De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH (16)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH (16)

Het verbond der verlossing

5 minuten leestijd

In de uitwerking van de leer aangaande het verbond der verlossing was er onder die theologen geen eenstemmigheid. Slechte in één punt is men eenstemmig geweest, en dat valt nu des te meer te betreuren, omdat juist in dit punt een afwijking van de reformatorische lijn moet worden geconstateerd, die er toe geleid heeft dat men het verbond der verlossing en het verbond der genade dooreen heeft laten loopen op dezelfde wijze, als men heel dikwijls de goddelijke en menschelijke natuur van Christus ineen laat vloeien. Dan is de Christus niet God en mensch, waarachtig God en waarachtig mensch in de eenigheid des persoons, maar ontstaat een nieuw wezen, een Godmensch, die geen God en geen mensch is, een tusschenschakel tusschen God en mensch, half God en half mensch.
Precies op dezelfde wijze laait men dan tiet verbond der verlossing en het verbond der genade ineen vloeien, gelijk in de bekende Synodale uitspraak, waardoor men noch een vertoond der verlossing, noch een verbond der genade overhoudt, maar een tusschenschakel, half verbond der verlossing en half verbond der genade. Het goddelijke en het menschelijke, eeuwigheid en tijd, worden met elkander verward; in het bizonder verliest wat uitsluitend Godes is, zijn goddelijk karakter en wordt overgebracht naar de menschelijke sfeer.
Het punt, waarop wij doelen en waarin men helaas eenstemmig is geweest, is de voorstelling van het verbond der verlossing als een verbond tusschen den Vader en den Zoon.
Cloppenburg, die een der eersten was, die het verbond der verlossing nauwkeurig heeft uitgewerkt, kent alleen deze voorstelling. Hij schrijft: Hier doet zich voor ons op de tweevoudige diatheke of bestelling des nieuwen verbonds (genadeverbonds), waarvan Christus spreekt Lukas 22 vers 29. I. die, waarbij de Vader aan den Borg bij verbond verordineert. II. die, waarin de Zoon als Borg van 's Vaders we ge ons de belofte des levens en der eeuwige heerlijkheid verordineert. (Op deze aanhaling, die wij aan Vos ontleenen (p. 31), laat deze volgen : Cloppenburg gaat dan voort eerst over de verbondshandeling tusschen God den Vader en den Borg te spreken, waarin wij met Hem één worden geacht).
Deze verkeerde lijn is, voorzoover ik heb kunnen nagaan, door alle volgende theologen doorgetrokken.
W. a Brakel, die, gelijk wij reeds vermeldden, aan het verbond der verlossing een apart hoofdstuk wijdt, waardoor hij toont het onderscheid tusschen het verbond der verlossing en het verbond der genade nog te zien, zegt met nadruk : „In de eerste plaats komen onder onze overlegging de verbondmakende partijen, welke zijn God de Vader en de Heere Jezus Christus. Men zal deze zaak gemakkelijk verstaan, als men ze meer aanmerkt in de uitvoering als in het besluit, vaststellende zooals de Heere het in den tijd uitvoert, zoo heeft Hij van eeuwigheid besloten. Wij nochtans verhandelen ze hier onder de inwendige werken Gods, want zoo komt ons deze zaak meermalen voor in de H. Schrift". Wanneer a Brakel en de andere theologen met deze laatste waarheid wat meer rekening hadden gehouden, zouden zij het rechte spoor allicht hebben teruggevonden ; nu vermelden zij echter deze waarheid wel, maar houden in de uitwerking er geen rekening mede.
P. van Mastricht stelt het precies op dezelfde wijze voor. „Dit eeuwige verbond der genade nu is bij ons niets anders dan een personeele en huishoudelijke onderhandeling en verdragmaking tusschen Vader en Zoon, waardoor van eeuwigheid de Vader van den Zoon geëischt heeft al datgene, dat om voor de uitverkoren zondaren de eeuwige zaligheid te bezorgen, noodzakelijk zou zijn en beloofd heeft als tot een loon onder anderen eene Middelaarsheerlijkheid, terwijl de Zoon integendeel de geëischtens toegezegd en beloofd en van Zijn kant de aan Hem gedane beloften wedergeëischt heeft voor zich ten nutte en ten voordeele van beide partijen. De bizondere stukken hiervan moeten elk in het bizonder eer weinig nauwkeuriger nagegaan en uitgehaald worden".
Wij kunnen niet nalaten ook het volgende citaat er aan toe te voegen, omdat daarin ons ontdekt wordt, waar de redeneering op een zijspoor verdwaalt zonder dat Van Mastricht er zelf erg in heeft. Waarschijnlijk wijst dit op een gebrek aan zelfstandig denken bij deze theologen, waardoor zij toekende theologisohe constructies zonder kritiek immer hebben overgenomen. Hij schrijft dan : „Dit verbond is vooreerst volgens de natuur van een iegelijk verbond een verdrag of een zekere onderthandeling, doch personeel en huishoudelijk, hoedanig er eene ook omtrent de eerste instelling des menschen geweest is tusschen de personen der drieëenheid. Gen. 1 : 26, en omtrent deszelfs herstelling voor een meer oplettende schijnt voor te komen tusschen Vader en Zoon.
Men moet, gezien deze vergelijklng met de schepping des menschen, eigenlijk van verbazing zijn handen in elkaar slaan, hoe het mogelijk is, dat het verbond der verlossing door dezen theoloog niet op de drie personen in het goddelijk wezen betrokken wordt, maar slechts tot twee wordt beperkt met uitsluiting van den derden persoon. Hier ligt de groote fout, die tot vereenzelving van verbond der verlossing en vertoond der genade leiden moest.
De voorstelling van Robert Shaw verschilt in niets van die der Hollandsche theologen ; zelfs is hij in het doortrekken van de verkeerde lijn nog wat consequenter geweest. En bij de nadere beschouwing van zijn gedachtengang vergete men niet, dat de theologie van ds. Kersten, en als zoodanig ook die van de Synode der Gereform. Gemeenten geheel gebouwd is op de uiteenzettingen van dezen Schot.
Van de stellingen, waarin Shaw samenvat, wat de belijdenisgeschriften
aangaande het verbond leeren, luidt de eerste : „Dat er een verbond is aangegaan tusschen God den Vader en zijn mede-eeuwigen Zoon betreffende de zaligheid van zondaren uit het menschdom. De werkelijkheid van deze verbondsonderhandeilng blijkt uit Psalm 89 vers 4 : Ik heb een verbond gemaakt met mijn uitverkorene ; Ik heb mijn knecht David gezworen. De spreker in deze woorden kan niemand anders zijn dan de Heere, (die in het begin van den psalm genoemd is en er is redelijkerwijze dan ook geen twijfel aan, of deze uitspraak heeft haar uiteindelijke en voorname vervulling in Jezus Christus en geeft te kennen, dat met Hem een verbond is gemaakt,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH (16)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's