MEDITATIE
„Vrees niet, geloof alleenlijk"
Marcus 5 vers 36b.
„Vrees niet, geloof alleenlijk"
Jezus had in 't land der Gadarenen een ongelukkige verlost uit de macht der duiiternis. Als de inwoners des lands echter gehoord hebben, dat de onreine geesten, wier naam legio was, na hun uitwerping in de zwijnen gevaren waren en deze hadden neergestort in de diepte der zee, waarin zij versmoorden, dan bidden zij Jezus dat hij uit hun landpalen vertrekken zou. Zij hadden hun zwijnen liever dan Jezus !
Jezus voer nu over naar de andere zijde, waar eene groote schare zich spoedig rond Hem vergaderde, bij de zee.
En ziet, zoo lezen wij, een van de oversten der Synagoge, met name Jaïrus, Kwam, en Jezus ziende, viel hij aan Zijne voeten.
De evangelist mocht wel schrijven : „en ziet", want waren de Oversten der synagoge niet de grootste vijanden van Jezus ? Lezen we niet: „Wie van de oversten heeft in Hem geloofd of uit de farizeën ? " Er moest heel wat gebeuren, eer zulk een vijand tot Jezus kwam. De Heere echter is groot van daad en Hij weet den mensch wel te brengen waar wij van nature niet wezen willen, aan de voeten van Jezus. Wie zou ooit aan Jezus' voeten terecht komen, als Hij er hem niet bracht? Maar de Heere bezit ook tal van middelen, waardoor Hij zijn vijanden aan Jezus' voeten brengt. Bij Jaïrus was het de krankheid van zijn dochtertje, een kind van twaalf jaar. Dat kind, de liefde van zijn hart, lag op haar uiterste. Alles zal Jaïrus zeker wel hebben aangewend tot haar genezing. Niets zal hij hebben gespaard, want wat zou een mensch niet geven tot redding van het leven van wat hem dierbaar is. Alle middelen ter genezing aangewend, waren echter te vergeefs geweest en zijn kind lag op haar uiterste. Het scheen of de dood er mee gemoeid was. Aan 's menschen kant was het buiten hope en afgedaan.
Maar nu werkt de Heere 't geloof in zijn ziel, dat bij Jezus redding voor zijn kind te vinden is. Bij Hem, dien hij vroeger steeds verworpen had. Maar nu haast hij zich tot Jezus, nu kan hij 't in zijn huis niet langer houden. Hij wordt niet weerhouden door de binnenpraters in zijn hart, die tot hem zeggen : maar moet gij nu, een overste der synagoge, naar Jezus heen ? Wat zullen de Farizeën en Schriftgeleerden daar wel van zeggen ? Hij is niet te weerhouden door de influistering in zijn binnenste van den satan : och, wat zou Jezus nu nog vermogen, waar uw kind reeds op haar uiterste ligt. Neen, 't geloof, door den Heere in zijn binnenste gewerkt, dat bij Jezus nog redding te vinden was, is zóó krachtig en levendig en wordt door Hem zelf zóó in 't leven gehouden, dat niets en niemand Jaïrus weerhouden kan en hij haast zich tot Jezus, valt aan Zijn voeten neer en bidt Hem zeer, zeggende : „Mijn dochtertje is in haar uiterste. Ik bid U, dat gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde en zij zal leven".
Welk een geloofsopenbaring ! Wat een openbaring van Gods werk in het hart van Jaïrus ! Hij wil geen proef nemen miet Jezus of Hij misschien machtiger is en wijzer dan de geneesmeesters, tot wie hij zich reeds gewend heeft. Neen hij twijfelt niet aan Jezus' almacht, hij gelooft het, omdat de Heere zelf het hem te gelooven geeft, dat als Jezus maar met hem mee wil gaan, zijn kind de handen op wil leggen, 't behouden zal worden, en zal opstaan van den rand van het graf.
Vleesch en bloed openbaarden Jaïrus dit niet, neen, 't was vrucht van Gods genade, die hem deed doorblikken door het voorhangsel van Jezus' menschheid en hem deed gelooven dat vóór hem stond de sterke God.
En wat lezen we nu van Jezus ? Wees Hij Jaïrus af ? Verweet Hij hem zijn vroegere vijandschap ? Zeide Jezus tot hem, dat Hij met zulk een niet te doen wilde hebben ?
Neen, de Heere werpt niet uit, die door Gods genade tot Hem de toevlucht leeren nemen. Hij doet geen half werk. Hij laat niet varen wat Zijn hand begint, omdat Hij het begint alleen om een grond in Zichzelf.
Jezus ging met hem, zoo lezen we. O, troostvolle waarheid voor de ziele, die met haar eeuwigheidsnooden tot Hem de toevlucht leert nemen, als een vrucht van Gods genade.
Jezus ging met Jaïrus mee. Hij, van wien deze Overste der synagoge geloofde dat Hij machtig was aan zijn kind een afgesneden zaak te doen, maar ook Hij alléén. Wat zal Jaïrus met blijdschap vervuld zijn geweest toen Jezus zijn wensch en bede vervulde en met hem ging naar zijn huis. Maar waar zijn kind op haar uiterste lag, zal hij ook wel met Jezus als op vleugelen hebben willen heenvliegen naar zijn huis. Er was toch haast bij de redding van zijn kind !
Maar och, wat werd Jaïrus' geloof beproefd onderweg.
Een vrouw, reeds twaalf jaar lang lijdende aan een kwaal, die al haar kracht opteerde en ook een verlorene was van 's menschen kant, nergens toch genezing gevonden hebbende en alles te vergeefs ten koste gelegd hebbende aan vele medicijnmeesters, kwam tot Jezus, eveneens uit geloof dat bij Hem nog redding te vinden was. Haar geloof werd niet 'beschaamd gemaakt. Zij mocht ervaren dat Jezus machtig is een gansch afgesneden zaak te doen op aarde.
Maar welk een beproeving voor Jaïrus, dat die vrouw Jezus zoo lang ophoudt op den weg, want zijn kind lag toch immers reeds op haar uiterste, toen hij zijn huis verliet! Het was wel tot versterking van Jaïrus' geloof, toen hij van dit wonder van Jezus' reddende almacht getuige mocht zijn, maar de tijd drong zoo. Het kon elk oogenblik met z'n kind gedaan zijn !
Maar welk een schrikkelijk gebeuren dan ook als Jezus nog spreekt met de genezen vrouw, dan komen eenigen uit 't huis van den overste der synagoge, zeggende : „Uw dochter is gestorven, wat zijt gij den Meester nog moeilijk ? " Welk een ontzettende boodschap !
Wat was Jaïrus verblijd geweest, toen Jezus zijn verzoek had ingewilligd om met hem mee te gaan, daar hij geloofde dat voor zijn dochtertje bij Jezus nog uitkomsten waren tegen den dood, maar ook bij Hem alléén.
Zooeven had hij de openbaring van Zijn wondere almacht nog aanschouwd en nu die boodschap „Uw kind is gestorven". Ja, men voegt er aan toe „Wat zijt ge den Meester nog moeilijk ? "
Nu uw kind gestorven is, nu is 't immers toch te laat, voor altijd. Nu 't leven geweken is, hoe zou er nu nog verwachting zijn ? Val den Meester nu toch niet langer moeilijk, 't is nu immers toch afgedaan, zoo spreken zij den ontroerden vader toe in hun blindheid en dwaasheid. Alsof de macht des Heeren dan geen almacht is en onbegrensd !
Jezus hoort de tijding, die men Jaïrus heeft gebracht en genoeg is om hem alle hoop te ontnemen en Hij spreekt hem aldus, toe : „Vrees niet, geloof alleenlijk".
De boden uit zijn huis hadden hem toegeroepen wat in staat was hem alle hope Op 't behoud van zijn kind te ontnemen, maar Jezus betoont zich de God te zijn, die niet laat varen de werken Zijner handen, die Zijn eigen werk in stand en in 't leven houdt.
„Vrees niet, geloof alleenlijk". Wondere woorden! Niet vreezen , maar zijn kind is toch gestorven ?
Gelooven, terwijl het leven reeds uit zijn dochtertje geweken is ?
Gelooven, dat het ook nu nog; niet verloren en buiten hope is ? Dat ook nu nog redding bestaat ? Dat z'n kind ook nu nog kan en zal behouden worden ?
Och, al hadden duizend menschen tot Jaïrus gezegd : „Vrees niet, geloof alleenlijk", het. zou niet hebben gebaat en 't was te vergeefs geweest. Maar Hij, die het sprak, was 'de Zone Gods uit den hemel. De God, die in Zijn spreken alles meebrengt. Wiens spreken is een daad Gods in de ziel.
God spreekt geen klanken en woorden, maar God spreekt daden. Waar Zijn Woord is, daar is heerschappij. Als Hij spreekt : „Vrees niet", dan zinkt de vreeze onder de voeten weg. Dan gaat er geloofskracht van Hem in ons binnenste uit en gelooven we, als Hij spreekt: „geloof alleenlijk". Dan gelooft Zijn volk zelfs het meest ongelooflijke voor 't verstand, voor vleesch en bloed. Dan worden alle tegensprekingen in 't binnenste gevangen genomen, de binnenpraters 't zwijgen opgelegd, alles aan banden gelegd wat zich tegen dat geloof verheft in 't binnenste. O, dan gelooft Jaïrus dat, al is zijn kind reeds gestorven, het voor den Heere nog niet te laat is, 't toch nog niet buiten hope en verloren is, neen, dat Hij de machtige God is om een afgesneden zaak aan Zijn kind te doen, 't hem uit den dood zelfs kan en zal teruggeven.
En ziet, wat is dat geloof van Jaïrus heerlijk bevestigd toen hij thuis kwam.
O, 't werd wel fel geschud in 't 'binnenste, toen hij met Jezus z'n huis binnentrad, al 't rouwbedrijf zag, maar de Heere hield zijn geloof. Zijn eigen werk in Jaïrus' ziel in 't leven en wat werd het door 'den Heere heerlijk omgezet in blij aanschouwen. Jezus vatte 't kind bij de hand, sprak slechts twee woorden en op het machtwoord: „Talitha Kuml" stond het dochtertje op uit de dooden en 't wandelde gezond voor Jaïrus' aangezicht.
Heerlijke vervulling des geloofs ! Treffende bevestiging van de waarheid, dat de Heere geen half werk doet en Hij is de opstanding en het leven in natuur en genade !
Een enkele vraag zij tot u persoonlijk gericht naar aanleiding van dit treffend gedeelte der Schrift.
Jaïrus had een doodkrank kind en met de nooden van dat kind kreeg hij uit genade de toevlucht te nemen in geloof tot Jezus. Wij hebben nu allen van nature eene doodkranke eeuwigiheidsziel, voor welke alleen, maar ook geheel, redding en behoud te vinden is bij Jezus. Maar hebt gij nu reeds uit genade met uwe eeuwlgheidsnooden tot dien Jezus geloovig de toevlucht leeren nemen, als vrucht van eene levendmakende Godsdaad aan uw ziel ?
Of kunt ge 't nóg buiten Jezus stellen ?
Buiten Hem wacht ons een eeuwig omkomen en de eeuwige dood !
Bidt den Heere, die gebeden wil worden om wat wij van nature missen, om Zijn ontdekkende, levendmakende genade, indien ge die nog mist, opdat ge uw eeuwigheidsnood bevindelijk moogt leeren kennen, er mee werkzaam gemaakt moogt worden en buiten Jezus nergens redding en vrede vindend, met een door Gods Geest gewerkt toevluchtnemend geloof tot Christus de toevlucht moogt leeren nemen eer het te laat is voor eeuwig, om in Hem ook op Zijn tijd vrede te vinden voor tijd en eeuwigheid.
Hebt ge door genade kennis aan dat geloovig toevlucht nemen tot Jezus met de nooden uwer ziel, dan leert ge' met Jaïrus en al Gods kinderen ook kennen aanvechting en bestrijding en ervaren, dat de vorst der duisternis zijn prooi zóó maar niet loslaat.
Wat kan een stem van binnen u toeroepen: 't is toch te laat, ge had eerder tot Jezus de toevlucht moeten nemen. Ge hebi 't te lang tegen den Heere uitgehouden, te zwaar gezondigd, ge zijt toch niet uitverkoren, ge hebt gezondigd tegen den Heiligen Geest. Laat den Meester maar los, val Hem niet langer lastig. Geef 't maar op, 't is toch niet voor u !
Och, wat zou er van u worden, als de Heere u niet vasthield ? Als de Heere niet instond voor Zijn eigen werk ? Als Hij niet bleef trekken ? Als Hij niet gedurig olie goot in de vlam. des geloofs, waarmee Hij u tot Zich uitdreef, doch welke vlam de vijand uwer ziele zoekt te blusschen ? Dan hadt ge 't al lang opgegeven en werd ge nog een prooi der hel en des doods, voor eeuwig. Maar de Heere laat nooit meer los, die Hij greep om Zijns Naams wil! Hij doet u ervaren dat de poorten der hel Christus' gemeente niet kunnen en zullen overweldigen. Hij doet u onderweg bij oogenblikken ervaren de ondersteuningen Zijner hand, de vertroostingen en bemoedigingen Zijner beloften, Hij spreekt tot uw ziele als de vijand u alle hope zoekt te ontnemen : „Vrees niet, geloof alleenlijk". Dan waakt 't geloof weer op en op Zijn tijd doet Hij de Zijnen ervaren dat Hij ook geeft, waar Hij .geloof voor gaf en doet Hij hen ervaren de verlossende daden Zijner genade in Christus Jezus, den vrede der ziele die alle verstand te boven gaat. Om daarin weg te zinken in aanbidding van Zijn Naam.
IJsselmuiden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's