BEKEERING VAN K. VAN GENNE
Mijn genadestaat kon ik echter door licht en duisternis meer bestendig gelooven, en ik mocht meer uit een verzekerde betrekking werkzaam zijn, door Christus tot God te mijn verzoenden Vader. Ik had bij oogenblikken vele uitlatingen van God den Vader en Zijn liefde, die Hij tot mij, ja al van eeuwigheid gehad had, zoodat ik mij hierin wel verloren heb, in aanbidding en verwondering uitroepende : „O, diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennisse Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen en onnaspeurlijk Zijne wegen". Hieronder, zeg ik, ben ik wel weggezonken in nederige aanbidding en ootmoedige dankzegging. O, wat heb ik toen wel hemelwaarts met mijn ziel mogen verkeeren, van al het aardsche zoo af. Ja, wat waren die wegen toen goed en goedertieren, hoe smartelijk anders ook. O, wat had ik wel zalige overgave van mijzelven aan den Heere, om met' mij te doen wat goed was in Zijne oogen. Ik begeerde het Lam ook zoo te volgen waar het henenging en gaf mij gedurig aan Zijn leiding en bestuur over, vertrouwende dat Hij al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal beschikte, mij ten beste zou keeren, dat Hij het met het kwade zoó zou maken, dat het niet te zeer smartte en dat Hij met de bezoeking uitkomst zou geven. Ja, ik heb ook menigmaal moeten zeggen : „Heere, bewaar mij voor rustige wegen, zoo dezelve zouden dienen, dat ik van Uwe wegen zou afdwalen ; dan verkies ik liever door druk geleid te worden, opdat ik U mag aankleven met een volkomen hart en met een willige ziel". Ja, daarin was ik een lange tijd en ik bracht , hiermee de zware weg voor mijn vleesch aan het einde, waarin ik veel Zaligheid genoten heb, ja, een onuitsprekelijke vreugde. Des Heeren wet was mij zoet en liefelijk en zalig om, in te gaan, door Goddelijke genade bekwaam gemaakt en door de liefde Gods en Christus gedrongen, door een zalige liefdedrang, uit dankbare wederliefde voor genoten genade en weldaden. Ja, ik zag ook somtijds zooveel waardigheid in God, dat het al mijn begeerten gaande maakte om Hem welbehaaglijk te wandelen, al was er geen loon of straf te wachten. Ik heb ook wel met David moeten zeggen : „Hoe lief heb ik Uw wet", en het was mijn begeerte om die steeds te betrachten de gansche dag, ja, ook des nachts. Hoewel ik bij de dag mijn ongelijkvormigheid met innige zielesmart moest gewaar worden en ik hoe langer hoe slechter werd, zoo was het evenwel de keuze mijner ziel om met Paulus te jagen naar de volmaaktheid, of ik die ook grijpen mocht, waartoe ik ook van Christus gegrepen was, en om bij het geloof deugd te voegen en bij de deugd kennis, en bij de kennis matigheid en lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde liefde jegens allen. Hiernaar strekten mijne begeerten dagelijks zich uit, om zoo een goed voorbeeld te zijn voor een ander in nederigheid en ootmoedigheid, opdat men van mij konde zeggen, dat er in mij ©en andere geest heerschte. Niet, opdat er mijn eer door vermeerderd zou worden, o neen, daar had ik in 't minst geen begeerte toe, want ik vond gedurig mijn zaligste tijden in dat niets te wezen, om zoo, als een gansch ontbloote voor den Heere Jezus neer te knielen, maar ik had gedurig heerschende begeerten om toch maar tot verheerlijking van dien goedertieren God te leven, omdat Hij het zoo waardig was. Ja, ik heb eenmaal, zoover het mij bekend is, de engelen mogen opwekken tot de lof Gods. Ik mocht toen gemeenschap oefenen met die zalige troongeesten, die hun spijze daarin aantreffen, om in de dienst en verheerlijking van Jehova bezig te zijn. Ik ging toen gedurig aan de hand van mijn hemelschen Vader, die mij goedertieren leidt, aan Wiens zorg ik mij ook gedurig kinderlijk mocht aanbevelen en toevertrouwen, daar Hij mij ook had gezegd : „Ik zal u onderwijzen in den weg, dien gij te gaan hebt. Ik zal u raad geven. Mijn oog zal op u zijn" (Ps. 32 : 8). Ik mocht enkele oogenblikken hebben, dat ik met onderwerping zeggen moest: Indien het mogelijk is, laat dan deze weg voorbij gaan, maar niet zooals ik wil, maar zooals Gij wilt. Dat het dan maar zij tot Uw eer en mijn zaligheid".
Zoo heb ik dan eindelijk mijn weg, door hulpe, van God verkregen, ten einde gebracht, waarin ik vele gedenkteekenen heb opgericht, vele Bethels en Pniëls, waarvan ik maar stukken heb kunnen meedeelen. Ja, gel. vriend, de eeuwigheid zal er niet te lang toe zijn om de wonderen, door God aan mij, nietige en diep ellendige, bewezen en grootgemaakt, te verheerlijken.
[Slot volgt].
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's