De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BEKEERING VAN K. VAN GENNE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BEKEERING VAN K. VAN GENNE

6 minuten leestijd

Ik was voor velen een gehaat voorwerp om des Heeren wil, maar de dienstknecht moet niet meer zijn als zijn heer. Indien dit aan het groene hout geschiedt, wat zal dan aan het dorre geschieden ? Maar de Heere wist, waar ik woonde, namelijk waar de troon des satans was. Hij had Zijn oog op mij gevestigd en wist wat ik noodig had en wanneer het noodig was, om aan de eene kant niet door de verleidingen, en aan de andere kant niet door de bittere haat en vijandschap van den Heere te worden afgetrokken. Daar was ik gedurig bevreesd voor, want zag ik op mijn inwonend bederf, dan had ik reden om in vreeze te wandelen. Ik heb daarom ook menigmaal gezucht om bij den Heere in te wonen. Ook moest ik al ondervinden van de vuistslagen des satans, hetwelk mij de weg somtijds ook moeilijk en troosteloos maakte. Ik werd niet zelden bestreden over het Zoonschap van Christus, over het Borglijden en over de vereeniging der twee naturen, God en mensch in één persoon, zoodat dan mijn toegang belet werd. Niet zelden gebeurde het ook, dat mij het geheele Goddelijke Wezen betwist werd, ja, zelfs de onsterfelijkheid. Droevige toestanden heb ik daaronder gehad. Ik heb eens veertien dagen ongeveer te worstelen gehad met zulke gedachten, dat er geen God was. Ik ging hieronder gebukt en gebogen, alle troost was uit mijn werkzaamheden. Als ik mij tot bidden schikte, was ik als een voortgedrevene zee. Allerlei ongeregelde gedachten kwamen dan in mijn hart op. Ik ging gedurig buiten de stad, om in de werken der natuur, door het daarstellen van de groote en wonderlijke werken, tot den Werkmeester van dat alles opgeleid te worden, maar hoe meer ik het daarin zocht, hoe erger het werd. Ja, het was in mijn ziel een samenloopsel van allerlei booze inwerpselen. Zoo kan de duivel onder Gods toelatingen de ziel al bestrijden, maar het werkte al weer ten goede mee. Ik ging op den dag des Heeren naar een naburige gemeente, om het Woord van God naar de meening des H. Geestes te hooren verkondigen, en het behaagde den volzaligen God Zich weer aan mijn ziel te ontdekken en te openbaren. De leeraar noemde in zijn aanspraak tot God de drie Goddelijke Personen, Vader, Zoon en H. Geest. Toen ik deze woorden hoorde, was ik, alsof ik in den grond wegzonk. Al die nevels van donkerheid vielen weg en mijn ziel was weer opnieuw met mijn God in de zoetste en zaligste omgangen, alsof er niets gebeurd was, waarop ik in een zalige tijd heb mogen verkeeren in het lieflijke licht van Gods aangezicht. Ja, ik heb in de maand Mei, geen dag uit, gezonderd, het zalige van Gods tegenwoordigheid in kracht mogen smaken aan mijn ziel, zoodat ik zeggen moest, dat 't voor mij .een geestelijke zang-en bloeitijd was. Zoo verzachtte de Heere de druk, veranderende mijn rouw in aangename rei. Deze en andere bevindingen werkten in mij hoop, maar ik was tusschenbeide nog zeer beklemd in mijn ziel, doordat ik nog veel op gestalten leunde en als die ophielden, veelal mijn geloof zakte. Ik heb een tijdlang zoo voortgeleefd onder vele zalige uitlatingen van den volzaligen Heere Jezus, wat mij niet mogelijk is om dat alles, en zóó als ik het genoten heb, mee te deelen. Liever dan nog iets minder gezegd dan meer.
Het gebeurde hierna, dat ik tot mijn allerdiepste vernedering onder de Inwonende verdorvenheden smartelijk moest zuchten. Ja, mijn kracht verging vanwege mijn ongerechtigheden, zoodat ze mij als een zware last te zwaar werden. Ik werd hierdoor zóó geslingerd over mijn genadestaat, dat ik veel meer vrees dan hoop had. Ja, het werd mij zoo duister, dat ik bijna niet meer kon : zien van wat er aan mij gebeurd was. Evenwel was ik zeer benauwd om het werk Gods aan te tasten. Zoover kwam het dan ook niet, maar de Heere klaarde het duister op en gaf mij in te zien en te gelooven, dat de grond van mijn zaligheid buiten mijzelf in den Heer Jezus was, dat die door mijn zonden en trouwelooze afwijkingen niet kon weggenomen worden. Ja, bergen mochten wijken en heuvelen wankelen. Zijn goedertierenheid zou van mij niet wijken en het verbond Zijns vredes zou niet wankelen. Ik kreeg hier veel sterkte uit, Zoodat ik na deze niet zoo wankel verkeerd heb, wel weer onvrijmoedig van verre stond, als ik op mijn vuilheid zag. Het is mij echter hierna vergund, met meer geloofsvertrouwen door Christus' bloed als een arme en doemwaardige zondaar tot de troon der Genade te gaan om barmhartigheid te verkrijgen, genade te vinden en .geholpen te worden. Ik heb ook meer als vóór deze mogen inzien, dat het een zalig worden is uit genade, zonder eenige onzer verdiensten. Ik had door Gods genade ook meer begeerte om tot eer en verheerlijking van God te leven. Dat was vroeger ook wel mijn begeerte, maar ik mocht mij nu meer door de tijd door Gods genade verzekerd houden van mijn aandeel aan den Heere Jezus, en zag mij zoo geheel door Hem vrijgemaakt van de toekomende toorn en erfgenaam van de onverderfelijke en omverwelkelijke erfenis, die in de hemel bewaard wordt. Ja, dit had de Heere Jezus voor mij willen overgeven en de Heilige Geest had mij tot die zaligheid bewerkt en diezelve aan mijn hart toegepast. O, wat was er nu voor mij te doen, als om God te dienen, lief te hebben en te vreezen, anderen de weg der zaligheid aan te wijzen en aan te prijzen en het goede te zoeken voor land en Kerk, alles zaken, zeer beminnelijk, betamelijk en plichtmatig, waar ik door genade het willen wel toe gevoelde, maar het Volbrengen, dat vond ik niet. Ja, zag ik op het beantwoorden hieraan, dan moest schaamte mijn aangezicht bedekken over mijn trouweloosheid en ondankbaarheid. Ja, ik moest dan met den dichter uitroepen : „Zoo Gij, Heere, de ongerechtigheden wilt gadeslaan, dan zou niemand bestaan", maar ik vond hierin nu meer als voór deze mijn zaligheid, om als een schuldenaar, als een arm doemeling aan de voeten van den Heere Jezus te liggen pleiten op ontfermende genade.
O, gel. vriend, wat werd toen de vrije genade groot, ondoorgrondelijk en dierbaar. Wat was het zalig worden nu gemakkelijk en God verheerlijkend. Het liep nu alles tot eere van dien volzaligen God uit, en ik werd hoe langer hoe minder, onbekwamer en slechter. Ja, ik heb het leeren verstaan niet bekwaam te zijn iets goeds te denken uit ons zelven en nu werd de weg ruimer voor mij. Ik had meer bestendige vrede, hoewel niet altijd in die groote mate als te voren.
[Wordt voortgezet.]

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

BEKEERING VAN K. VAN GENNE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's