatste eeuw (om maar niet verder terug te gaan).
En daar moet schuld beleden worden. Daar moet de genezing worden gezocht. De Kerk is van Christus. En daarom moet Zijn eigendomsrecht (niet óns eigendomsrecht) worden erkend en Zijn heerschappij (niet óns meesterachtig optreden) worden bevorderd. Ook in onze Hervormde Kerk, 't Moet gaan om de heerschappij van Zijn Woord, Om de werking van Zijn Geest. Ook onder óns.
Laten we nog eens even denken aan de Apostolische geloofsbelijdenis, aan ons algemeen, ongetwijfeld christelijk geloof, waarvan we als Kerk elken Zondag getuigenis geven in het openbaar. Dan belijden we als Kerk van den Heiland : „Zittende ter rechterhand Gods", waarmee we, naar het woord van den Catechismus, belijden: „Daarom is Christus ten hemel gevaren, opdat Hij Zich zelven daar bewijze als het Hoofd Zijner Christelijke Kerk, door Wien de Vader alle dingen regeert". En dan komen we uit met de aloude, heerlijke belijdenis : „Dat Hij door Zijn Heiligen Geest in ons, Zijne lidmaten, de hemelsche gaven uitgiet. Alsook, dat Hij ons met Zijne macht tegen alle vijanden beschut en bewaart". (Catechismis Zondag 19).
We moeten weer meer en meer gaan gelooven en belijden, om uit die geloofsbelijdenis ook kerkelijk te gaan leven : „ik geloof één heilige, algemeene (Katholieke) Christelijke Kerk", waarin dan de belijdenis ligt: „Dat de Zone Gods uit het gansche menschelijke geslacht Zich eene gemeente tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord in éénigheid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt".
En ook onze aloude Hervormde (Gereformeerde) Kerk moet meer en meer gaan belijden : „Wij zijn van Christus en wij wenschen te luisteren naar Zijn Woord, te leven door Zijn Geest, te wandelen in Zijn Waarheid, te handelen naar Zijn wil".
„Wij gelooven en belijden" — zegt artikel 27 van onze Ned. Geloofsbelijdenis — „eene eenige Katholieke of algemeene Kerk, welke is een heilige vergadering der ware Christ-geloovigen, alle hunne zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewasschen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest".
zóó moeten we ook willen, dat het in onze Nederlandsche Hervormde of Gereformeerde Kerk uitkomt, in haar kerkelijke openbaring, dat wij „van Christus" zijn, „de hals buigende onder het juk van Jezus Christus". (Artikel 28 Ned. Geloofsbelijdenis).
Dan zal onze Ned. Hervormde of Gereformeerde Kerk „de reine prediking des Evangelies moeten oefenen ; de reine bediening der Sacramenten gebruiken, gelijk ze Christus ingesteld heeft; en de kerkelijke tucht moeten oefenen, om de zonden te straffen". „Kortelijk, men zal zich moeten aanstellen naar het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen, die daartegen zijn, houdende Jezus Christus voor het eenige Hoofd". (Artikel 29 Ned. Geloofsbelijdenis).
Dan zullen de kenmerken van ons, leden der Kerk, moeten zijn naar de beschrijving van onze Ned. Geloofsbelijdenis, art. 29, waar we lezen : „En aangaande degenen, die van de Kerk zijn, die kan men kennen uit de merkteekenen der Christenen, te weten : uit het geloof, en, wanneer zij aangenomen hebbende den eenigen Zaligmaker Jezus Christus, de zonde vlieden en de gerechtigheid najagen, den waren God en hun naaste lief hebben, niet afwijkende noch ter rechter-noch ter linkerzijde, en hun vleesch kruisigen met zijne werken". „Daartegen strijdende door den Geest alle de dagen huns levens, nemende gestadig hunne toevlucht tot het bloed, den dood, het lijden en de gehoorzaamheid des Heeren Jezus, in Wien zij vergeving hunner zonden hebben, door het geloof in Hem". Dan spreken we ook uit met artikel 30 van de Ned. Geloofsbelijdenis : „Wij gelooven, dat deze ware Kerk geregeerd moet worden" (en nu komen we meer bijzonder op het institutaire leven van de Kerk, die we als organisme èn als Instituut moeten nemen) „naar de geestelijke politie (regeeringswijze), die ons onze Heere heeft geleerd in Zijn Woord, namelijk dat er Dienaars of Herders moeten zijn, om Gods Woord te prediken en de Sacramenten te bedienen ; dat er ook Opzieners en diakenen zijn, om met de Herders te zijn als de Raad der Kerk ; en door dit middel de ware religie te onderhouden, en te maken, dat de ware leer haren loop hebbe ; dat ook de overtreders op geestelijke wijze gestraft worden en in den toom gehouden ; dat ook de armen en bedrukten geholpen en getroost worden, naardat zij van noode hebben".
Zóó moet de Kerk, ook onze Ned. Hervormde of Gereformeerde Kerk „van Christus" zijn. En wij verheugen er ons over, dat er gelukkig nu onder ons anders over gedacht wordt dan honderd en ook dan vijftig jaar geleden, in de dagen van de Afscheiding en van de Doleantie.
Die heengegaan zijn, zullen dat zelf moeten verantwoorden.
Wij, die gebleven zijn, zullen in geloof en liefde en vervuld met hoop, moeten voortgaan met het werk, ons door den Heere toebetrouwd. Ook hier geldt: Die het beloofd heeft, is getrouw, dat Hij het óok doen zal.
Want — van de genade Gods, die wil herstellen wat gebroken ligt, wordt dikwijls veel te weinig verwacht. Omdat we dikwijls veel te veel van ons zelf verwachten !

Kohlbrugge, zijn levensgeschiedenis.
XI.
In weerwil van de Synodale bepaling wendde Kohlbrugge zich andermaal tot den Kerkeraad. Hij schreef : „ik heb gedaan wat ik kon ; eisch van mij niet het onmogelijke. Zend mij binnen 14 dagen, indien het mogelijk is. Uw antwoord". Het antwoord kwam binnen 14 dagen ; maar het was een verwijzing naar de door de Synode gemaakte nieuwe bepaling.
Intusschen was het October geworden. Kohlbrugge richtte nu een schrijven aan het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland en vroeg : stel een onderzoek in, welke de Algemeene Synode verlangt, en overtuig U van mijn onbesproken gedrag. Na vijf maanden (zegge vijf maanden) kwam antwoord'. (21 Febr. '31). En wat voor antwoord, ? ! Men had zich in Amsterdam bij de Hersteld-Luthersche Gemeente vervoegd en van daar vernomen, dat weliswaar geen bezwaren tegen Kohlbrugge's levensgedrag konden worden ingebracht, maar dat hij tegen zijn oudere collega's, zoodanig was opgetreden, dat zijn afzetting als hulpprediker volgen moest, maar dat men hem uit christelijk medelijden niet uit de gemeente had ultgestooten.
Wist men nu niet genoeg ? Een hoogst ongemakkelijke onruststoker was hij dus ! En die kan men in de Kerk niet gebruiken !
Hem zelf echter deelde men mee, dat een antwoord niet gegeven kon worden, omdat een formeele fout was gemaakt: „het verzoek had door den Kerkeraad van Utrecht moeten worden ingediend, niet door Kohlbrugge zelf ! Overigens komt de Synode spoedig samen, men hebbe tot op dien tijd geduld". En zoo hield men in Amsterdam en in Utrecht samen de touwtjes vast, om de zaak naar believen heen en weer te trekken en de eene corporatie verborg zich achter de andere ! Waarlijk geen stichtelijke aanblik! En hoogst onstichtelijk viel de beslissing der Synode (van 17 Mei) uit: „het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland kan, na gedaan onderzoek, niet verklaren, dat er geen bezwaar bestaat om H. F. Kohlbrugge toe te laten tot het lidmaatschap van onze gemeente". Bij dit antwoord kwam alles in opstand bij den mishandelden man. Alleen al de vorm van het schrijven was zoo prikkelend, omdat men in 't eerste oogenblik niet kon weten, of de beslissing gunstig of ongunstig bedoeld was ! En dan die koude afwijzing, zonder opgave van redenen ! Alleen al die gebruikelijke zegenwenschen aan 't slot. 't Was om te vertwijfelen ! Neen, het was „goddeloos" (Kohlbrugge) .
Mocht K. niet vragen naar de oorzaken van deze kwade behandeling ! Moest hij, om de ernst van zijn stap inzake de belijdenis aan te toonen, niet verlangen, dat hij gehoord, werd ? En nu antwoordde men hem : „hij kon het persoonlijk eens probeeren bij 't Kerkbestuur". (Op deze wijze was men dan van de lastige vrager af).
De samenspreking, die daarna plaats vond tusschen den President van het Prov. Kerkbestuur van Noord-Holland, ds. Van Slogteren, en Kohlbrugge, kunnen wij niet nalaten hier woordelijk mee te deelen, zooals K. het zelf opgeschreven heeft. Zij laat ons een diepen blik slaan in de ziel van een Kerk, die met de kleinzieligste middelen een man, van wien zij onrust en beroering meende te moeten vreezen, verre van zich probeerde te houden. (Klugkist Hesse : Kohlbrugge, bladz. 102 enz.).
»Op Zondag den 30sten Juli bevond ik my in Hoorn en vervoegde mij om 12 uur bij ds. Van Slogteren, den Praeses van het Prov. Kerkbestuur van Noord-Holland. Toen ik zijn huis binnentrad, vraagde ik zijn zoon en zijn vrouw of des 's middags moest preeken. Beiden zeiden : neen. Hierop meldde ik mij aan. Z.Eerw. kwam naar beneden en ik vroeg hem, wanneer het Prov. Kerkbestuur bijeen kwam en of ik daar dan verschijnen mocht. Nadat ik hierop een genoegzaam antwoord gekregen had, ontspon zich het volgende gesprek :
Ik : Ds., ik heb altijd gehoord, dat gij een oprecht man waart. Wil mij daarom nu eens openlijk zeggen : wat wordt tegen mijn zedelijk gedrag ingebracht ? Wat heeft het Prov. Kerkbestuur tegen mij, dat ik niet als lid van de Kerk kan opgenomen worden ?
Hij : Wanneer ik U dat zeg, zoudt gij meenen, dat het geheele Prov. Kerkbestuur dit beweert. Ik : Dat zullen wij zien. Maar ik weet van mij zelf, dat ik steeds getracht heb te leven als deugdzaam jongeling. Hebt u iets tot mijn nadeel vernomen van de Luthersche Kerkeraad ?
Hij : O nee. Ik: Van den Kerkeraad van Utrecht soms ? Hij : Integendeel, niets dan lof! Ik : gelooft u niet, dat mijn eer en goeden naam mij ter harte gaat ? Waarom kan ik dan niet als lidmaat opgenomen worden ? Hij : Wij hebben proponenten genoeg. Ik : Ik vraag niet om proponent, maar om lidmaat der gemeente te worden. Hij : Gij wilt toch predikant worden ? Ik : Stelt u s.v.p. op mijn plaats, zoudt u 't dan ook niet willen worden, als u uw tijd, geld, gezondheid daarvoor geofferd had ? Hij : U gelooft toch niet meer aan die oude dingen, nietwaar ? B.v. aan de hemelvaart van Christus, zooals de Catechismus die beschrijft, en andere dingen meer ?
Ik : mijn geloof zal openbaar worden uit mijn belijdenis, die ik van de Gereformeerde leer uit volle overtuiging des harten zal afleggen. Hij : Blijft bij uw Luthersche Gemeente, daar kunt U genoeg goeds doen.
Ik : Daar ben ik weggegaan uit loutere principes, uit overtuiging. Op twee schouders kan ik niet dragen. Hij : Voor zulke ondersteuning en voor zulke verdedigers bedanken wij. Wij hebben zulke verdedigers als gij niet noodig ! Ik : Daarom gaat het niet, of u mij noodig hebt. Gij hebt geïnformeerd naar mijn zedelijk gedrag en nu kon ik niet opgenomen worden. Ik kan mijn goeden naam toch niet laten rooven ? Zegt u toch, wat u tegen mijn zedelijk gedrag hebt! Hij : Zouden wij het uitgeworpene der Luthersche Kerk bij ons opnemen ?
Ik : Daarom gaat 't nu juist of ik een „uitgeworpene" ben. Is dat waar : dan schrijft s.v.p. : Wij hebben bezwaar, K. op te nemen, omdat hij een uitgeworpene is; maar raakt niet aan myn zedelijk gedrag !
Hij : Mijnheer, wij moeten rust hebben in onze Kerk ! Rust moeten we hebben !
Ik : Nu, Ds., ik zocht niets anders dan het Evangelie des vredes te prediken, dat de waarachtige en blijvende rust des harten geeft. Maar wat wilt u er mee zeggen, dat ik een rustverstoorder en oproermaker ben ? Nu dan, schrijft: „Wij kunnen K. niet opnemen, omdat hij onze rust zal storen". Maar raakt niet aan mijn zedelijk gedrag. Hij : Mijnheer, ik moet preeken. Ik : Os., uw vrouw en uw zoon hebben mij gezegd, dat u niet hoefde te preeken. Hij : ik moet voor de gevangenen preeken. Hierop stond ik op en sprak met hem met een weenend hart over het jongste gericht. Daarop zeide hij: „Wy doen u geen onrecht. Wij zijn niet uwe rechters".
Moedeloos ging K. heen. Een gesprek, den volgenden dag met ds. Weiland, bracht hem niet verder. Deze zei hem, dat hy de Luthersche Kerk niet had moeten verlaten, vóórdat hij wist, dat hij tot de Hervormde Kerk zou worden toegelaten. In het geloof ging K. verder. Hij wendde zich nog eens tot den Kerkeraad van Utrecht, vertrouwende, dat God, machtig is te doen wat bij de menschen onmogelijk is. Maar wederom moest hij maanden lang op antwoord wachten. Eindelijk kwam er een schrijven, dat K. „waarlijk onbarmhartig" noemde. „De Kerkeraad bleef bij zijn besluit van den zomer van 1831. De gronden konden niet worden meegedeeld".
„En alzoo werd ik met mijn familie uit alle kerkelijke gemeenschap ultgestooten; mijn goeden naam werd geroofd en uit de gemeenschap gebannen«. Aldus Kohlbrugge. (Klugkist Hesse : Kohlbrugge, bladz. 104).
[Wordt voortgezet.]

CALVIJN EN DE SACRAMENTEN (5)
Het Avondmaal
De heilige verborgenheid van het Avondmaal bestaat dus in twee dingen : een lichamelijk, stoffelijk teeken en een ingesloten, verborgen, geestelijke waarheid. En nu moet, naar den aard en het wezen van het Sacrament het stoffelijk deel, brood en wijn in het Avondmaal, gegeten en gedronken worden opdat we in het geloof des te meer en des te beter deel zullen hebben aan de geestelijke zaak. Bij het uitwendig teeken gaat het dan ook om de afgeteekende, uitgebeelde zaak n.l. de gemeenschap aan Christus en al Zijne weldaden, door Zijn lijden en sterven voor al de Zijnen verworven.
De stoffelijke teekenen in het Avondmaal — brood en wijn — beteekenen èn verzegelen ons : de beloften Gods, waarvan Christus de inhoud is; en willen de kracht of vrucht van de belofte doen genieten n.l. de weldaden van Christus zijnde : de verlossing — de rechtvaardigmaking — de heiligmaking — het eeuwige leven.
Dit zullen wij niet kunnen genieten, tenzij wij Zijn ware gemeenschap kennen en ervaren, waartoe we met Hem tot één lichaam vereenigd moeten worden, 't welk het Sacrament van het Heilig Avondmaal ons afteekent en verzegelt. Daarom mag het Heilig Avondmaal en zijn twee teekenen van brood, dat gebroken moet worden en van wijn, die uitgegoten moet worden, niet onderschat en niet geminacht worden.
Maar aan de andere zijde wil de duivel zoo gaarne een bijgeloovlge en zondige overdrijving van de teekenen werken bij de menschen, opdat juist Christus in Zijn volheid veracht en verwaarloosd zal worden. Men vergenoegt zich dan met het mindere, dat men overschat en aanziet voor wat het niet is. Zoo worden die verstanden der menschen van den hemel afgetrokken en aan de stof, aan het brood en aan de wijn gebonden. Maar het moet ons niet om de stof te doen zijn op aarde, maar onze harten moeten door den Heiligen Geest opwaarts naar den hemel getrokken worden, waar Christus is, onze Heiland. en Middelaar, in Wien al onze zaligheid is. (Avondmaalsformulier).
De Roomsche opvatting is, dat onder de gedaante van brood en wijn Christus' lichaam verborgen en mysterieus tegenwoordig is. De gestalte of gedaante van het brood is dus een mom, die het lichaam van Christus bedekt en omhult. Dat
is de transsubstantiatie-leer waarvoor de pauselijike Kerk zoo dapper strijdt. Christus maakt het wezen van het brood te niet (hoewel de kleur, de reuk en de smaak van het brood blijft!), om Zich onder de gedaante van hetzelve te verbergen. [Eigenlijk is het dus niet een veranderen van de substentie van brood in de substantie van vleesch ; maar Christus maakt het wezen van het brood te niet, om Zich onder de gedaante van hetzelve te verbergen].
Deze Roomsche leer is uitgevonden om de plaatselijke tegenwoordigheid van Christus in het Avondmaal te verklaren. Zij strijdt echter tegen Gods Woord en de leer der oude Kerk. Christus is in den hemel met Zijn verheerlijkt menschelijk lichaam, maar geestelijk, met Zijn genade, majesteit en Geest, is Hij tegenwoordig bij de Avondmaalsviering.
Alle oude leeraars erkennen, dat de teekenen brood en wijn zijn en brood en wijn blijven, zooals het water uit den rotssteen water was en bleef, maar voor de geloovigen, die het brood, als brood eten, wordt het brood door het geloof in geestelijken zin het lichaam van Christus. Waarom het brood voor den natuurlijken mensch brood is en voor den geestelijken mensch Christus en al Zijn weldaden.
De wijding moet hier geen soort tooverbezwering zijn, zooals bij de transsubstantiatie zou geschieden, maar uit kracht van de belofte wordt het brood: Jezus - Christus. (1 Cor. 10 vers 4).
Wij hebben hier ook te waken voor een andere dwaling, van degene, die wil leeren, dat het brood brood 'blijft, maar dat het lichaam van Christus in en met en onder dat brood zit, 't welk de Lutherschen leeren (de consubstantiatie-leer), zoodat dus het lichaam van Christus alom tegenwoordig zou zijn, in den hemel en op aarde, en dan op aarde op alle plaatsen tegelijk. Maar de menschelijke natuur mag niet vergoddelijkt worden en met de goddelijke natuur dooreengemengd (de oude dwaling van Eutyches) en het menschelijk lichaam mag niet met de goddelijke eigenschap van alomtegenwoordigheid worden versierd. Deze leer treft ook de leer van de hemelvaart in de hartader, dewijl Christus immers plaatselijk en werkelijk van de aarde is opgevaren naar en opgenomen is in den hemel, . Zelf getuigende, dat Hij nu niet meer bij hen zou zijn, maar henen ging, om plaats te maken voor den Trooster, n.l. den Heiligen Geest. (De armen zouden zij altijd bij hen hebben, maar Hem niet!
Christus mag ook niet bekleed worden met een schijn-lichaam, waardoor de geboorte, het leven, het lijden en het sterven van den Heiland wordt genoemd schijn baar te zijn geweest (Docetisme). Dit is wegnemen den troost der voldoening en der verzoening van den Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus, die het ware zaad Davids is en het vleesch en bloed uit de maagd Maria heeft aangenomen. Hij is maar niet door het lichaam van Maria doorgegaan met Zijn vleesch enbloed, dat Hij dan uit den hemel zou hebben meegebracht — dan is Hij de broederen niet in alles gelijk geworden en hebben wij ook niet ons vleesch in den hemel, in Sions Borg en Middelaar, Jezus Christus —
Zoodanige tegenwoordigheid van Christus in het Avondmaal moeten wij stellen, waarbij niets te kort gedaan worde : 1°. aan de hemelsche heerlijkheid van Christus (hetwelk geschiedt, als men Hem onder de verderfelijke stoffen der wereld brengt) ; 2°. aan de ware menschelijke natuur van Christus (hetwelk geschiedt, als men leert de oneindigheid, alomtegenwoordigheid van Zijn lichaam).
En dan zullen we alles moeten erkennen en aannemen wat dienen kan, om de ware en wezenlijke gemeenschap met het lichaam en bloed van Christus te verkrijgen, want het gaat inderdaad om het genieten van het lichaam en bloed van Christus als een voedsel ten eeuwigen leven !
[Wordt voortgezet.]

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's