De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

27 minuten leestijd

CALVIJN EN DE SACRAMENTEN (9)
Het Avondmaal

In dat stuk van de „waardigheid" kwellen de Pausgezinden de gewetens der menschen schrikkelijk. „Diegenen" zeggen zij „zijn waardig, die in staat van genade zijn". En dat wil dan voor de Roomschen zeggen „die rein, gezuiverd van alle zonden zijn; die door biecht en goede werken gezuiverd zijn en heilig." „Die hunne onwaardigheid" zeggen zij „door berouw, belijdenis en voldoening verzoenen, na zich zooveel mogelijk beproefd te hebben".
Bij de Roomschen zijn dus „waardige" Avondmaalgangers, die zich waardig gemaakt hebben. In die woorden „zooveel mogelijk" ligt dan de medewerking met de genade, om zich zooveel mogelijk, met behulp van de Kerk, Gode aangenaam te maken. Maar dat zijn uitvindingen van den duivel, die de zielen wil onthouden den troost van de allervervullende genade Gods en de allesbedekkende gerechtigheid van Jezus, waarvan de beloften van het Evangelie spreken.
Onze beste waardigheid voor God is, dat wij onze onwaardigheid bekennen, om met al onze oude en al onze nieuwe zonden enkel en alleen
de toevlucht benemen tot den Middelaar en op Hem alleen te vertrouwen.
Wat nu de wijze betreft, waarop bet Avondmaal des Heeren bediend en gebruikt moet worden : men beginne met openbaar gebed, daarna worde een predicatie gehouden. Vervolgens zal de dienaar, nadat het brood en de wijn op tafel gesteld is, vermelden wat de instelling des Avondmaals is en verklaren de beloften, welke Christus daarin heeft nagelaten. Tegelijk sluite hij daarvan uit, al degenen die door het verbod des meeren van het Avondmaal afgehouden worden. Met afschaffing van een grooten hoop van ceremonies, die niet anders dan beuzelarijen zijn, wil Calvijn op eenvoudige wijze, zeer dikwijls minstens iedere week éénmaal, het Avondmaal vieren, waarbij dan gebeden moet worden, dat de Heere door dezelfde milddadigheid, waarmee Hij ons dit heilig voedsel gegeven heeft, ons ook onderwijze, om het met een waar geloof en met dankbaarheid te ontvangen. Men vrage, daar wij van ons zelf onwaardig zijn, dat Hij door Zijne barmhartigheid ons zulk een maaltijd waardig make.
Calvijn geeft dan voorschriften, die vrijwel overeenkomen met onze tegenwoordige wijze van bediening. Het komt er minder op aan, of de geloovigen het brood in de hand nemen of niet, of de dienaar het ieder toereikt, of dat zij het elkander geven, of het gezuurd of ongezuurd brood zal zijn, of er witte of roode wijn zal zijn enz.
Calvijn schrijft: Onderwijl men gemeenschap oefent en aan de tafel des Heeren zit, worden Psalmen gezongen of Schriftgedeelten gelezen. De dienaar breke het brood en de geloovigen houden gemeenschap in passende orde. Wanneer het Avondmaal geëindigd is, vermane men tot geloof, belijdenis en liefde. En na de dankzegging verlaten allen de Kerk.
Uit den aard en heit doel van het Avondmaal volgt, dat men het niet slechts éénmaal in het jaar, maar dikwijls gebruikt. De eerste Christenen waren „volhardende in de breking des broods" Hand. 2 : 42. In elke vergadering der gemeente behoorde het plaats te hebben, en ieder die de prediking bijwoonde, ook het Sacrament te gebruiken. Alzoo geschiedde het in de Corinthische gemeente en eeuwen daarna.
Tengevolge van nalatigheid zijn er oudtijds vele en scherpe regels gemaakt; de nalatigen werden niet alleen vermaand, maar ook wel gecensureerd, tot afsnjiding toe. Augustinus zegt, dat het in zijn tijd op sommige plaatsen alle dagen, elders op bepaalde dagen bereid werd. De gewoonte om maar éénmaal per jaar het Avondmaal te gebruiken, is — zegt Calvijn — uit den duivel, en evenzoo de bepaling, dat éénmaal per jaar genoeg is, zooals Rome leert en dan met Paschen.
De Roomschen spreken van „z'n Paschen houden".
't Is waar, niemand moet tot het Avondmaal gedwongen worden, doch allen moeten daartoe wel vermaand en aangespoord worden ; ook behooren de tragen te worden bestraft.
Uit dienzelfden winkel des duivels is afkomstig de instelling om de helft des Avondmaals, n.l. den beker met wijn, aan de leeken en wereldlijken te onthouden, en alleen aan de geestelijken te geven. Wat zegt de eeuwige God ? Drinkt allen daaruit! De Roomschen wijzen op gevaren die dreigen, als men ook de beker rondgeeft, n.l. dat anders de heilige wijn uitgestort kan worden, maar heeft de eeuwige Wijsheid dat dan niet voorzien ? Ze zeggen : één teeken (n.l, brood) is genoeg, omdat dat ééne teeken (broodvleesch) alles bevat; in het vleesch zit óók bloed, zegt men (door concomitantia of vergezelschapping) . Maar zegt Christus dan niet éérst: „dat is Mijn lichaam" ; en daarna: „dat is Mijn bloed ? " De instelling van Christus spreekt in deze zéér duidelijk en wij moeten het nut, dat naar Christus' instelling uit het dubbele teeken of pand ontvangen wordt, behouden. Op duidelijke en afdoende wijze komt Calvijn met tal van citaten van oude schrijvers toewijzen, dat eeuwen lang nooit anders gewoonte is geweest, dan Avondmaal te vieren onder twee teekenen en niet onder één teeken. Gelasius, een van Rome's bisschoppen, noemde dit onthouden van den beker aan de leeken : Kerkroof. Het is, alsof Christus opzettelijk met het oog op deze dwaling van den drinkbeker zegt: „drinkt allen daaruit".
Zoolang er nog een druppel gaafheid in de Kerk bleef, is deze gewoonte niet verbroken. Gregorius, dien men met recht den laatsten bisschop van Rome noemen mag, getuigt ook dat aldus nog in zijn tijd gebruikelijk was. 't Duurde nog veertig jaar na zijn dood, eer deze dingen veranderd werden. Ambrosius, Hieronymus, Cyprianus, Oelasius, Augusttnus en zoovele andere Kerkvaders en bisschoppen spreken allen van twee teekenen.
De Apostel sprak geen leugen, toen hij tot de Corinthiërs zeide, dat hij van den Heere ontvangen had, hetgeen hij hun overgeleverd had. En dan verklaart hij nauwkeurig wat hem overgeleverd is : opdat alle lidmaten der Gemeente, zonder onderscheid, aan beide teekenen deel zouden hebben.
[Wordt voortgezet.]

VERWARRING VAN BEGRIPPEN
II.

Prof. Schilder zegt: heden, zoo gij des Heeren stem hoort, verlaat de Hervormde Kerk. Dat is gehoorzaamheid aan God : de Ned. Hervormde Kerk den rug toekeeren en naar de Gereform. Kerken overkomen. En dan : heden, indien gij Zijne stemme hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden.
Maar met Groe n zeggen we : „we moeten niet aan scheiding denken", doch we moeten „zacht, maar onwederstandelijk een organisatie tot stand brengen, die, uit het leven geboren, zich nauwkeurig aan de behoeften en de mate van het leven zal aanpassen". „Men moet blijven" — zoo schreef Groen — „men moet blijven om te strijden. En die strijd moet niet onverstandig en overhaast gestreden worden, maar in een geest van energie en onbuigzaamheid, zonder compromissen, zonder ophouden, totdat het doel bereikt is en de Kerk (met haar Evangelische leer) de overwinning heeft behaald".
Op zijpaden moeiten we ons daarbij niet laten verlokken. Bijzondere meeningen moeten we niet tot hoofdzaken maken. De hoofdwaarheden van het Evangelie heeft Groen altijd voorop gesteld en daar was hij voor geen enkel compromis te vinden. Hij streed voor „de geloofseenheid der Christelijke Gemeente"
(Verspreide Geschriften, Deel II, blz. 97 en 96).
Dat de Afgescheidenen de Gezangenkwestie voorop hebben gezet, veroordeelde Groen. Men had moeten blijven bij de hoofdwaarheden van des Heeren Getuigenis, welke hoofdwaarheden Groen telkens èn in den Kerkstrijd èn in den Schoolstrijd noemde als: De Bijbel is Gods Woord, de algeheele verdorvenheid van den mensch, het verzoenend lijden en sterven van Christus, de noodzakelijkheid der wedergeboorte, de rechtvaardiging des zondaars zonder de werken der Wet door het geloof in Christus, enz. Groen wide opkomen voor „Gods Woord en de grondslagen der Belijdenis". Wie dat loochende, stond buiten de Hervormde Kerk van 1618, maar óók buiten de Kerk van het jaar 1805. „Men moest er voor zorgen, dat men niet op een verkeerd terrein met den vijand, slaags raakte", was zijn advies. (Het Regt der Herv. Gezindheid", blz. 110)
Groen : beschouwde de Afscheiding als ontijdig gebeurd, aangezien de onmogelijkheid van herstel der Kerk nog niet voldoende was gebleken, 't Ging Groen daarbij om „de Gereformeerde Gezindheid" en „de geloofseenheid der Christelijke Gemeente". Er waren er in de Hervormde Kerk, die er niet thuis hoorden en er uit moesten, als zij zich met „Gods Woord en de grondslagen van de Belijdenis" niet konden en niet wilden vereenigen. Er waren er buiten de Hervormde Kerk, die er in terug moesten keeren, omdat zij krachtens de kerkelijke belijdenis leden der Hervormde Kerk moesten zijn.
De Hervormde Kerk was voor Groen de voortzetting van de aloude Gereformeerde of Hervormde Kerk van Nederland, waarbij hij wees op artikel 9 (Art. 11) van het Alg. Reglement, „het levensbeginsel van Kerk en Kerkgemeenschap, het primum verum van onze Kerkelijke Grondwet"
(Kerkgemeentelijk Overleg, blz. 47). In dit artikel 9 (art. 11) had men den rechtsgrond, waarop de strijd moest gestreden worden en de zege kon worden behaald. (Het Regt der Herv. Gezindheid, blz. 126).
Als prof. Schilder dus 's Heeren stem aan ons overbrengt en zegt, dat wij er uit moeten gaan, en wel heden, dan zullen we zoo vrij zijn om die stem van prof. Schilder, welke voor ons niet U zelfde is als Gods stem, naast ons neer te leggen en te blijven in de Hervormde Kerk, om daar te strijden voor „Gods Woord en de grondslagen van de Belijdenis" (Groen). Waarbij we gedachtig zijn aan het woord van Calvijn : „ik verdraag, wat ik niet kan wegnemen". En we zullen ons niet laten verleiden om „onverstandige, voorbarige, onmogelijke dingen" te gaan doen. Dat willen mensch en ons wel opdringen, die het dikwijls veel beter weten en veel ijveriger zijn dan God, maar wij willen luisteren naar het Woord, des Heeren, gelijk het in Ouden Nieuw Testament tot ons komt inzake de Kerk des Heeren, die zich hier bevindt op een zondige aarde, te midden van een zondig menschengeslacht. Strijden en verdragen, verdragen en strijden willen we in en voor de Hervormde Kerk !
Het is dan ook, naar onze overtuiging, een fout geweest in 1886, toen men overeenkomstig een ,,knap in elkaar gezet plan", alles op één kaart zette en bij de attestenkwestie het zóó voorstelde : „Wie met ons meegaat, is vóór Christus, die niet met ons meegaat is tegen Christus". Dat is fataal geweest, te meer, waar het niet bleef bij de leer, maar het ook ging om het beheer.
Het „vóór en tegen Christus" had men daar en had men zóó niet mogen stellen. Men had wat kalmer moeten zijn en ziende op het vele goede, dat de Heere vooral de laatste jaren gegeven had, wat meer in stil geloof aan Hem moeten overlaten. En men had wat meer en beter Calvinistisch moeten handelen, gedachtig aan het woord van den grooten Hervormer „tolero quod tollere non licet", d.i. „ik draag, wat ik niet kan wegnemen". Als de menschen iets minder hadden gedaan, zou meer en beter zijn uitgekomen wat de Heere kan en wil doen met Zijn Kerk.
Men had in Amsterdam wat kalmer moeten zijn tegenover het uitstervend modernisme en de twee oude, afgeleefde vrijzinnige predikanten met hun paar leerlingen, die belijdenis wilden doen. Wat gedurende honderd jaar gegroeid is, kan men niet op een gegeven oogenblik op commando weg krijgen. „Ik draag wat ik niet kan wegnemen", zei Calvijn. En men kon dat in 1886 des te gemakkelijker zeggen, omdat God kennelijk bezig was het Zelf wèg te nemen!
Dat men toen de belijdeniskwestie en de beheerskwestie, de geestelijke en de stoffelijke hoofdvragen, op die manier, geforceerd aan de orde heeft gesteld, is een onvergeeflijke fout. „Onvoorzichtig en voorbarig" moet men geen „onmogelijke" dingen gaan doen, vooral niet als het gaat om 's Heeren Kerk. Wanneer we Schrift met Schrift vergelijken — en niet, gelijk het sectewezen gewoon is te doen, hier en daar een woord der Schrift uit het verband rukken — dan zullen we overal zien, dat bij den strijd voor waarheid en recht op het terrein van Gods Kerk, verstandiglijk het woord van Calvijn moet worden betracht: „tolero quod tollere non licet", d.i. „ik verdraag, wat ik niet kan wegnemen". Want dat we op een gegeven oogenblik niet alles kunnen wegnemen, wat, mee door de zonden onzer Vaderen en van ons, geworden is, is ook iets dat Gods hand over ons beschikt, opdat we des te meer zullen worden uitgelokt, om onzen weg aan Hem over te geven en zullen worden aangevuurd om den goeden strijd biddend en met ijver voort te zetten, hulpe verwachtend van Hem, die mildelijk geeft en niet verwijt.
Groen wist het óok wel, dat de Synode geen recht had om over de Kerk te heerschen, waar de Synodale besturenorganisatie in 1816 wederrechtelijk en in strijd met het wezen en de belijdenis der Kerk was opgelegd en in 1852 door de Regeering, hoewel onwettig in geboorte, bestendigd. Dat „Staatscreatuur van 1816" kende Groen door en door als onwettig. Ook toen het in 1852 van „Staatscreatuur" „Staatserfgenaam" was geworden. (Ned. Gedachten, 3e serie, band I, blz. 98). Maar hij wist óok, dat „de opgelegde organisatie daardoor haar rechtsbasis niet had verloren". Wat Groen zoo graag had gewild, waarom hij er bij de Regeering telkens op aandrong de besluiten van 1816 en 1852 in te trekken, wat evenwel nooit is gebeurd, en waarbij de Regeering nu telkens zegt: de Ned. Hervormde Kerk is geheel vrij om zelve haar eigen zaken te regelen en desgewenscht een geheel nieuwe organisatie in het leven te roepen, waarbij de Regee­ring haar geen stroobreed in den weg zal leggen.
Groen wilde intusschen altijd den weg van recht en waarheid — doch niet onverstandig, overhaast en onpractisch, en hij wenschte niet mee te doen aan onmogelijke dingen.
Als dr. Kuyper sinds 1870 gaat spreken van het doen „springen van de banden", en er op aandrong, dat de Gemeenten, die onwettig en wederrechtelijk onder het Synodaal bestuur waren gebracht, zelf zouden streven naar „vernietiging daarvan", ontkende Groen niet het recht daartoe (Adres aan de Herv. Gemeente, 1843). Maar.... gewenscht was het niet, zei hij. „Al wat geoorloofd is, is niet oorbaar. Omverwerping der Synode zou geen redmiddel zijn. Er moet een betere, met het wezen der Kerk overeenkomende Kerkinrichting zijn. Doch breek het gebouw, dat bewoonbaar is, niet af, eer gij een ander tot stand hebt gebracht. Men moet niet met geweld willen verrichten, wat geleidelijk plaats moet hebben". (Adres, blz. 79). Een „plotselinge wijziging eener Kerkorganisatie, welke ter voorkoming van verwarring en ter regeling van materieele belangen nog nut heeft, mag niet worden doorgedreven". (Regt der Herv. Gezindheid, blz. 78). Revolutionair, voorbarig, wilde Groen niet te werk gaan. Hij wilde de Synode nog als administratief lichaam erkennen en laten bestaan, hoewel hij de organisatie strijdig achtte met de voorschriften van den Bijbel, alsook met de Presbyteriaansche beginselen, door de Kerk vanouds voorgestaan. Vandaar dat Groen in de Verklaring van Beginselen, waarin hij het Program van Kerk herstel gaf, verwerping van dezen Kerkvorm vroeg, omdat hij in strijd was met Gods Woord, dat het heerschappij voeren over het erfdeel des Heeren verbiedt. (1 Petrus 5 vers 3). Reorganisatie met herstel van de geloofseenheid vroeg Groen: Kerkgemeenschap niet zonder geloofsgemeenschap. De wettige eerbiedwaardigheid van de Synode erkende Groen (Verspreide Geschriften, deel II, blz. 90) en hij wilde Reorganisatie langs geleidelijken weg bereiken.
Daarom had hij zich in 1842 met zijn Haagsche Vrienden tot die Synode gewend, met het bekende Adres, waarin hij vroeg „een aanvankelijke revisie der reglementen tot handhaving eener Christelijke Kerktucht in leer en wandel". Hij voegde daarbij „verschillende voorstellen om eene Kerkvertegenwoordigende Synode" voor te bereiden en te komen tot herstel van den Kerkeraad in zijn rechten en inzonderheid van het gewichtig ambt der Ouderlingen" (blz. 52). In het Program van Beginselen in 1848 gepubliceerd, waarin hij den weg tot Kerkherstel aanwees, voegde hij daaraan nog als eisch van Gods Woord toe, dat het recht der Gemeente om deel te nemen aan de verkiezing van Leeraars en Opzieners niet langer zal worden miskend". (Verspr. Geschriften, Deel II, blz. 98).
Zonder vrucht is deze actie van Groen niet geweest, want de Synode van 1852 bepaalde in artikel 23 Algem. Reglement, dat het recht tot benoeming van ouderlingen en diakenen en tot beroeping van predikanten zou berusten bij de Gemeente (in 1867 kwam pas het Reglement, want de Synode wilde er eigenlijk niet van weten, maar het kwam dan toch, met gevolg: de Kiescolleges. Dit is het middel geweest, om de orthodoxie de zege te doen behalen over heel de linie en na 1867 is een algeheele omkeering in de Kerk gekomen, in het voordeel van de rechtzinnige prediking !
Van een werkelijke vrijmaking der Kerk van onder het onwettige Synodale juk van 1816 was in 1852, volgens Groen, geen sprake geweest, omdat de Regeering de Kerk niet opgeroepen had om nu zelve te kiezen welke wijze van Kerkregeering zij wilde. De Regeering liet de Kerk met het „Staatscreatuur van 1816" zitten, zoodat zij als een gevangene ingekerkerd bleef in die Synodale bestureninrichting. De cipier was bevorderd tot gevangenisdirecteur" ; de Synode, tot nu toe het knechtje van de Regeering, kreeg nu een aanstelling als patroon ! En zoo werd de zaak op den zelfden voet voortgezet. Waarbij heit woord nu was aan de „gebondene" Kerk.
Met die „gebondenheid" van de Kerk heeft Groen altijd rekening gehouden. Het recht van de Synode wilde hij niet erkennen, maar toch wendde hij zich tot de Synode en wilde van revolutionair optreden niet weten. De Synodale Besturenorganisatie moest vervangen worden in den weg van reorganisatie door een presbyteriale Kerkinrichting, overeenkomende met het wezen der Kerk en de beginselen van Gods Woord, maar tot ongeoorloofde middelen en ondoordacht optreden heeft Groen nooit geadviseerd, ja, hij heeft zich daartegen altijd verzet, geloovende in de voorzienigheid Gods.
Daarbij was voor Groen niet het Kerkbeheer, maar de Kerk leer het voornaamste. En hij wilde inzake de leer een positie innemen, overeenkomstig , Gods Woord en de grondslagen van de Belijdenis". Daarin moest de Synode ervaren, dat men onverzettelijk was. „Wij moeten" — zoo schreef hij aan Da Costa — „niet zoozeer vragen, als wel een positie innemen, tengevolge waarvan hetgeen wij verlangen, ons niet meer kan worden ontzegd".
Dat Groen, hoewel hij bezwaren had tegen de kerkelijke organisatie van 1852, haar nooit „onaannemelijk" heeft verklaard en tot het verlaten van de Hervormde Kerk niet geraden heeft, blijft voor ons van het grootste gewicht.
We willen — en het hoofdstuk van prof. dr. H. H. Kuyper : „Groen's strijd voor Kerkherstel" in het Gedenkboek der Doleantie, getiteld: De Reformatie van 1886", geeft ons daarvoor prachtig materiaal — daarover volgende week nog een en ander zeggen.
[Wordt voortgezet.]

KOHLBRUGGE, zijn levensgeschiedenis.
XIII.

Onder die droeve omstandigheden nu ging Kohlbrugge naar Duitschland ; naar 't Wupperdal, naar Elberfeld. Met veel leed kwam hij als een balling, door zijn eigen Vaderland, door zijn eigen Kerk uitgeworpen, om.dat hij een getrouwe getuige van Jezus Christus mocht zijn. Hem predikende als den eenigen en algenoegzamen Zaligmaker voor een arm en in zich zelf geheel verloren zondaarsvolk, " dat uit en van zich zelf niet anders had dan zonde en ongerechtigheid, tekortkoming en gruwel. En in 't Wupperdal leefde een volk, dat juist van deze dingen begeerde te spreken en te hooren, waarom hij spoedig als een vreemdeling onder bekenden zich voelde.
Allerlei strooming en geestesrichting was er. Maar de man, die het meest hen, die naar Gods Woord hongerden, om zich heen verzamelde, was Gottfried Daniël Krummacher, ook in ons land door zijn vele geschriften bekend. Deze was vroeger een aanhanger van den mysticus Tersteegen geweest, meer vertoevend bij den christen dan bij den Christus, maar in Elberfeld had hij in de Gemeente de oude Gereformeerde belijdenis aangetroffen en in zijn preeken mocht hij nu de leer van de vrije, algenoegzame genade en van de offerande en het priesterdom van Christus in 't bijzonder naar voren brengen. Met menige nood en velerlei vraag hadden de gemoederen der oprechten toen te tobben en te worstelen. Wanneer het ééne Bijbelwoord een troost inhield, dat alles vrije, onverdiende, allesvervullende gave is; dat er geen vervloeking is overgebleven ; dat aan de Wet in alles voldaan is door Jezus Christus, den Borg en PIaatsvervanger, — dan schenen toch andere Schriftuurplaatsen weer evenzoo beslist de dreigingen en de eischen van het gebod te handhaven. Aan het geloof werd het kleed der gerechtigheid' van Christus voorgehouden, maar welk een angst, welk een twijfel in de ziel, als men in de dagelijksche ervaring van deze allesvervullende gerechtigheid niets bespeurde, als de zonde zich in haar macht des te meer scheen te handhaven. Dan komt de angstige, bange vraag : hoe zal de zondaar voor God bestaan ? Hoe is een arm zondaar, ondanks zijn verschrikkelijke, gruwelijke zonden, rechtvaardig voor God ?
Dan kwam de vraag : wat is het: naar den Geest wandelen en niet naar het vleesch ? Wat is heiliging ? Wat is de nieuwe mensch, die naar God geschapen is, tot goede werken ? Wat en waar zijn de werken, die niet op menschelijke inzettingen en eigen goeddunken berusten, maar in waarheid aan het gebod beantwoorden ?
En dat niet alleen. In de Kerk des Heeren doen zich nog andere vragen voor. Waar waarlijk Gods Woord geldt, daar bestaat ook een scheiding tusschen hen, die aan dat Woord gehoorzaam zijn en hen, die naar God niet vragen ; daar scheidt de Gemeente der geloovigen zich van de wereld af. Maar welke gevaren bestaan er daar, om óf toe te geven en zich aan de wereld gelijkvormig te maken, öf er zich iets op te laten voorstaan, dat men tot Gods volk behoort. Welk een teere zaak is het dikwijls bij de aanraking met allerlei personen en bij de verplichtingen die men heeft: dan te belijden Hem, Dien men toebehoort!
Deze en andere dingen waren het, die te Elberfeld in de omgeving van Krummacher en anderen, in de harten en gewetens van velen dag en nacht overwogen werden, waar licht-en duisternis streed en waarover men rust en klaarheid zocht, zonder ze te kunnen vinden.
In deze omgeving en in dezen toestand der dingen kwam nu de Hollandsche prediker Kohlbrugge. Het onrecht, dat hij in zijn Vaderland had geleden, was voor hem aanbeveling en eer. Door verschillende predikers uitgenoodigd, beklom hij toen in Elberfeld en omstreken zestien maal den kansel en kwam met de predikers zelf en de gemeenten in zeer nauwe persoonlijke aanraking.
Eene preek was het vooral, die eene doorslaande uitwerking had.
Bij Kohlbrugge ging het altijd om Gods Wet en hij had alles beproefd en te werk gesteld om overeenkomstig de Wet te zijn. In de ervaring nu van zijn eigen leven : wat een mensch in zijn binnenste is, wat zijn ik en zijn wezen is, waarbij smart, diepe smart en troosteloosheid bij hem was, omdat hij het tegenovergestelde was van hetgeen het gebod des Heeren ons voor oogen stelt — was voor hem het licht opgegaan over het Woord, waarin de Apostel als de ervaring van zijn leven uitspreekt: de Wet is geestelijk, maar ik ben vleeschelijk, verkocht onder de zonde. (Rom. 7 vers 14).
Wat ligt er in deze woorden ? Is hier sprake van den on wedergeborene vóór zijn bekeering, of van den wedergeborene na zijn vernieuwing des harten ?
Het is duidelijk, dat alleen de wedergeborene, wiens oog en hart ontsloten is door het ontdekkend licht des Heiligen Geestes, zoo spreekt. Alleen de wedergeborene legt een zoodanige belijdenis af en kan alleen maar zoo'n belijdenis afleggen.
Want alleen in en door de wedergeboorte geeft de mensch, door de kracht des Geestes, Gode gelijk, dat Zijn Wet goed is, maar dat wij zondaar zijn, gansch en al verdoemelijk voor een heilig God, daar ook de beste van onze goede werken met zonden bevlekt zijn en ook ons eigen hart ons moet aanklagen. Als we het goede willen, ligt het kwade ons bij. En juist dat te weten en dat te belijden noemt de Apostel in Rom. 8 „naar den Geest wandelen". Dan leeren we zonder huichelarij voor God erkennen — als de Geest ons eerlijk komt maken — wat we zijn ; en dan leeren we ook als verlorene, vloekwaardige zondaren (en niet als rechtvaardigen of half-rechtvaardigen of bijna-rechtvaardigen, maar als goddeloozen) aan het heerlijk Evangelie van God en van Zijn Zoon Jezus Christus geloof schenken en op de genade, die ons daarin wordt aangeboden, ons eenige vertrouwen zetten.
Dit alles zegt de Heid. Catechismus zoo mooi in Zondag 23. Want als daar een onderzoek wordt ingesteld naar de bate en heilzame vrucht van het geloof eens christens, dan is het korte, klare, heerlijke antwoord : Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam des eeuwigen levens".
Dat zegt een geloovige. En hoe is die geloovige nu in en van zich zelf ? En hoe mag die geloovige zich nu rechtvaardig weten voor God in Christus en een erfgenaam der eeuwigen levens ?
Hoort. Want als de vraag gedaan is : „Hoe zijt gij rechtvaardig voor God ? " —dan volgt het antwoord: Alleen door het geloof. Alléén door een oprecht, waar geloof in Jezus Christus. En dat zit dan zóó voor den geloovige : dat, al is het dat mij mijne conscientie aanklaagt, dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen derzelve gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben" („ik ellendig mensch ) nochtans God: (het „nochtans" des geloofs!) zonder eenige verdienste mijnerzijds, uit loutere genade, mij de volkomene genoegdoe waarvan het verbond miet het koningschap, opgericht met David, den koning Israels, een voorbeeld was. In andere Schriftuurplaatsen hebben wij, al komt het woord verbond daar niet voor, een duidelijke heen wij zing naar al te wezenlijke deelen van een eigenlijk gezegd verbond. In Jes. 53 vers 10 hebben we de twee groote deelen van het verbond : het conditioneele en het belovends ; en de beide volheerlijke contracteerende partijen: de Een op zich nemende het volbrengen van deszelfs moeitevolle voorwaarde, de Ander op zich nemend de vervulling van deszelfs dierbare beloof ten".
In de tweede stelling wordt dan gezegd, dat dat verbond wordt opgericht met Christus als het Hoofd of de Representant van zijn geestelijk zaad. Daarvoor beroept zich de schrijver voornamelijk op Rom. 5, waar Christus als de tweede Adam tegenover den eersten Adam wordt gesteld.
Naast dit verbond bestaat er volgens Shaw geen ander verbond. Wat het verbond der genade is genoemd, is geen eigenlijk verbond, maar het is slechts de bediening van het vertoond der verlossing. Hij beroept zich daarvoor op de woorden van dr. Dick : „Die waarheid is, dat hetgeen deze godgeleerden noemen het verbond der genade, enkel is de bediening van wat zij noemen het verbond der verlossing, ten doel hebbende het toepassen van deszelfs weldaden aan diegenen, voor wie zij bestemd waren, en kan eigenlijk niet beschouwd worden als een verbond, omdat het niet afhangt van een eigenlijke voorwaarde".
Geheel in overeenstemming hiermede is een ander citaat bij Shaw. „Het verbond der genade werd opgericht met Christus in stricten en eigenlijken zin, omdat Hij er de contracteerende partij in was en op zich nam de voorwaarden ervan te volbrengen. Het is opgericht met d e geloovigen in oneigenlijken zin, wanneer zij onder den band des verbonds gebracht worden en in de dadelijkheid tot de genieting van de weldaad-komen".
Uit deze aanhalingen blijkt tevens, dat deze theologen zich een verbond alleen kunnen denken : als een contract tusschen twee partijen, waarbij de eene partij een bepaalde voorwaarde heeft te vervullen, zal de andere partij gehouden zijn zijn beloften in te lossen. Zulk een contract laat zich volgens hen wel denken in de overeenkomst van Vader en Zoon, maar niet in de verhouding tusschen God en zijn volk ; ergo kan er in eigenlijken zin van een verbond tusschen God en den mensch geen sprake zijn. Als God nochtans zoo spreekt tot Abraham in de verbondsoprichting met hem, moet dat alles In oneigenlijken zin worden opgevat. Er ontbreekt aan heel deze redeneering niets dan de toevoeging, dat de rede duidelijk leert, dat het verbond in genoemden contracteerenden zin moet worden genomen.
Wanneer Bavinck in zijn inleiding op het verbond der verlossing zegt, dat men voor het verbond tusschen God en mensch in den tijd een vasten, eeuwigen grondslag in den raad Gods zocht en daarna dezen raad, als bedoelende de behoudenis van het menschelijk geslacht, ook weer opvatte als een verbond van de drie personen in het goddelijk wezen zelf, dan is dat onjuist. Nagenoeg alle theologen van de 18de eeuw vatten het verbond der verlossing, gelijk wij hebben laten zien, als een verbond van twee personen in het goddelijk wezen, en wel Vader en Zoon, met algeheele uitsluiting van den derden persoon, de Heilige Geest.
Dit moet bovenal onze Hollandsche theologen als een zeer ernstige fout worden aangerekend, bovenal hen, omdat zij zelf verklaren, dat zij, sprekende van dit verbond, spreken over in blijvende daden Gods, dat zijn zulke daden of werken of handelingen Gods, die geen betrekking hebben op de geschapen wereld, maar die betrekking hebben op de verhouding van de personen in het goddelijk wezen onderling.
Zooals God bij de schepping zegt: laat ons menschen maken naar ons beeld en onze gelijkenis, en de drie personen zulks als het ware bij onderling overleg besluiten, zoo stelt men zich onder het verbond der verlossing ook een onderling overleg voor tusschen de goddelijke personen over de verlossing van den mensch. Het moet echter ten zeerste in strijd worden geacht met Schrift en belijdenis, om bij dit onderling overleg den Heiligen Geest uit te sluiten en alleen te spreken van een verbond tusschen Vader en Zoon. In strijd met Schrift en belijdenis, omdat daar de Heilige Geest een even werkzaam aandeel aan de verlossing van den mensch wordt toegekend als aan den 'Zoon er Hij als zoodanig in het goddelijk overleg, dat ten grondslag ligt aan het werk der verlossing, zeker zijn plaats heeft. Hier heeft rationalistische opvatting van het verbond deze theologen parten gespeeld, waardoor men in een verbond alleen twee partijen kende en de eene partij bepaalde voorwaarden en de andere bepaalde beloften had te vervullen. Een verbond tusschen de drie personen in het goddelijk wezen paste op dit rationalistische schema niet, en daarom verwrong men het verbond der verlossing tot een overeenkomst tusschen Vader en Zoon.
Het valt gemakkelijk genoeg aan te wijzen, hos het verlaten van de ware reformatorische beginselen hier geleid heeft tot de vereenzelving van verbond der verlossing en verbond der genade. Het verbond tusschen God den Vader en zijn mede-eeuwigen Zoon in de eeuwigheid, liet men namelijk samenvallen met het verbond tusschen God den Vader en Christus, d.i. den Zoon van God, mensch geworden zijnde. Trad de Zoon van God in de eeuwigheid reeds op als de representant van al de zijnen in zooverre zij Hem gegeven waren en Hij op zich nam hen te verlossen, in den tijd: als Zoon des menschen verschijnt Hij ons in heil: bizonder als den tweeden Adam, die in zijn menschelijke natuur al de zijnen vertegenwoordigt. Onmerkbaar is thans de overgang. De eeuwige Zoon van God komt in zijn menschwording voor ons te staan als de tweede Adam, als de nieuwe mensch bij uitnemendheid, die op zich neemt ai de voorwaarden des verbonds te volbrengen. De andere partij is oorspronkelijk God de Vader, maar hoe meer de tweede partij als de tweede Adam verschijnt, hoe meer de eerste partij in den persoon van den Vader terugwijkt om plaats te maken voor God, den eenigen en drieëenigen God. Dan is men waar men wezen wilde ; het verbond der verlossing is het verbond tusschen God en mensch; zeker de mensch Christus Jezus, de tweede Adam, maar duidelijk is, dat zoó gezien, het verbond der verlossing en het verbond der genade één werden, als een verbond tusschen God en de verloste menschheid, vooral zooals die vertegenwoordigd was in haar hoofd Christus.
Alle onderscheiding tusschen een verbond van de goddelijke personen onderling en een vertoond tusschen God en mensch, is hier zoek geraakt en heeft tot de grootste verwarring aanleiding gegeven.
O. a/d IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's