KERKELIJKE RONDSCHOUW
KOHLBRUGGE,
zijn levensgeschiedenis.
XII.
„Rust moeten wij hebben, mijnheer, rust moeten wij hebben in onze Kerk", zoo had men gezegd. Waaruit bleek, hoe gaarne men van dezen jongen prediker der Waarheid af wilde zijn. Ieder werd overigens toegelaten en alles werd geduld, maar een getuige der Waarheid als Kohlbrugge niet !
En zoo kwam dan dr. K. geheel eenzaam te staan als in een woestijn. Hij behoorde niet meer tot de Luthersche Kerk en de Hervormde (Gereformeerde) Kerk wilde hem, den geleerden en geloovigen doctor in de theologie, niet, en zoo was hij van alle kerkelijke gemeenschap afgesneden. Waar zou voor den verstootene een troost gebleven zijn, als daar niet die wolk der getuigen was, die allen gedood zijn, omdat zij het Woord Gods hadden geloofd en het getuigenis van Jezus hadden beleden.
Alsof het lijden nog niet zwaar genoeg was — doch de Heere vergist Zich nooit — zoo kwam er voor K. nog een nieuwe beproeving. De eenige die hem had verstaan, zijn lieve, trouwe echtgenoote, die hem zoo dapper had bijgestaan in alle leed en smart, werd na de geboorte van haar tweede kind, na een kortstondige ziekte, den liefhebbenden man van het hart gescheurd. In de laatste weken, toen ze om het heil van haar ziel ten diepste bekommerd was, had zij vrede gevonden in het Woord : „Gij nu, o Mijne schapen, schapen Mijner weide, gij zljt menschen, maar Ik ben uw God" (Ezechiël 34 vers 40. Zij had zich niets kunnen en durven aanmatigen, zij had niets bij zich kunnen vinden, zij was ten hoogste beangstigd, daar zij in 't geheel geen deugd, in 't geheel niets goddelijks bij zich kon ontdekken, om Gode te toonen. Maar zóó had zij mogen leeren verstaan, dat God zondaren bemint en in menschen een welbehagen heeft; dat we toegang hebben in 't heiligdom, zonder eenig werk of verdienste, zooals wij zijn — verlorene, verdoemenis waardige menschen — in het bloed van Jezus.
Ook in zulke wegen God te verstaan, niet op het dwaalspoor te raken bij Zijn leidingen, het hoofd omhoog en het hart sterk te houden —> hoe zou een mensch dat uit zich zelf kunnen! Wie iets daarvan heeft ondervonden, die weet, aan welke verzoekingen van murmureeren en van vertwijfelen een mensch bloot staat, als hem alles uit de hand gescheurd wordt en de geloovige in het dal der schaduw des. doods en der duisternis moet, waar God met het troostende licht van Zijn aangezicht Zich geheel voor de ziel verbergt. Wie zou daar het leven kunnen dragen en met vreugde getuigenis afleggen, dat de Heere Koning is en dat het den rechtvaardige wèl gaat, als niet de Geest des Vaders en des Zoons zou troosten met het eeuwige Woord, dat de Heere getrouw is in alles wat Hij aan Zijn Sion heeft beloofd ?
„Maar, is mijn vleesch staal ? ", zoo roept Job uit (6 vers 12) ; de lichaamskracht dreigt ons te begeven als de ziel door zulke aanvechtingen is afgemat.
De arts verklaarde den gezondheidstoestand van den treurenden weduwnaar voor bedenkelijk en adviseerde dat verandering van lucht zou worden gezocht. Daarom maakte dr. K. een reis langs de Rijn en kwam te Ruhrort, waar een hem bekend scheepskapitein woonde. Vandaar gaf hij gehoor aan eene uitnoodiging naar Elberfeld.
Elberfeld was toen „een stad op een berg". In heel Duitschland weerklonk die naam ; overal waar Gods Woord gevonden werd en een kring van geloovigen was, kende men die stad. Wie in dien tijd de toestanden, der Duitsche landen nader heeft gekend, zal toegeven, dat in kerkelijk opzicht het Wupperdal bijzonder gezegend was en een bijzonder schouwspel bood. Terwijl haast overal het Rationalisme en eene algeheele geringschatting van Gods Woord de Kerken had doen leegloopen en het licht der Waarheid had uitgebluscht, bestonden er in Elberfeld en omstreken gemeenten, waar, door de genade Gods, in onafgebroken volgorde de prediking der oude, beproefde, gezonde en zuivere leer had weerklonken. In de eerste en rijkste families gold het als de hoogste eer, een kerkelijk ambt te bekleeden ; de kerken waren overvol; in kleine gezelschappen kwam men saam om de preeken te bespreken, de ondervindingen en belevingen uit te wisselen, en in hoe menige hut, waar de weefstoel nauwelijks plaats liet om te zitten, wist men te vertellen van de wonderen van dien God, die het gebed verhoort en den zondaar terugbrengt van den weg van dood en verderf. Als men toenmaals de dicht gedrongen scharen der bevolking wilde zien, dan moest men de kerken bezoeken ! Daar zat men in menigte neder om het Woord des levens te beluisteren en het brood des hemels te eten tot verzadiging. De preeken werden Opgevangen door ooren, die zich geen woordje lieten ontgaan. Ja, het is niet te veel, als we zeggen, dat het meerendeel der geloovige predikanten, die toen nog tamelijk zeldzaam in Noordelijk of Zuidelijk Duitschland, in Zwitserland of Engeland optraden, uit het Wupperdal eenige opwekking hadden gekregen of met de predikers of christenen aldaar in verbinding stonden.
Dr. Kohlbrugge zelf had altijd naar Elberfeld gezien als naar eene brandende kaars. En van de Kerk in eigen land uitgestooten, had hij met des te meer liefde en verlangen zijn blikken gewend naar Geneve, naar Engeland en Duitschland, om uit te vorschen waar er ergens een getuigenis van het Evangelie weerklonk. En daar hij met de Duitsche taal en letteren door en door vertrouwd was, had hij verschillende preeken, die in Elberfeld gehouden waren, in 't Hollandsch vertaald. Om de toestanden in het Wupperdal des te beter te leeren kennen, moeten we weten dat daar alles te samen kwam, wat op godsdlenstigen grond groeit, onkruid zoowel als tarwe. Daar was de mystiek inheemsch, door Tersteegen's geschriften en volgelingen. De leer van de steeds toenemende volmaaktheid in christelijke deugd en reinheid van den arts Collenbusch had er ingang gevonden ; ook Böhme werd gelezen en daarnaast haast alles wat in de litteratuur van stichtelijke geschriften eenigen naam had, zooals Arnd en verschillende leden van de Broedergemeente. Maar de man, die het meest hen, die naar Gods Woord hongerden, om zich heen verzamelde, was Gottfried Daniël Krummacher, die vroeger zelf aanhanger van de mystiek van Tersteegen was geweest, maar in Elberfeld in de gemeente de oude Gereformeerde belijdenis had aangetroffen en in zijn preeken de leer van de vrije, algenoegzame genade Gods en van de offerande en het priesterschap van Christus in het bijzonder naar voren bracht. (Voorrede : Vijf en twintig leerredenen, blz. 23, enz.).
[Wordt voortgezet.]
CALVIJN EN DE SACRAMENTEN (6)
Het Avondmaal
Calvijn geeft dan nadere verklaring van de woorden van Christus : „Neemt, eet, dat is mijn lichaam" (Mattheüs, Marcus, Lucas, Paulus) en van de woorden : „onze drinkbeker is het Nieuwe Testament in mijn bloed" (Lucas, Paulus). Dat brood neemt dan niet die gestalte aan van het lichaam, van het vleesch, evenmin als die beker bloed wordt, of ook de wijn in bloed verandert. De Heiland zegt, dat het brood herinneren moet aan Zijn lichaam, de wijn aan Zijn bloed ; dat het brood afteekent Zijn lichaam, dat staat verbroken te worden en dat de wijn spreekt van Zijn bloed, dat straks zal worden uitgestort. En zoo dikwijls zij dan dat brood, dat gebroken moet worden, zullen eten en dien wijn, die uitgegoten moet worden, zullen drinken, moeten zij bij brood en beker gedenken aan Zijn lijden en sterven.
Het is dus niet „wordt veranderd in", maar het is : beeldt af en spreekt er van. Het is een symbolische, ceremonieele handeling van sprekende beteekenis. We hebben hier te doen met eene oneigenlijke of figuurlijke spreekwijze: de naam der beteekenende zaak wordt aan het teeken toegeëigend ; brood (de naam van de beteekenende zaak, n. l. het lichaam van Christus) wordt lichaam genoemd, enz. En dat geschiedt vanwege de overeenstemming van die beide (water wascht af en het bloed van Christus wascht af (Doop) ; zoo ook brood voedt en het lichaam van Christus is ons geestelijk levensbestaan; wijn verkwikt, zoo is heb bloed van Christus tot verzoening en troost en leven).
Zulk een spreekwijze komt in de heilige taal der Schrift meer voor. De besnijdenis wordt genoemd „het verbond" (hoewel de besnijdenis slechts het teeken en het zegel van het verbond is, en niet het verbond zelve). Zoo wordt het Paaschlam genoemd „de voorbijgang", hoewel het slechts het teeken, de afbeelding is. De offeranden heeten „verzoeningen"', en zijn er slechts de teekenen van; de steenrots wordt genoemd „Christus" en stelt slechts Christus voor. Zoo zegt de Heiland bij wijze van vergelijking : Ik ben de ware Wijnstok (hoewel Hij natuurlijk niet wezenlijk een echte wijnstok is) ; Ik ben het brood des levens. Ik ben de deur der stal, enz. enz. Alles om bij wijze van vergelijking door de natuurlijke dingen en de namen daarvan Zichzelf nader bekend te maken en te geven. „Wie mijn vleesch eet, mijn bloed drinkt" enz.; waarbij natuurlijk geenszins bedoeld wordt, om het echte vleesch van Jezus te eten, noch het echte bloed van den Heiland te drinken !
In betrekking tot de Sacramenten hebben we dus rekening te houden met deze soort van spreken en voorstelling, dat de naam der beteekenende zaak gegeven wordt aan het teeken zelve, hoewel dan het teeken zelve geenszins in werkelijkheid wordt de beteekenende zaak. Het brood blijft dan ook brood, hoewel het genoemd wordt het lichaam van Christus., de wijn blijft wijn, hoewel het Sacrament spreekt van „het bloed des Nieuwen Testaments". Augustinus; zegt: „Christus heeft niet geaarzeld', toen Hij een teeken van Zijn lichaam gaf (n.l. heb brood), dat teeken Zijn lichaam te noemen". (Zie 1 Cor. 10 vers 16 ; Gen.. 17 vers 13 ; Exodus 12 vers 43 ; 1 Cor. 10 vers 4; Joh. 7 vers 39 ; 1 Cor. 12 vers 12).
Het is niet de vraag : wat kan God; maar : wat wil God en wat heeft Hij ons geopenbaard. Want wij zullen niet ontkennen, dat God geen brood in vleesch en geen wijn in bloed kan veranderen, maar in de Sacramenten wil God het niet en doet Hij heb niet. Bovendien, God doet geen ongerijmde dingen, b.v. dat vleesch tegelijk vleesch en geen vleesch zou zijn, dat het licht tegelijk licht en duisternis zou wezen ! Christus heeft trouwens zoodanig vleesch aangenomen, dat werkelijk vleesch is.
Nu beroept men zich inzake de alomtegenwoordigheid van het lichaam en de menschelijke natuur van Christus op woorden van den Heiland Zelf ! Maar men mag de Schrift niet uitleggen tegen de bedoeling van de Schrift. En het is niet Aristoteles, maar de Heilige Schrift zelve, die leert dat het lichaam van Christus na Zijn opstanding en aanvankelijke verheerlijking van een bepaalde uitgebreidheid is en is opgenomen in den hemel, waar het zijn zal tot den jongsten dag. Joh. 14 vers 12, 28, waar sprake is van „weggaan" en van „de wereld verlaten". Matth. 26 vers 11 : „Mij hebt gij niet altijd bij u" en dergelijke uitdrukkingen bewijzen dat. Hieruit blijkt, dat Hij naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest alom tegenwoordig Is : „Ik ben met ulieden, tot aan de voleinding der wereld" ; „Waar twee of drie in Mijn naam vergaderd zijn, daar ben Ik in 't midden". Maar tegelijk weten wij, dat Hij in de hemelvaart deze aarde heeft verlaten en is weggegaan en niet meer bij ons is naar Zijn menschelijke en lichamelijke verschijning en natuur, en thans zit aan de rechterhand des Vaders, hebbende een verheerlijkt menschelijk lichaam in den hemel, vanwaar Hij komen zal om straks te oordeelen de levenden en de dooden.
Op de vraag, of wij dan aan Christus eene bepaalde plaats in den hemel toeschrijven, antwoordt Calvijn, evenals Augustinus, dat dit eene nieuwsgierige en ijdele vraag is, die ons niet toekomt, en dat wij alleen te gelooven hebben, dat Hij in den hemel is, gelijk het Woord dit ons komt openbaren. Ook het woord „opvaart" bewijst onze opvatting. En evenzoo de geschiedenis en de wijze Zijner opvaart, alsmede de woorden der Engelen, bij die gelegenheid gesproken : „Deze Jezus is van u opgevaren naar den hemel, vanwaar Hij eenmaal zal wederkomen". Hij is nu in den hemel, vandaar verwachten wij Hem, vandaar zal Hij wederkomen. Ook Augustinus heeft niet anders geleerd, gelijk Calvijn bewijst met vele citaten. Want wel verklaart Augustinus, dat het vleesch en bloed van Christus ons in het Avondmaal wordt uitgereikt. Maar hij verklaart zichzelven nader, door te zeggen, dat de Sacramenten de namen ontvangen naar de gelijkenis van de dingen, welke zij beduiden.
[Wordt voortgezet.]
Hoe is het Bestuur en de inrichting van de Ned. Hervormde Kerk? (2)
De Algemeene Kerkeraad. Tot het werk van den Algemeenen Kerkeraad (in de grootere gemeenten dus) behoort:
1. De zorg voor hetgeen betrekking heeft op de beroeping en het ontslag van predikanten, alsmede voor de verkiezing van ouderlingen en diakenen. [Als er een Kiescollege is, met Gemachtigden, wordt in de vergadering van het Kiescollege een predikant gekozen en daarna door den Algemeenen Kerkeraad beroepen. De ouderlingen en diakenen worden ook door het Kiescollege gekozen. Van de groote steden hebben b.v. Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Zwolle geen Kiescollege; Rotterdam, Haarlem, Leeuwarden, Groningen enz., wel).
2. De behartiging van de geestelijke behoeften der behoeftigen ; het duurzaam verzorgen en opvoeden van weezen en van hulpbehoevende en verwaarloosde kindeken, tot de gemeente behoorende; het bepalen van de collecten, de zorg voor de Diaconie goederen (iets anders dan „de bedeeling"), het jaarlijks opnemen van de Diaconierekening en het geven van de vereischte inlichtingen betreffende het Diaconie-beheer (b.v aan het Classicaal Bestuur).
3. Het houden van een volledige beschrijving of ligger van al de fondsen en eigendommen, die aan de gemeente behooren, voor zoover die onder het beheer of toezicht van den Kerkeraad zijn (b.v. wanneer er Kerkeraadsscholen zijn, met een Kerkeraadscommissie tot Bestuur) ; alsmede van het tractement van de predikanten, met de gewone emolumenten (waarbij de Kerkvoogden ten nauwste betrokken zijn).
4. Het kennis geven aan het Classicaal Bestuur van ontdekte verkeerdheden in de administratie der kerkelijke goederen, en in die der pastoriegoederen (waar deze zijn).
5. Het ontvangen van de persoonlijke en de beantwoording van de vragen der schriftelijke Kerkvisitatie (ook de persoonlijke Kerkvisitatie door bezoek van de Kerkvisitatoren heeft plaats in de vergadering van den Algemeenen Kerkeraad).
6. De zorg voor het aanvragen en het overmaken van het Quotum der gemeente voor het Bestuur.
7. De zorg voor het vragen en voor het innen en het vóór 1 Mei overmaken van de bijdragen bedoeld in art. 2 van het Reglement op de Generale Kas.
Men ziet, dat de Bijzondere Kerkeraad (predikanten en ouderlingen saam) meer voor de „geestelijke" dingen heeft te zorgen en dat de Algemeene Kerkeraad meer staat in het teeken van de „stoffelijke" dingen (collecten. Diaconiegoederen, liggers — hoewel óok de beroeping van predikanten en de Kerkvisitatie tot zijn bevoegdheid behooren; wat ook weer algemeen regelende dingen zijn).
Ambtsplichten. Predikanten. Aan den predikant of de predikanten is opgedragen : 1. de openbare verkondiging van het Evangelie ; [hij heeft de leiding in de godsdienstoefening en bepaalt ook voor zich zelf of hij b.v. alleen de Psalmen of ook de Gezangen zal gebruiken; of hij den Catechismus zal preeken of niet; of hij de formulieren van Doop en Avondmaal geheel of gedeeltelijk of in 't geheel niet zal gebruiken ; als gevolg van de practische leervrijheld (die reglementair en theoretisch verboden is) heerscht er in de Hervormde Kerk een sterke dominocratie of dominees-regeering, wat in een Gereformeerde Kerk absoluut niet thuis hoort en bij ons „vrijheid" voor de dominees, maar dan ook tegelijk „slavernij" voor de gemeente meebrengt; want de gemeente moet maar goed vinden zooals de dominee het belieft te doen, waarbij wij denken aan het woord, dat een ieder doet wat goed is in z'n oogen, als er geen Koning is]. 2. Het bedienen van de Sacramenten van Doop en Avondmaal (Zie hierboven, wat de „vrijheid" van den predikant betreft) ; 3. de huwelijksinzegenlng; 4. het catechetisch onderwijs; 5. heb afnemen van de belijdenis des geloofs in tegenwoordigheid van één of meer ouderlingen; 6. de bevestiging van predikanten, hulppredikers, ouderlingen en diakenen ; ook die van de nieuwe lidmaten ; 7. de herderlijke zorg (huis-en ziekenbezoek) ; 8. het besturen van de vergadering van den Kerkeraad, van het Kiescollege en van de stemgerechtigden (het laatste in de zeer kleine gemeenten) .
Ouderlingen. Aan de Ouderlingen is opgedragen : 1. de behartiging van de belangen der openbare Godsvereering; 2. de bevordering van en het toezicht op het godsdienstonderwijs; 3. het medetoezicht op de leden der gemeente, inzonderheid door huisbezoek, zoowel, indien zij daartoe worden verzocht, in vereeniging met de predikanten, alsook afzonderlijk naar plaatselijke regeling ; 4. ijverige medewerking met de predikanten in alles wat aan de Christelijke opbouwing kan dienstig zijn.
Diakenen. Aan de Diakenen is opgedragen : 1. de meer bijzondere zorg voor de armen der gemeente; 2. bet duurzaam verzorgen en opvoeden van weezen en van hulpbehoevende of verwaarloosde kinderen, tot de gemeente behoorende.
Daartoe zijn zij belast met: a. het dagelijksch beheer der Diaconiegoederen; b. het innen van alle aan de Diaconie aankomende gelden ; c. de inzameling der liefdegaven ; d. het besteden van dit een en ander tot het doel dat de Christelijke gemeente voor haar armen beoogt, en e. het geregeld bezoeken der armen.
Uit een en ander bemerken we, dat het verzorgen der armen geheel en al aan de diakenen is toevertrouwd. Wel is er toezicht op het beheer van de Diaconie goederen, van de rekening en verantwoording der gelden, met de liggers enz., door den Kerkeraad (en het Classicaal Bestuur), maar niet de Kerkeraad (de Algemeene-, noch de Bijzondere), doch uitsluitend de diakenen zijn voor het dagelijksch beheer der Diaconiegelden, het innen van de gelden en het regelen der „bedeeling" of diaconale uitkeeringen en verzorging aangaande de behoeftigen. Zij bezoeken de armen en verzorgen de armen. De diakenen hebben hwa. eigen vergaderingen, maar behooren niet tot de regeerders der Kerk, waarom ze ook niet in de Kerkelijke Besturen zitten.
Geen arme heeft recht onderstand te eischen. De kerkelijke liefdadigheid der armen is vrije, ongedwongene liefdadigheid, waarbij diakenen rekening houden met de behoeften der menschen, die tot de Kerk moeten behooren, willen ze geholpen kunnen worden.
[Wordt voortgezet.]
Een Reformatorische beweging in Hongarije.
In een allerbelangrijkst artikel van prof. Sebestyen in „De Rotterdammer" lezen we, dat ds. Karel Racz tijdens zijn verblijf te Elberfeld onder invloed kwam van Kohlbrugge ; daar diens verklaring van den Catechismus vertaalde en naar Hongarije terugkeerde, om daar, vol idealen, zijn reformatorischen arbeid aan te vangen in 1884. Hij werd daar predikant, richtte een blad op „De Vrije Kerk" en zijn doel was, om hét gezag van de Heilige Schrift en van de Belijdends te herstellen. Daartoe vertaalde hij den Heidelbergschen Catechismus en de Helvetische Confessie van Calvijn.
De Gereformeerden in Hongarije wilden, wat de Kerk betreft, dat deze geheel vrij en zelfstandig zou zijn en dat haar rechten in alle opzichten zouden geëerbiedigd worden : de Vrije Kerk.
Voor de scholen was hun ideaal: elke plaatselijke Kerk een eigen Christelijke School. De scholen moesten in het bezit van de kerken blijven. En waar een Kerk geen school bezat, moest zoo spoedig mogelijk een Christelijke School worden opgericht. Als daarentegen de een of andere Kerk haar school gedachteloos aan den Staat had overgedragen, moest ze deze zoo spoedig mogelijk van den Staat zien terug te krijgen. Over 't algemeen was men toen van een ander gevoelen en wel om alle Christelijke Scholen aan den Staat over te dragen, waartegen ds. Raciz fel positie innam. Toen werd ds. Racs door z'n eigen geestverwanten beschuldigd van verzet tegen den Staat en kerkelijk veroordeeld. Maar hij hield stand óok op het Gemeentehuis, waar hij gedaagd werd (9 Maart 1890). Op de scholen zelf begon hij een reformatie, opdat ze meer en meer zouden beantwoorden aan hun doel, en het geheele onderwijs gebaseerd zou zijn op de Gereformeerde beginselen. Hij trachtte bovenal het geestelijk leven der gemeente te verdiepen door meer intensieve prediking van Gods Woord. Ook de Kerkregeering wilde hij reformeeren. Geen bisschoppen mochten er zijn en als ze er waren, mochten ze, krachtens hun waardigheid, geen lid zijn van het Hoogerhuis van het Parlement.
Om in de tractementen van predikanten, godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen zoo goed mogelijk te voorzien, raadde hij aan zooveel mogelijk kerkelijk grondbzit te verwerven : „zooveel mogelijk grondgebied van den door het bloed onzer Vaderen gewijden Vaderlandschen bodem". Ook pleitte hij voor het parochiestelsfel, omdat het onmogelijk was in zulke groote gemeenten anders intensieven arbeid te verrichten. Hij eischte, dat in de groote kerken, op elke 1000 zielen één predikant zou komen en als dat niet mogelijk was, dat er een aantal hulppredikers zouden worden aangesteld.
In zijn blad „De Vrije Kerk" behandelde hij achtereenvolgens de groote vraagstukken van het kerkelijk leven van Gereformeerd standpunt bezien.
De uitkomst is niet geweest, zooals we hadden mogen verwachten. In de Geref. (Herv.) Kerk was de liberale getest, die de geheele Hongaarsche maatschappij doortrokken had, zóó sterk, dat Racz en de zijnen hun beweging niet tot een nationale konden ontplooien. Op theologisch en kerkelijk gebied, was het verval in de Geref. (Herv.) Kerk zéér groot. En zoo ondervonden Rácz en zijn medestrijders buitengewoon groeten tegenstand.
»Het gevolg was — aldus dr. Sebestyen — »dat de grootendeels uit Nederland geïmporteerde moderne theologie een geheele schaar van principieel niet zuiver voelende, maar overigens: ontwikkelde en wakkere Hongaren, van goeden wille, met zich meesleepte en daardoor verhinderde dat Racz en de zijnen hen bonden benaderen of beinvloeden.
Zoo werd hét modernisme helaas tóch toonaangevend. Het riep een beweging in het leven door groote geldelijke offers en een krachtig gevoerde actie, waardoor rationalisme en Schriftcritiek, althans tijdelijk, in de Geref. (Herv.) Kerk hoogij vierden«.
Gelukkig is dit niet het laatste wat er te vertellen is.
»Want er volgde een reactie. Het ongeluk wilde echter, dat tegenover het modernisme niet een confessioneele Gereformeerde actie ontstond, onder den invloed van de aanhangers van Racz, maar, dat onafhankelijk van diens werk een réveil-beweging ontstond van algemeen-Christelijk karakter. Deze beweging, die uit Schotland en Duitschland kwam, stond sterk onder Piëtistischen en Methodistischen invloed en sloeg een typisch algemeen Christelijke richting in. Zoodoende kon zij niet het, in het begin dezer eeuw, aan Racz ontvallen vaandel opnemen, noch zijn werk verder voortzetten.
Vandaar dat de zoo schoon begonnen Reformatorische Beweging van Karel Racz langzaam aan verflauwde, eensdeels door den invloed van het modernisme, anderdeels door die van het interconfessioneele réveil-in algemeen Christelijken geest«.
»Aangezien echter deze réveil-Beweging het Hongaarsche Gereformeerde volk evenmin kon brengen wat het zoo zeer noodig had, n.l. de besliste en zuivere Gereformeerde beginselen, in staat om een reformatie te verwezenlijken, gingen in het leven der Hongaarsch Geref. (Herv.) Kerk 25—35 jaar verloren.
In 1920 probeerde een nieuwe — de hedendaagsche — „Gereformeerde Beweging" opnieuw in het leven der Hongaarsche Geref. (Herv.) Kerk den weg tot een gezonde reformatie te banen« — van welke beweging dr. Sebestyen de ziel is.
»Het werk van deze nieuwe „Gereformeerde Beweging" ontmoet nog groote moeilijkheden, want al heeft het modernisme niet veel kracht meer en al heeft het ook geen leiders meer in de Hongaarsche Geref. (Herv.) Kerk, de sporen van den modernen geest zijn er nog altijd. In de tweede plaats voelen (de) algemeen Christelijke bewegingen niet voor de belijnde Gereformeerde beginselen en óók niet voor het ideaal van reformatie, zooals dat in het belang der Kerk wenschelijk zou zijn. Toch moeten we met vreugde constateeren, dat in den laatsten tijd de officieele Geref. (Herv.) Kerk zelf reformatorisch optreedt. Twee zéér belangrijke punten worden althans ingezien : ten eerste, dat men het Hongaarsche Geref. (Herv.) kerkelijk leven over de geheele linie moet reformeeren. Ten tweede, dat deze reformatie niet op de basis van vreemde beginselen, als het Methodisme, Piëtisme, Algemeen Christendom, maar op de basis van de aloude, zuivere Gereformeerde beginselen moet worden geleid. En dit kan men te midden van de hedendaagsche moeilijkheden der Hongaarsche Gereformeerde (Herv.) Kerk al een zeer belangrijke vooruitgang noemen !«
Wij zijn voor dit overzicht van den kerkelijken toestand in Hongarije, en van de Gereformeerde beweging in het bijzonder dr. Sebestyen ten zeerste dankbaar. En wij hebben dan ook gaarne gebruik gemaakt van zijn belangwekkend artikel in „De Rotterdammer", gelijk we te voren ook volgden wat hij b.v. schreef in „Antirevolutionaire Staatkunde", uitgave van de dr. Kuyperstichting te Den Haag.
Ieder land heeft toch weer z'n eigen geschiedenis, ook z'n eigen Kerkgeschiedenis. Maar wat is er ook weer veel, dat we met elkaar gemeen hebben ! Werke de Heere met Zijn Geest en Woord hier en elders !
Concentratie van Christelijke Scholen
Op die omschrijving „Christelijke Scholen" in dit verband kan men terecht aanmerking maken, 't Moet natuurlijk zijn Concentratie van Bijzondere Scholen, d.w. z. - Scholen, die niet van de Overheid uitgaan en dus geen „Openbare" Scholen, maar scholen, die van bijzondere vereenigingen enz. uitgaan, zoowel bijzondere neutrale, als bijzondere Protestantsch Christelijke, alsook bijzondere Roomsche soholen (waarbij zelfs nog bijzondere Vrijzinnig-religieuse scholen zouden kunnen genoemd worden).
Concentratie van bijzondere scholen (bij het „bijzonder onderwijs", zooals men gewoonlijk zegt) is aan de orde. Maar wij willen heb nu gemakshalve over „onze" Christelijke Scholen (onze Protestantsch-Christelijke Scholen, of onze Scholen met den Bijbel) hebben.
Om oorzake, dat er bezuinigd moet worden en dus om oorzake dat de uitgaven minder zullen worden, dringt de Regeering aan op concentratie van Christelijke Scholen, op 't platteland en in de stad. Waar op een dorp twee Christelijke Scholen zijn, zou de Regeering er graag — zoo mogelijk — één zien, waar er drie zijn twee, enz. Ook in de steden zou hier en daar een Christelijke School kunnen worden vereenigd met een andere bestaande school, enz. Om te bezuinigen, dus om minder uitgaven te krijgen.
Theoretisch is deze redeneering en dit voorstel verstandig en aannemelijk.
Er zou inderdaad wel gecombineerd, vereenigd en veireenvoudigd kunnen worden.
Maar wanneer de Regeering nu spreekt van teleurstelling inzake de vrijwillige concentratie, dan vergete men toch niet, dat de Regeering zelve in gebreke is gebleven om den weg te effenen en heeft nagelaten de allereerste en allernoodzakelijkste maatregelen te treffen om financieel eventueele concentratie tot stand te brengen.
Minister Marchant heeft wel een lijst laten opmaken van bijzondere scholen (we denken hier dus weer bijzonder aan onze Christelijke Scholen met den Bijbel), die voor concentratie naar zijn oordeel in aanmerking konden komen, maar wat er met de geldelijke verplichtingen der betrokken Schoolvereenigingen gebeuren moest (kwestie van waarborgsom, obligatieleening enz.) heeft de Minister niet gezegd. Hij heeft gedaan, alsof dat wettelijk niet geregeld behoefde te worden ; althans hij heeft het niet bevorderd, dat het wettelijk geregeld werd.
Dat er zoo van de vrijwiliige concentratie van Christelijke Scholen niet veel terecht is gekomen, behoeft waarlijk niet te verwonderen. Onze Schoolbesturen konden en mochten zonder wettelijke regeling eigenlijk niet tot opheffing van een school overgaan, daar zij geldelijke verplichtingen hadden en hebben, waarvan niemand zich zóó maar kan en mag losmaken. Het is goed dat het lid van de Tweede Kamer, mr. Terpstra, oud-minister van Onderwijs, daarop bij het debat in de Kamer nog eens gewezen heeft. Hij zei:
»Ik zou den Minister ten slotte twee dingen in overweging willen geven. Ten eerste. De ambtsvoorganger van dezen Minister heeft in Juni '34 aan de organisaties van Bijzondere Scholen lijsten gezonden van scholen, welke naar zijn aanvankelijke meening voor opheffing in aanmerking kwamen. Ongeveer een maand daarna hebben de organisaties den Minister er op gewezen, dat zij de vrijwillige opheffing van Bijzondere Scholen niet zouden kunnen bevorderen, indien de Wet niet zóó werd gewijzigd, dat waarborgsommen werden terug gegeven en de vergoeding voor de schoolgebouwen van vóór 1920 werd geregeld. Hoe kan dan iemand ontevreden zijn over de resultaten der vrijwillige concentratie ? Men kan eerder de Regeering in gebreke stellen en bijna vragen : Was het de Regeering wel ernst met haar verzoek om vrijiwillige concentratie ? Nu, in dit wetsontwerp, hebben wij de regelingen, waarom lang gevraagd is«.
»Maar« — Zoo vervolgde mr. Terpstra — »nu wordt tegelijkertijd op grond van het falen der vrijwillige opheffing de gedwongen opheffing voorgesteld. Voor een dergelijk beleid kan ik geen bewondering hebben. Laat de Regeering genoegen nemen met het tot stand brengen van die regelingen in het wetsontwerp, welke noodig zijn om de vrijwillige opheffing mogelijk te maken«.
In den zelfden geest had ook gespoken jhr. De Geer, de Chr. Historische afgevaardigde. Hij sprak als volgt:
»Nu zullen sommigen antwoorden (toen op de vrijwillige concentratie werd aangedrongen) : zeer zeker, gij hebt daarin gelijk, maar tot die vrijwillige concentratie wil het Bijzonder Onderwijs niet komen. Daarom moet deze blinde valbijl-methode wel gevolgd worden. Hierop mijn wederwoord : Wacht eens even. Tot nu toe werd de vrijwillige concentratie in sterke mate geremd door de ongeregelde positie, waarin de Schoolbesturen verkeerden ten aanzien van de terugbetaling der waarborgsommen en de schadeloosstelling ter zake van nog op de Schoolvereenigingen rustende verplichtingen. Door par. 13 wordt nu de weg vrijgemaakt«.
»Laat ons nu« — zoo vervolgde jhr. De Geer — »de natuurlijke groei afwachten, nu par. 13 de (banden slaakt. Blijft het resultaat onbevredigend, dan kan men later nog het nemen van maatregelen, als thans in par. 12 voorgesteld, in ovenweging nemen*.
De S.G.P. afgevaardigde, de heer Van Dis, sprak in dezelfde toon. Ook deze wees er op, dat het niet tijdig indienen van een wettelijke regeling der schadevergoeding een groot beletsel voor de concentratie was geweest.
De R.K. heer Suring zei:
»De Bijzondere School kan tot dusverre niet tot vrijwillige concentratie overgaan, om de eenvoudige reden, dat zij dan of de waarborgsom, zijnde 15 % van de gelden, uitgegeven voor bouw en eerste Inrichting, zou verliezen, aan de gemeente cadeau zou doen, of dat zij geen schadeloosstelling zou krijgen voor het gemis van de gebruiksvergoeding.
Was het een billijke eisch, mag ik vragen, dat het Bijzonder Onderwijs zich deze groote geldelijke verliezen zou getroosten ? «
Waarom wij deze dingen hier nog eens zeggen ? Omdat nu vrijwillige concentratie aan de beurt is. De weg is er voor geëffend. De belofte is door de verschillende christelijke partijen gedaan.
Vóór dat nu de gedwongen concentratie komt, is nu de plicht van vrijwillige concentratie waar dat eenigszins mogelijk is.
Het zou ons niet verwonderen wanneer de groote Christelijke Schoolorganisaties, die heel het land bestrijken, nu zullen trachten elkander te zoeken en te vinden, om nu gemeenschappelijk te helpen aan de vrijwillige concentratie waar dat eenigszins mogelijk is.
Of de moeilijkheden niet vele zullen zijn ? Ongetwijfeld ! Maar ten eerste zijn de moeilijkheden om die ernstig onder de oogen te zien — liefst met elkander — om ze, zoo mogelijk te overwinnen!
En althans moeten de moeilijkheden, waar ze niet te overwinnen zijn, worden aangetoond en aan de Regeering worden bekend gemaakt. Liefst na met elkander over deze moeilijkheden in eigen kring gesproken te hebben. Dwang is te wachten. De „valbijlmethode" dreigt grimmig werkelijkheid te zullen worden.
Daarom moeten we trachten dit te voorkomen, en moeten we — gelijk beloofd is — met elkander alles doen wat mogelijk is, om zonder dwang iets te bereiken, wat we dan straks met vrijmoedigheid kunnen voorleggen voor aller oog; allereerst natuurlijk voor 't oog van den Minister, die 't waarlijk niet gemakkelijk heeft!
Het Kabinet wil, blijkens de Regeerings-verklaring op korten termijn door een Commissie de kwestie van een „wettelijke regeling om de concentratie van bijzondere scholen te bevorderen" laten onderzoeken en beslissen.
Die Commissie van „korten termijn" is nu benoemd.
Er is dus haast bij, dat wij in eigen kring aan 't werk gaan, om te doen wat gevraagd en wat beloofd is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's