De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Het verbond der verlossing

10 minuten leestijd

Het onderwerp, dat ons thans bezig houdt, is niet van de gemakkelijkste. Betrekkelijk laat heeft het een plaats gekregen in de Gereformeerde dogmatiek. Toen heerschte de scholastiek reeds met onbeperkte heerschappij en is de ontwikkeling van dit leerstuk niet vrij gebleven van onnutte en schoolsche en spitvondige vragen.
Laten wij beginnen met de inleiding weer te geven, met welke Bavinck de bespreking van dit leerstuk in zijn dogmatiek begint. Daarin worden ons tal van gegevens geschonken, die voor een nadere bespreking In aanmerking komen.
»De leer des verbonds is voor de dogmatiek en tevens voor de practijk van het christelijk leven van de grootste beteekenis. Meer dan de Roomsche en Luthersche, heeft de Gereform. Kerk en theologie dit begrepen. Op grond van de H. Schrift vatte zij de ware religie des Ouden-en Nieuwen Testaments steeds op als een verbond tusschen God en mensch, hetzij dit opgericht werd met den niet gevallen mensch (foedus. operum) of met de schepping in het algemeen bij Noach (foedus naturale), of met het volk der verkiezing (foeidus gratiae). En zelfs hierbij bleef zij niet staan, maar voor deze verbonden in den tijd zocht zij een vasten en eeuwigen grondslag in den raad Gods, en vatte dezen raad, als bedoelende de behoudenis van het menschelijk geslacht, ook weder op als een verbond van de drie personen in het Goddelijk wezen zelf (pactum salutis, raad des vredes, verbond der verlossing). Dit laatste verbond komt kort en zakelijk reeds voor bij Olevianus, Junius, Gomarus en anderen ; werd dan verder in den breede ontwikkeld door doppenburg en Coccejus; ontving daarna een vaste plaats in de dogmatiek bij Burman, Braun, Vitrlnga, Turretinus, Leydekker, Mastricht, Marck, Moor, Brakel, om ten slotte weer door Deurhof, Wesselius en anderen bestreden en allengs geheel uit de dogmatiek gebannen te worden. (Bavinck, Dogm. ni, p. 220).
Kort en zakelijk komt het verbond der verlossing reeds voor bij Olevianus en Junius, zegt Bavlnick. Hij volgt daarin G. Vos in zijn Verbondsleer in de Gereformeerde Theologie, die ongetwijfeld terecht zegt, dat gelijk in andere punten, men ook hier aan Coccejus vaak heeft toegeschreven, dat in werkelijkheid veel ouder is. »Slechts drage men zorg in het naspeuren der ontwikkeling van een leerstuk niet te veel aan den naam te hechten en overhaast uit het ontbreken der later gangbare formules tot de afwezigheid der zaak te besluiten. Geijkte termen treden doorgaans niet aan het begin, maar eerst aan het einde eener ontwikkeling op. (a.w. pag. 27).
Wanneer wij Olevianus en Junius op dit stuk echter nazien, ja dan blijkt, dat de grond-leggende gedachten van dit leerstuk bij hen gevonden worden. In zekeren zin behoeft dat niet te verwonderen, omdat deze gedachten klaar en duidelijk in de Schrift liggen en de reformatorische theologen te zeer mannen der Schrift waren, dan dat zij deze gedachten zouden kunnen verwaarloozen. Onder deze grondleggende gedachten versta ik in het bizonder de betrekking tusschen den Vader en den Zoon in het werk der verlossing, zooals de Schrift telkens daarvan spreekt.
Noch Olevianus noch Junius denken b.v. aan een tekst als Zach. 6 vers 13, de tekst, waarop de latere scholastieke theologen dit leerstuk willen bouwen, een tekst, die alleen door een gewilde verklaring pasklaar gemaakt kan worden voor de opbouw van het verbond der verlossing. Niet aan een bepaalde tekst, waarin men als het ware heel dit leerstuk kan terugvinden, denken deze mannen, maar gelijk wij zeiden, aan die nauwe betrekking tusschen Vader en Zoon, die ons uit heel de Schrift tegen komt, waarbij de Vader het is, die het werk der verlossing aan den Zoon opdraagt en Hem een volk ten eigendom geeft — hoe dikwijls spreekt Jezus niet van degenen, die Hem van den Vader gegeven zijn —, terwijl de Zoon gansch gewillig dit werk op zich neemt en zich bereid verklaart heen te gaan om zich dit volk tot een eigendom te verlossen. Men denke in dit verband aan Psalm 40 en het Hoogepriesterlijk gebed.
Eten ander duidelijk gegeven der Schrift is het laatste deel van Rom. 5. Christus, wordt ons daar geteekend als de tweede Adam, als die het Hoofd van Zijn volk is of het Hoofd des lichaams, hetwelk is Zijn gemeente, door welke nauwe
samenbinding alles wat Christus heeft gedaan, de Zijnen wordt toegerekend.
Deze nauwe samenbinding rust natuurlijk op de gegevens, die wij zooeven reeds noemden, n.l. dat de Vader aan den Zoon een volk ten eigendom heeft gegeven, zoodat de Zoon kan spreken van hen, die Hem van den Vader gegeven zijn. Want het is volgens de schrift duidelijk, dat de band, die daar is tusschen Christus en Zijn gemeente, niet is ontstaan uit Christus' verlossingswerk, maar dat veeleer dat verlossingswerk rust op dezen band, door den Vader gelegd. Omdat Christus een volk is gegeven tot een eigendom, daarom kan Hij zich voor dit volk als Borg stellen om al hun schuld te voldoen. Alleen in een vrijmachtige overeenkomst tusschen Vader en Zoon, die later als een verbond wordt geteekend, kan het werk der verlossing rusten.
Al vinden wij echter bij de theologen uit de reformatietijd en daarna wel een gezicht op deze grondleggende gedachten van het verbond der verlossing, wij mogen niet vergeten, dat men met deze aanvankelijke lijnen nog verschillende kanten uit kan en tot een gansch verschillende bovenbouw op dit fundament kan komen. Zooals in de volgende eeuw ook meer dan duidelijk gebleken is. Waarbij de moeilijkheden niet alleen lagen in de ontwikkkeling van het verbond der verlossing als zoodanig, maar ook in de verhouding tusschen dit verbond en het genadeverbond.
Daarom is het gansch onjuist, wat ds. Kersten in zijn verweer schreef, dat de Geref. Gemeenten de belijdenis noch verkort noch aangevuld hebben, maar dat zij zich geroepen hebben gevoeld inzake het verbond der genade uit te spreken, wat de belijdenisgeschriften dien aangaande leeren. Ds. Kersten weet heel goed, kan althans heel goed weten, dat de belijdenis-geschriften aangaande het verbond der verlossing niets leeren. En is het, dat misschien hier en daar ook in de belijdenisgeschriften enkele uitdrukkingen voorkomen, die als bouwsteenen kunnen gelden voor den opbouw van de leer aangaande het verbond der verlossing, deze leer als zoodanig is aan de belijdenisgeschriften niet bekend en zeer zeker is het onmogelijk, op grond van de de formulieren van eenigheid te beslissen, In welke verhouding het verbond der verlossing tot het verbond der genade staat.
Zeer vreemd doet het daarom in de officieele verklaring van de Synode der Geref. Gemeenten aan, dat heel geen uiteenzetting gegeven wordt van wat onder het verbond der verlossing verstaan moet worden. Men gaat eenvoudig van de veronderstelling uit, dat er een verbond der verlossing is, dat als algemeen bekend mag worden verondersteld, wat onder het verbond der genade moet worden verstaan, om dan tot de conclusie te komen, dat beide feitelijk één zijn. Het is wel heel kras om dit doen uit te geven als een nadere toelichting van onze belijdenisgeschriften.
Dat de Synodale verklaring zoo ongeveer weergeeft, wat in de Geref. Gemeenten als communis opinio ten opzichte van dit leerstuk leeft, zal wel oorzaak zijn, dat in die Gemeenten de behoefte niet is gevoeld om de waarheid van genoemde Synodale verklaring nader ter toetsing te brengen. Maar wie ook daar de waarheid bovenal zoekt en de belijdenisgeschriften met genoemde verklaring vergelijkt, zal spoedig tot de erkentenis komen, dat niet van een nadere toelichting, maar wel degelijk van een aanvulling van de belijdenisgeschriften moet worden gesproken.
In zooverre staat echter Shaw op vaster bodem dan ds. Kersten, dat de Westminster Catechismus een enkele aanwijzing bevat, die genoemden schrijver het recht geeft het verbond der verlossing en het verbond der genade één te noemen. Voor zoover ik heb kunnen nagaan, spreekt noch de Westminster Confessie, noch de groote of kleine Catechismus van Westminster over het verbond der verlossing. Dat is wei eigenaardig, wijl wij dan ons reeds bevinden in het midden der 17e eeuw, een bewijs te meer, van hoe later datum eigenlijk dit leerstuk is.
Wat nu de zooeven genoemde aanwijzing betreft, daaronder versta ik het antwoord op de 31ste vraag van de groote Westminster Catechismus, waar we lezen : »het verbond der genade is opgericht met Christus, den tweeden Adam, en in Hem met alle uitverkorenen als zijnde Zijn zaad«.
Het is moeilijk uit te maken, welke gedachtengang achter deze woorden schuilt. Waarschijnlijk hebben de opstellers zelf niet de inconsequentie van deze definitie gevoeld, want anders zouden zij niet in de Confessie een andere omschrijving hebben gegeven dan in de Catechismus. Immers in de Confessie staat boven het zevende hoofdstuk : Van het Verbond Gods met den mensch. Deze gedachte wordt heel dat hoofdstuk door vastgehouden, terwijl vervolgens volkomen consequent in het volgende hoofdstuk van Christus, de Middelaar, wordt gesproken. Geheel in overeenstemming met de reformatorische gedachte verschijnt in de Westminster confessie Christus als de Middelaar van het verbond der genade en niet als diegene, met Wien het verbond wordt opgericht. Dat de groote Catechismus hiervan afwijkt, is te zien als een gebrek aan onderscheidingsvermogen, waardoor men de bouwstoffen van het verbond der verlossing niet tot een geordend geheel heeft kunnen samenvoegen, maar enkele van deze bouwsteenen terecht zijn gekomen in de leer van het verbond der genade.
Behoorde ds. Kersten nu tot de Schotsche Kerk, dan zou hij met eenig recht kunnen zeggen, dat de verklaring van de Synode der Geref. Gemeenten een nadere uiteenzetting van de belijdenis is. Ofschoon het hem ook dan niet mee zou vallen om Confessie en Catechismus met elkander in overeenstemming te brengen. Nu echter ds. Kersten zich op geen andere belijdenis beroepen kan dan
de drie formulieren van eenigheid, ontbreekt aan zijn verdediging alle grond.
In een volgend artikel hopen wij op de innerlijke tegenspraak, die in de definitie van de Westminster Catechismus besloten ligt, terug te komen, maar wij willen reeds bij voorbaat deze onder de aandacht van onze lezers brengen, opdat men zich leere toeleggen op een nauwkeurige onderscheiding der begrippen. De Catechismus van Westminster spreekt van een verbond der genade. Wij onderstreepen even het woord genade. Hoe kan met Christus, den Zoon van God, den Heilige, in wien geen zonde valt, een verbond der genade gesloten worden ? Aan zondaren wordt genade bewezen, maar als de Vader aan den Zoon een volk ten eigendom geeft en de Zoon op zich neemt dit volk te verlossen, moge deze overeenkomst tusschen Vader en Zoon een verbond worden genoemd, maar een verbond der genade is het niet. Het gebed van onzen groeten Hoogepriester in Joh. 17, om de volkomen verlossing der Zijnen Vader, ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij (gegeven hebt, is niet het ootmoedig smeekgebed van een zondaar om genade, maar de rechtmatige eisch des Zoons op grond van de beloften, Hem van den Vader gedaan.
Hoe onderscheiden het verbond der verlossing bij onze Vaderlandsche theologen is uitgewerkt, moge uit het volgend voorbeeld blijken.
In de Redelijke Godsdienst wijdt a Brakel een apart hoofdstuk aan het verbond der verlossing. Het verbond der genade wordt vervolgens afzonderlijk behandeld. Daaruit volgt reeds, dat a Brakel, die over het algemeen goed weet te onderscheiden, het verschil tusschen beide verbonden goed heeft gezien.
Petrus van Mastrigt daarentegen, van wien wij in onze stukken over de rechtvaardigmaking reeds aanwezen, dat hij niet uitmunt door een scherpe onderscheidingsgave, zoodat zijn definities nog al eens te wenschen overlaten, voegt de bespreking van beide verbonden in één hoofdstuk samen, getiteld: Van het verbond der genade. Bij de bespreking onderscheidt hij in het verbond der genade twee verbonden, het eene eeuwig, en het andere tijdelijk Dat van eeuwigheid is ingegaan tusschen Vader en Zoon over en aangaande de herstelling van den uitverkoren zondaar. Al maakt hij dus nog wel onderscheid tusschen het eene verbond en het andere, dat hij het verbond tusschen Vader en Zoon ook een genade vertoond noemt, is oorzaak, dat zij in één hoofdstuk worden behandeld, als waren zij één in wezen. Toch gaat hij in de verste verte niet zoover als de bekende Synodale verklaring, die eigenlijk alle onderscheid tusschen beide verbonden uitwischt.
O. a/d IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's