WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT
De Secte der „Voetwassching”
In het Handelsblad heeft het volgende verhaal gestaan (we lazen het in De Bazuin), dat we zonder commentaar doorgeven. 't Is een fraaiigheid uit Rotterdam, waar men struikelt over : allerlei „vergaderplaatsen", „localen", kerkjes", enz. Het verhaal luidt aldus :
Sedert eenigen tijd bestaat hier een nieuwe godsdienstige beweging, de z.g.n. „Secte der voetwassching", die zich ook wel het „Leger des Heeren" noemt. Den laatsten Zondag van elke maand houdt zij een bijeenkomst; die van hedenavond hebben wij bijgewoond.
De vergaderplaats van de secte is een armoedig zaaltje in de Lange Franken-straat, een steegje bij den Goudschesingel. De kansel bestaat uit een tafeltje, dat versierd is met kaarsen op roodgelakte houten kandelabertjes. Voor den kansel staat, iets lager, een ander tafeltje met een wit keukenzeiltje er over, 't altaar, zooals later blijkt
Als wij om zeven uur binnen treden, zijn er nog maar vijf gemeenteleden aanwezig : een officier met een E en een ster op zijn kraag, die een geellederen koppel draagt; een gemeen soldaat zander ster en zonder koppel, benevens drie anderen. De E houdt vermoedelijk verband met de zinspreuk der secte, te weten Efeze 4 vers 5, luidende : „Eén Heere, Eén Geloof, Eén Doop". In groote letters staat deze tekst op een spandoek boven den kansel geschreven.
De broeders en zusters vertellen elkaar en ons vóór het begin van hun ervaringen en goede werken ; een vrouw heeft vanmorgen anderhalf brood aan een behoeftige buurvrouw geschonken. Een logementsgast heeft de mede-bewoners van zijn huis een of ander genoegen gedaan. Een derde heeft een 99-jarigengrijsaard handenklappend. de eeuwigheid zien ingaan, terwijl zijn kinderen aan het sterfbed godsdienstige liederen zongen.
Als om kwart over zevenen nog niet meer dan twee bezoekers binnen zijn - een verslaggever van een plaatselijk blad en schrijver dezes - besluit men een bidstond te houden. Een der aanwezigen neemt de leiding. Hij knoopt een witsatijnen doek, die hij voortdurend om den hals draagt, los, en heft een koor aan, waarmee de anderen instemmen. Voortdurend zingt en bidt men ; gebed en zang gaan onmerkbaar in elkaar over. Er wordt zingend gebeden en biddend gezongen. Eindeloos herhaalt men één zin, : „Heilige Geest, kom over ons'!" Afwisselend wordt er voortdurend „amen" en „halélujah" geroepen. De leider van de secte, die commandant, genoemd wordt, is inmiddels binnengekomen. Als tegen 8 uur eenige tientallen belangstellenden zijn binnengekomen, zal de dienst beginnen. De oificier met de eene ster de commandant heeft er drie neemt de leiding. Het blijkt een soort liturgie te zijn, die verloopt in denzelfden zin als de bidstond even te voren. Nu en dan houdt de officier een korte toespraak. Daar tusschen door rijst er soms plotseling een aanwezige omhoog om God te danken voor de goede daden, die hij de laatste weken heeft mogen verrichten. De anderen roepen „amen".
Tijdens den dienst komt de pianist binnen en zet zich, na zich van jas en hoed te hebben ontdaan, achter de piano, om den dienst te begeleiden. De commandant heeft zich inmiddels teruggetrokken achter een gordijn. Zijn koppel en jas trekt hij uit, en over den rooden schipperstrui glijdt een lange witte linnen toga, welk ornaat voltooid wordt met een breeden purperen kraag, gekruiste purperen banden over de borst en een gordel in dezelfde kleur om de lendenen. Als hij te voorschijn treedt, trekt de officier zich terug, en alles wordt doodstil; de commandant, die nu als priester optreedt, geeft den zegen, leest een aantal bijbelpassages voor, om na een gemeenschappelijk gezang opnieuw voor te lezen ; uit dit stuk moet blijken, dat God „bij tijden zijn autóriteit op aarde heeft verloren en dat Hij haar op 1 December 1934 heeft doen terugkeeren te midden van het Leger des Heeren, dat beschouw moet worden als de voortzetting van de enige gemeente van Christus". Door een lied aan te heffen en tegelijkertijd de rechterhand naar den hemel te heffen, stemt de gemeente met de geloofsbelijdenis, die nog tal van andere punten bevat, in. De preek, die dan volgt, is betrekkelijk kort. „Ik zie een poort wijd openstaan", zegt de priester, „een ieder kan er binnengaan, mits hij de volledige wapenrusting Gods aangorde. Het schild des geloofs te dragen is onvoldoende ; men moet zich tevens stipt houden aan de verordeningen des verbonds". De spreker legt dan de beteekenis uit van het Heilig Avondmaal en van de voetwassching. Ook het offer, zoo vervolgt hij, moet in stand gehouden worden. Dit offer is echter uitsluitend bestemd voor het betalen van zaalhuur en voor de uitdeeling van brood en soep aan behoeftigen ; niet voor den leeftocht der officieren en soldaten. Onder het zingen van een lied werpt dan ieder lid der gemeente een dichtgevouwen papiertje met geld erin op het tafeltje, 'dat tot altaar dient. De priester legt er twee neer. Dan draagt hij achtereenvolgens het brood en den wijn, die met water gemengd wordt, op aan God, en breekt het brood. Knielend smeekt hij den zegen af. Hij ontsteekt vervolgens een schoteltje wierook.
Alvorens het brood en den wijn rond te dienen gaat de priester over tot de voornaamste plechtigheid van den avond; de voetwassching. Hij knielt voor een ouden man neer, wascht zijn voeten met water uit een glazen schaal en droogt ze daarna af aan een handdoek en aan het linnen kleed, dat hij draagt. Hij herinnert er aan, hoe Jezus handelde bij de voetwassching en hij herhaalde Diens Woorden tot de gemeente : Gij zijt elkander schuldig de voeten te wasschen. Na dit ceremonieel wascht de priester zijn handen in een bakje met water, en zegt: „Ik wasch mijn handen in onschuldi". 'Daarna neemt hij een brokje van het avondmaalsbrood, reikt het blikken schaaltje dan aan den officier, die er ook van neemt, en er vervolgens mee rondgaat door het zaaltje. Hij eindigt bij den pianist, die zijn spel niet onderbreekt. Hetzelfde geschiedt als de wijnbeker rondgaat.
De officier neemt dan het verdere gedeelte van den dienst weer over, want de priester gaat zich achter het gordijn verkleeden. Op liturgische wijze wordt de bijeenkomst tot een einde gebracht.
Boven de kachel, die rood gloeiend staat, hangt een karton met het opschrift: „Hebt gij klachten, wendt u tot den commandant."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's