De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD

11 minuten leestijd

Genesis 8 : 15—17. Toen sprak God tot Noach, zeggende: ga uit de ark, gij en uwe huisvrouw en uwe zonen en de vrouwen uwer zonen met u. Al het gedierte, dat met u is, van alle vleesch, aan gevogelte en aan vee en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan. En dat zij ovemvloediglijk voorttelen op de aarde en vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen op de aarde.

5e Serie.
V.
Zoo staat dus Noach's ingang en uitgang onder de toelichting eener buitengewone, bijzondere genadedaad Gods. Bij zijn ingang in de ark en bij 2djnen uitgang uit de ark, spreekt de Heere als met luider stemme Zijn woord. De Heere betoonde Zich daarin „de Eerste en de Laatste". Zoo wordt het leven van dezen man Gods, zijne uitredding uit de ondergaande wereld door zijnen ingang in de ark en zijn uitgang uit de ark, een blijvend exempel van de redding der kinderen Gods, van hunne uitleiding uit de wereld, die in het booze ligt, van hunne inleiding in het Koninkrijk des lichts. De Heere is de Werkmeester huns heils en Hij alleen. Hij is in de voorhoede en in den achtertocht. Zoo is Hij de Zaligmaker der Zijnen, hun levensbegin en hun levenseinde. Hij gaat achter Noach staan en wijst hem den weg in de ark en Hij staat achter hem en wijst hem den weg uit de ark. Dit doet Hij voor Noach zelven en Hij doet het voor al het zijne en voor alles wat Hij hem medegaf in de ark. Zoo symboliseert Gods leiding met Noach de leiding Gods met Zijn kinderen, die wedergeboren het Koninkrijk Gods zien en met dat Koninkrijk geheel nieuwe levensaspecten deelachtig worden. Voor Noach's oog ontsloot zich eene nieuwe wereld, eene nieuwe levensroeping en daarmede opent zich eene nieuwe toekomst voor de menschheld, vangt eene nieuwe periode in hare geschiedenis aan. Wat men in onze moderne wetenschap met den naam „praehistorie" aanduidt, is de periode, door den zondvloed besloten. Na dezen begint de menschheidsgeschiedenis, zooals zij wordt gedragen, althans in hare hoofdlijnen, door gegevens van andere orde, die, hoe diep zij ook opklimmen in de oudheid, tooh zich kenbaar maken in overblijfselen, schriftgegevens en monumenten.
Maar voor Noach opende zich eene nieuwe wereld, een nieuw leven, eene nieuwe levenstaak, want de drooggeworden aarde riep hem tot nieuwen cultuur-arbeid. Zijne geslachten zouden zich ontplooien en in die zich ontplooiende geslachten zou God de Heere de gouden draad Zijner verkiezende genade openbaren, zooals zij in de volgende eeuwen zich krachtdadig zou doen gelden in de roeping van die geslachten, waaruit ten laatste Gods uitverkoren volk en uit dat uitverkoren volk Hij voortkomen moest, in Wien de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker, en Zijne liefde tot de menschen verschijnt.
Zoo was het dus een ontroerend oogenblik, toen Noach uit de ark zou gaan. Het gewichtige, het beslissende karakter van hetgeen nu stond te gebeuren, wordt in het licht gesteld doordat de Heere Zijnen mond opende en tot Noach sprak als met een hoorbare stem. Zoo werd aan Noach Gods weg klaar. De Heere, die hem had ingeleid, leidde hem uit, want hij moest verzekerd zijn, nu zich deze nieuwe aarde ontsloot voor zijn voet, dat hij niet alleen uitging, niet handelde op eigen gezag en naar eigen 'begeerte, maar dat de Heere met hem ging, dat hij in Gods weg optrok. En ook daarbij blijkt, dat de weg des geloofs slechts wordt afgelegd in teedere gemeenschap met Hem, die het licht Zijner kinderen is. Gods kind kan alleen wandelen in Gods weg, en als hij daarbuiten gaat, leert hem de ervaring, dat hij dwaalt als een verloren schaap. Noach moet uitgaan, ten volle verzekerd van de genade zijns Gods.
„Ga gij uit de ark", zoo sprak God tot Noach, ,, gij en uwe huisvrouw en uwe zonen en de vrouwen uwer zonen". Er is in de wijze, waarop de opsomming gegeven wordt, een verschil op te merken in vergelijking met vroeger gegeven bevelen. Eerst had de Heere gezegd (Gen. 7:1): Ga gij en uw gansche huis in de ark". En als de intrede wordt beschreven, vers 13.» dan zegt de Schrift: Even op dienzelfden dag ging Noach en Sem en Cham en Japheth, Noach's zonen, desgelijks Noach's huisvrouw en de drie vrouwen zijner zonen met hem in de ark". En hier wordt gezegd : „Ga uit de ark, gij en uwe huisvrouw, en uwe zonen en de vrouwen uwer zonen met u". Over dit onderscheid wordt gewoonlijk wel heengelezen, maar het is toch niet zonder beteekenis. Het gaat niet aan, hier aan eene onopzettelijke, toevallige wijziging te denken. Het feit, dat het bevel bij de intrede in de ark anders luidde dan bij den uitgang en er in de wijze, waarop de .geslachten gegroepeerd worden, een opvallend onderscheid is, kan niet zonder bedoeling wezen. En al gaat men nu bij de verklaring daarvan niet zoover als sommige der alleroudste verklaarders onder de Joden, als zou er hierbij sprake zijn van een herstel der samenleving in het huwelijk, die door den zondvloed zou zijn opgeschort, toch blijkt er wel uit, dat deze gewijzigde opsomming in verband staat met de hernieuwing der historische ontwikkeling der menschheid. Er is eene soort van wat ik „toespitsing" zou kunnen noemen in de wijzen der opsomming. In het eerste bevel moet Noach en zijn gansche huis in de ark Ingaan. Daarmede wordt dus in het algemeen aangegeven, dat Noach en allen, die met hem in levenscontact staan, die als het ware, in het verbond, dat de Heere met hem had opgericht, begrepen waren, moesten ingaan. In Gen. 7 : 13 worden Sem, Cham en Japheth, Noach's zonen, met name genoemd. En daarbenevens worden Noachs' huisvrouw en de drie vrouwen zijner zonen slechts geteld en niet genoemd. En ik heb er bij de behandeling der plaats op gewezen, dat deze wijze van opsomming samenhangt met het strikt patriarchale karakter van de familie, gelijk deze bij de oude volken voorkomt en die vooral bij wat men de Semietische volkeren noemt, inheemsch is. Het erfrecht plant zich daar voort in de mannelijke lijn en de vrouw wordt daarbij uit hare familie losgemaakt en zoo tot eigendom der familie van den man. Het is dan ook in het licht dezer patriarchale verhoudingen begrijpelijk, dat wel Noach's zonen bij name worden genoemd, maar de namen der vrouwen worden verzwegen. Zij toch behoorden wezenlijk tot de familie van de zonen Noach's, waren daarin geheel, met afsnijding van de relaties met hare eigene families, waarin zij geboren waren, opgenomen. Doch waar nu de Schrift ons Noach's uitgang verhaalt, daar zegt God : „Ga uit de ark, gij en uwe huisvrouw en uwe zonen en de vrouwen uwer zonen met u". Daar treedt dus Noach als het hoofd des verbonds, zelve weder in het volle licht. Hij verschijnt als de hoofdfiguur, als de man, die het centrum is in de reddende daden Gods, van wien uit dus de lijnen getrokken zullen worden in de toekomstige geschiedenis. Doch hij wordt nu terstond met zijne huisvrouw voorgesteld. God zegt tot hem : „Ga uit de ark, gij en uwe huisvrouw". Noach wordt ons hier voorgesteld als met haar gepaard. En datzelfde geldt van de zonen, want God voegt er aan toe : „en uwe zonen en de vrouwen uwer zonen". Ook deze worden dus gepaard voorgesteld. En het ligt voor de hand, dat deze andere groepeering eene beteekenis heeft. De Heilige Geest heeft daarmede eene bijzondere bedoeling, die wèl geene andere zijn kan dan deze, dat aan de toekomende geslachten zal duidelijk zijn, dat van Noach en de zijnen uit de bevolking der aarde opnieuw is aangevangen. Hier worden Noach en zijne huisvrouw en Noach's zonen en hunne huisvrouwen ons als vier paren voorgesteld, waaruit de nieuwe menschheid, die de aarde bewonen zal, opkomen moet. In deze vier paren sluimerde de gansche toekomstige bevolking der aarde. En van deze uit gaan de linies der toekomende geslachten. Deze geslachten worden alzoo van hunnen oorsprong uit onderscheiden en hoewel zij in laatste instantie uit het ééne verbondshoofd Noach stammen, leert de geschiedenis, dat de verhouding, waarin zij elk in het bijzonder in het verbond staan, niet dezelfde is, terwijl ook daarvan geldt, dat naarmate de eeuwen voortschrijden, de eigenaardigheden en de afwijkingen, die Noach's zonen vertoonden, zich steeds verder hebben ontplooid. In Noach's nageslacht wordt het duidelijk, dat de verkiezing en het verbond ten nauwste met elkander zijn verbonden. Waar de lijn der verkiezende genade ophoudt, daar houdt ook het genadeverbond op. Daar blijft wel voor den mensch hetgeen hem krachtens schepping toekomt, zooals ons in Rom. 1 : 20—32 wordt beschreven, dus eene natuurlijke kennis Gods, maar van de werking der particuliere genade is daar geene sprake meer, totdat in den Heere Jezus Christus, zooals de apostel zegt, „gij, die eertijds verre waart, nabij geworden zijt door het bloed van Christus, die den middelmuur des afscheidsels breekt en vrede verkondigt dien, die verre zijn en dien, die nabij waren en de toegang ontsluit door éénen Geest tot den Vader".
Zoo wordt ons dus bij Noach's uitgang door eene nieuwe groepeering der personen aangewezen, hoe de bevolking der aarde zich zal voltrekken van uit deze vier geslachten. Noach, als de drager des verbonds, is onder deze de eerste, de albeheerschende uit geestelijk oogpunt bezien. Van hem gaan als het ware de stralen des Geestes uit, voltrekt zich de wederbaring van Gods Kerk te midden eener wereld, die in het booze ligt. De levenskern des verbonds draagt Noach, het licht van dat verbond gaat van hem uit, doch straalt over de nakomelingschap uit, onder leiding der verkiezende genade Gods.
En bij Noach en de zijnen sluit in aan hetgeen er verder in de ark was. God somt het aan Noach op : „Al het gedierte, dat met u is, van alle vleesch, aan gevogelte, aan vee en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde is". En God beveelt: doe het met u uitgaan". Ook hier is er onderscheid tusschen het Godsbevel, dat den ingang in de ark en het Godsbevel, dat den uitgang bepaalt. Toen de ingang werd beschreven, heette het in Gen. 7 : 14 : „zij en al het gedierte naar zijnen aard en al het vee naar zijnen aard, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde : kruipt, naar zijnen aard, en alle vogeltje van allerlei vleugel". Van ieder der dieren wordt er dus bij gezegd, „naar zijnen aard", bij de vogels wordt dit gewijzigd in „van allerlei vleugel". De strekking dezer toevoeging is duidelijk aan te wijzen, dat de exemplaren met nauwkeurigheid gekozen waren als dragers van de typische kenmerken der soort. Maar bij den uitgang uit de ark, wordt daarop niet meer gewezen, omdat zulks volmaakt overbodig geweest zou zijn. Bij den ingang waren zij zorgvuldig verkoren. Dat was noodlg voor de zuiverhouding der soorten. Maar nu zij uitgaan, gingen zij uit, zooals zij ingekomen waren en volgen zij dus de bestemming, die God de Heere Zich voorgesteld had.
Het blijkt uit deze kleine verschillen in den tekst, dat er van willekeurige herhalingen of willekeurige weglating van bijzonderheden geene sprake is, dat wij hier niet van doen hebben met een samengeflanst verhaal, dat uit allerlei brokstukken, uit verscheiden bronnen genomen, werd opgebouwd, maar met een verhaal, dat uit één grond werd gedacht, dat door één auteur werd voortgebracht, die tot in de kleinste bijzonderheden zich rekenschap heeft gegeven van elken trek, met het litteraire penseel getrokken. En hoewel het alle eigenaardige karaktertrekken heeft, die aan den Hebreeuwschen verhaaltrant eigen is, draagt het toch het karakter eener eenheid, tengevolge waarvan alle doellooze herhaling zorgvuldig wordt vermeden. Gods Heilige Geest leert schilderen op eene treffend schoone, maar ook op eene bij uitnemendheid klare wijze, zoodat ook in de kleinste bijzonderheden de albeheerschende eenheid der idee wordt vastgehouden. Zij laat haar licht opgaan over de gansche teekening, die ons wordt voorgelegd als een werkstuk van Gods genade, voltrokken in de geschiedenis der menschheid.
Van de dieren zegt nu de Heere tot Noach : „doe ze met u uitgaan". Welk eene bijzondere voorzienige zorg openbaart hier God de Heere ook over de dieren. Hij stelt er Noach verantwoordelijk voor. Hij moet zorg dragen, dat zij uitgaan uit de ark. Geen enkele, ook niet de onwaardigste naar menschelijke beschouwing, mag achterblijven. Hij moet ze uitbrengen alle, die de Heere in de ark ten leven Zich behouden had. Onder Noach's hoede werden zij nu gesteld. Van de wijze, waarop hij ze uitleidde, vernemen wij niet. De weg werd ook den dieren ontsloten, die de mensch behoefde voor zichzelven, voor den dienst des Heeren in het bijzonder. Zoo verschijnt de leiding Gods met Noach en al hetgeen de Heere tot behoudenis had voorbestemd als wonderbare voorzienigheid, die de eeuwen door aan Gods kinderen predikt, dat zij met vrijmoedigheid mogen smeeken : „Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's