KERKELIJKE RONDSCHOUW
KOHLBRUGGE, zijn levensgeschiedenis.
III.
De dood van zijn eerste vrouw. Wat Klugkist Hesse in zijn levensbeschrijving van Kohlbrugge over het sterven van Catharina Louisa, de lieve echtgenoote van K. schrijft, is zoó belangrijk en teer, dat we dat hier nog willen meedeelen.
Hoezeer Kohlbrugge zijn Vaderland lief had, het is alsof hem alles in zijn göboorteland tot leed moet worden. Het ongeluk, dat hem zocht, kwam ook in zijn huis.
Sinds de geboorte van zijn tweede kind kwijnde zijn zoo zeer geliefde vrouw langzaam aan tering weg. Het ging elken dag tusschen hoop en vrees. Telkens weer verzocht K. zijn vrienden voor het behoud van zijn levensgezellin te bidden, want bij de bezoekingen, met welke hem de Heere dezen ganschen tijd beproefde, zou haar verlies hem een vreeselijke wonde slaan en zijn beide kleine lievelingen zeer hard treffen. Maar toch durfde hij bijzonder toen Catharina Louisa bloed opgaf, nauwelijks meer op genezing te hopen. Zooveel hij kon, bracht hij den tijd aan haar ziekbed door. En als de door hoest geplaagde een oogenblik insliep, schreef hij aan haar bed kostelijke brieven aan zijn Grootmoeder en Moeder, om ze te troosten door hun blik te richten op de eeuwigheid. Tenslotte moest hij zijn tijd verdeelen, tusschen zijn zorg voor zijn Cato en zijn ziek kind. Het had diphteritis, die juist toen in Utrecht heerschte en reeds 40 kinderen, zooals K. vernam, het leven gekost had. Het was hartverscheurend om, het kind te hooren steunen, het kuchte als een oude man en moest door de neus ademhalen. Eindelijk week het gevaar en daarmede deze zorg. Maar des te hopeloozer werd de ziekte van zijn vrouw. In Februari 1834 naderde het einde. Bij de nooden des lichaams kwamen nog heftige angst der ziel. Had de Heere haar wel aangenomen Zou ook zij troost vinden in den genadigen Heiland ? De zekere steun, die haar door het laatste donker begeleidde, vond zij in de woorden van den profeet Ezechiël: „Gij echter, gij schapen mijner weide, gij zijt menschen, maar Ik ben uw God". Dat zij bij zichzelf niets vond, dat zij bij zichzelf ook niets goddelijks aanwijzen kon, dat er bij haar alleen maar menschelijks was, dat maakte haar zoo beangst. En juist dat schonk haar ook de eenige troost, God is den zondaar genadig. In welke diepe heilige gemeenschap wandelden deze beide menschen !
Men ziet in in een heiligdom, wanneer men Kohlbrugge van de laatste dagen van zijn vrouw aan de zijnen aldus hoort vertellen : „Met mijn lieve Cato gaat het weer achteruit. Eergisteren en gisteren had zij opnieuw koorts. Zij is nu zeer zwak, ja bijna uitgeteerd. Heden bleef zij gelukkig zonder koorts. Om beide - mijn vrouw en mijn kind — breekt mij het hart, temeer omdat ik alle aandoeningen probeer te verbergen voor beiden. De dokter geeft haar opnieuw op. Over 't algemeen hebben wij het te zamen heerlijk en kunnen veel met elkander bidden en over de grenzenlooze liefde van onzen God spreken. En zoo zoek ik haar en mij zelf op te beuren. Nu en dan weenen wij samen, dat Gods ons toch te zamen moge laten; en dan smeeken wij weer, dat, wanneer dat des Heeren wil niet is, Hij ons van elkander los moge maken. Ik word zeer door den Heere gesterkt en kan het rustig in Zijn kracht dragen, als er maar niemand komt om mij te beklagen. Dan word ik weemoedig. Overigens ben ik zeer gezond, eet goed en drink een goed glas wijn. Blijvend bezegelt de Heere mij Zijn algenoegzaamheid en ik heb oogenblikken, waarin ik meer in den hemel toen met mijn gedachten en mijn hart, dan in de ziekenkamer."
Deze brief is geschreven vier weken vóór den dood van zijn vrouw. 12 Febr. ontsliep zij, des morgens om drie uur ; zij, „de nederige dienstmaagd van onzen getrouwen Heiland". Een schrijven, waarin K. deze smartelijke slag van zijn leven een vriend meedeelt, begint met de voor hem kenmerkende woorden : „Zeer geliefde in den Heere Jezus Christus, de eerste en de laatste, die de sleutel draagt van hel en dood, die de macht des duivels verbroken heeft, die den dood, vernietigd heeft, die ons leven is, die aan armen van geest het Koninkrijk der hemelen geeft, die Zijn kleine kudde doorleidt als een getrouwe Herder, onze kracht, onze Gerechtigheid".
Wat hij echter aan haar, die „thuis geroepen werd", gehad heeft, wat hij met haar verloren had, dat moge ieder opmaken uit de dan volgende woorden : „ik heb met haar geworsteld, ik toen met haar in de duisternis der schaduwen des doods geweest en kon ook juichen met haar. Ik ben met haar tot aan de poorten des hemels geweest en toen zij ingegaan was, heb ik den Heere geprezen voor Zijn erbarming, voor Zijn trouw".
Maandag na den 12den Febr. vond de begrafenis plaats. Kohlbrugge, die menigmaal bij de aanblik van zijn onmondige kinderen, „Gerrit telde bijna 3 jaar, Jacob was 3 Sept. 1833 geboren", in bittere klachten zou kunnen uitbreken, kon, wonderbaar gesterkt, zelf de lijkrede houden. Een doodgraver werd daardoor zoó getroffen, dat hij K. diep ontroerd opzocht.
Nog echter was de kelk des lijdens niet tot op den bodem geledigd. Zijn jongere broer, Jacob, waaraan K. bijzonder hing, en naar wien hij ook zijn tweede kind genoemd had, had op een koopvaardijschip reeds menige reis naar Indië gemaakt. Nu echter — begin April 1833 — kwam bij de reederij het bericht in, dat hij reeds op 8 October van het vorige jaar op zee, in Passaroean, gestorven was. Het kwam dus alles tegelijk. En toen ook juist werd zijn vertrouwen in de broeders te Amsterdam door hun passieve houding diep geschokt en met wrevel vervulde hem bijzonder, dat zijn vrienden hem verdachten dat hij separatistische plannen had. Bovendien had hij zelf aan het ziekbed van zijn vrouw een ziekte opgedaan, die hem meer en meer verzwakte. Onder deze omstandigheden was het voor de overbrenger van de boodschap niet gemakkelijk om naar Utrecht te gaan, om den vereenzaamden den dood van zijn broeder mee te deelen, die hem „meer dan iemand anders in de wereld, begreep".
Een eenzaam man ! Het vertrouwen in de broeders was sterk verminderd. De Kerken hadden hare deuren voor hem toegesloten. Maatschappelijk gold hij bijna als een staatsvijand. Zijn vrouw had hem verlaten. Wat hield hem nog in het Vaderland ?
[Wordt voortgezet.]
CALVIJN EN DE SACRAMENTEN (7)
Het Avondmaal
Nu zijn er ook, die spreken van eene „onzichtbare" tegenwoordigheid van het „werkelijke lichaam van Christus". Maar de Schrift leert daarvan niets. Wel is Christus geestelijk in ons midden, maar Hij, die voor de oogen Zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven, is daar in den hemel ons ten goede, totdat Hij wederkomt om te oordeelen de levenden en de dooden. Christus is waarachtig" mensch en waarachtig God. Naar Zijne menschelijke natuur is Hij niet meer op aarde, maar naar Zijne Godheid, majesteit, genade en Geest, wijkt Hij nimmermeer van ons.
Hier moet dus goed onderscheiden worden : de Godheid is alom tegenwoordig, maar de menschheid niet; nochtans worden die twee naturen niet gescheiden, omdat de Godheid aan geen tijd of plaats gebonden is en evengoed in den hemel als op aarde. Waar de Godheid is, behoeft het menschelijk lichaam niet persé te zijn (op aarde, in 't midden der gemeente) en waar de menschheid is (in den hemel) is de Godheid.
We moeten dus geen „tweevoudig" lichaam van Christus stellen ; Hij heeft maar één lichaam, het nu verheerlijkte lichaam, dat in den hemel is ; terwijl Hij naar Zijn Godheid alom tegenwoordig is én in den hemel èn op aarde. Van een „tweevoudig" lichaam, in dien zin, dat er één zichtbaar in den hemel en één o n zichtbaar in het Avondmaal op aarde zou zijn, weet de Schrift niets.
Wel zegt men dan : dat de natuur van een verheerlijkt lichaam niet aan de gewone natuurwetten onderworpen is ! Maar achter en in die redeneering zit dan de „verfoeielijke sufferij" van Servet en anderen n.l. dat het lichaam van Christus door Zijne Godheid zou verslonden en verzwolgen zijn ! Men vernietigt dan de aard van het lichaam; en zoo wordt alle onderscheid tusschen Zijn Godheid en menschheid opgeheven. Al is het lichaam verheerlijkt, daarom is het nog niet oneindig en alomtegenwoordig geworden. De hemelen hebben Christus ontvangen, totdat Hij wederkomt, zegt Petrus (Hand. 3 : 21).
Eutyches (en na hem Servet) was van meening, dat waar de Godheid van Christus is, ook het lichaam moet zijn. Wij zeggen echter, dat de ééne Persoon van Christus op deze wijze in twee naturen bestaat, en dat elke natuur haar bijzondere eigenschappen behoudt.
De leer der Roomsche Kerk noemt Calvijn nog ver dragelijker dan die van de alomtegenwoordigheid van het lichaam van Christus. De oude Kerk heeft die dwaling altijd terecht veroordeeld (Eutychus).
Die kwestie gaat alleen over de wijze van de tegenwoordigheid van Christus in het Avondmaal. Want dat Hij tegenwoordig is betwijfelt niemand. Maar op welke manier gaat het ? Daalt Hij vleeschelijk tot ons neder in het brood ? Of moeten onze harten opklimmen in den hemel door de kracht des Heiligen Geestes ?
De Schrift leert ons het laatste (en ons Avondmaalformulier zegt dat ook : „Opdat wij dan met het waarachtig hemelsche brood Christus gespijsd mogen worden, zoo laat ons met onze harten niet aan het uiterlijk brood en den wijn blijven hangen ; maar dezelve opwaarts in den hemel verheffen, waar Jezus Christus is, onze Voorspraak, ter rechterhand Zijns hemelschen Vaders, waarheen ons ook de Artikelen van ons Christelijk geloof wijzen, niet twijfelende of wij zullen zóó waarachtig door de werking des Heiligen Geestes met Zijn lichaam en bloed aan onze zielen gespijsd en gelaafd worden, als wij dat heilige brood en dien drank tot Zijne gedachtenis ontvangen").
Calvijn wil gaarne bij deze dingen erkennen, dat hij die wijze van tegenwoordigheid niet volkomen vatten en omschrijven kan. Hij zegt o.a.: ik ondervind het 'beter dan ik het begrijp". Christus verkondigt, dat Zijn vleesch een spijs en Zijn bloed een drank der ziel is. Hij gebiedt mij in het Avondmaal Zijn vleesch en bloed te eten en te drinken. En zoo twijfel ik niet, of Hij geeft het mij waarlijk en ik ontvang het waarlijk. De verborgenheid der godzaligheid is ook hier groot, en zij is veel hóóger, dan dat zij met woorden kan verklaard worden. Niet dat er een vermenging of overstorting is van Christus' vleesch met onze ziel. Maar het is ons genoeg, dat Christus uit de subsbantie van Zijn vleesch onze zielen levend maakt. (Rom. 12 : 5). Hij stort Zijn eigen leven in ons, hoewel Zijn vleesch zelf niet in ons overgaat. Onze Heidelbergsche Catechismus vraagt: Wat wil het zeggen ais er staat „het gekruisigde lichaam van Christus eten en Zijn vergoten bloed drinken ? " en antwoordt dan als volgt: Het is niet alleen met een geloovig hart het gansche lijden en sterven van Christus aannemen en daardoor vergeving der zonden en het eeuwige leven verkrijgen ; maar ook enz.].
„Het zij ons genoeg, dat wij door de onbegrijpelijke kracht des Heiligen Geestes, met het vleesch en Moed van Christus gemeenschap hebben, al slikken wij het vleesch van Christus onder het 'brood niet in" !
En zoo dacht men daarover ook in de eerste vier eeuwen der Kerk.
De ongeloovigen hebben dan ook, al eten zij van het brood, geen gemeenschap aan het lichaam van Christus ; hun eigen hardigheid des harten is hun een beletsel. De regen op een harde rots vallende, vloeit weg. Dat ligt niet aan den regen, die den akker besproeit en vruchtbaar maakt van boven. De ongeloovigen verwerpen Christus en overtreden het Sacrament Zijner genade, verzwarende hun oordeel.
Oe menschen halen niet méér uit het Sacrament, dan zij in het vat des geloofs verzamelen. Zonder het geloof kan men ook hier niet Gode behagen ; de zichtbare spijze moet geestelijk worden verstaan en men moet op geestelijke wijze eten en drinken.
De ongeloovigen eten wel, ze eten wel het lichaam van Christus, maar op de manier van het Sacrament; doch het zal hun geen nut doen. Augustinus spreekt in dit verband, van Judas, die wel at des Heeren brood, maar hij at niet den Heere. Ook de dieren hebben gedronken van het water, dat uit den rotssteen vloeide in de woestijn, maar het was voor de menschen bestemd en alleen voor de geloovigen geldt: „en de rotssteen was Christus'". Alleen in de uitverkorenen werkt het Sacrament naar hetgeen het Sacrament waarlijk beteekent.
Als we dit weten, zal het ons ook gemakkelijk af houden van de vleeschelijke aanbidding van het Sacrament. Men zegt, dat Christus er in is en Christus moet daarin aangebeden worden ! Maar de Apostelen weten wel van het gebruik van het Sacrament (Hand. 2 vers 42), maar van aanbidding is geen sprake. De aanbidding maakt, dat we blijven hangen aan het uiterlijk teeken, dat zulks niet verdient. Het Sacrament dient om, onze harten ten hemel richtende, de gemeenschap met Christus te genieten. Coll. 3 : 1. Van ouds heeft de Kerk daartoe vermaand.
De „aanbidding" is niets dan een misbruik, dat niets minder is dan afgoderij, waarmede vele andere en dwaze ceremonies verbonden zijn.
[Wordt voortgezet].
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's