STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE GROEI DER BEVOLKING
Toen wij in ons nummer van 6 Februari over het onderwerp emigratie schreven, mochten wij er op wijzen, hoe velen in den lande dit middel aanprijzen als een der meest afdoende maatregelen om het kwaad der werkloosheid te bestrijden.
Wij vestigden bij die gelegenheid tevens de aandacht op de omstandigheid, dat het vraagstuk der werkloosheid steeds ingewikkelder wordt, doordat telkens nieuwe groepen van werknemers uit den arbeid uitgestooten worden, tengevolge van een streng doorgevoerde mechanisaitie en rationalisatie der verschillende bedrijven.
Doch behalve deze veranderde en gewijzigde toestand in de bedrijven, waarbij nog komen de moeilijkheden, welke het economisch leven doormaakt, als gevolg van de nog altijd aanhoudende wereldcrisis, is er nog een andere factor, die op de werkloosheid ongunstig inwerkt.
Deze factor is de groei der bevolking.
Blijkens de gegevens der lO-jarige volkstellingen bedroeg op 31 Dec. 1859 het zielental 3.309.128, op 31 December 1920 reeds 6.865.314 en op 31 December 1930 het cijfer van 7.935.565. Sindsdien is de bevolking jaarlijks met gemiddeld 100.000 blijven toenemen.
Het aantal inwoners bedroeg 31 December 1932 : 8183392, 31 December 1933 : 8200389 (stijging 160.997), 31 December 1934:8392102 (stij-. ging 101.713).
In andere landen staan de cijfers van de groei der bevolking veel lager.
In België , b.v. stijgt het zielental jaarlijks niet boven de 27000.
Daardoor staat ons land ten opzichte van de werkloosheid er ongunstiger voor dan ergens elders. Elk jaar wordt tengevolge van het accrès der bevolking (het sterftecijfer is sterk dalende) het leger der werknemers met ettelijke tienduizenden arbeiders vergroot.
Heb is deze factor, de groei der bevolking, die verklaart, waarom in Nederland de werkloosheid grooter omvang moet hebben dan in de landen, waar bijna geen bevolkingsaccrès is.
En toch is in België het relatieve cijfer der werkloosheid 6% tegenover 5% in Nederland.
Nu kan intusschen het bevolkingsvraagstuk bij ons ons wel eens verontrusten. De vraag doet zich toch telkens voor, waarheen het moet met de tienduizenden werknemers, die overtollig zijn.
Toch mag het antwoord op deze vraag — aldus schreef De Rotterdammer eenige weken geleden — nooit paralel loopen met de beschouwing, die op de jaarvergadering van het Nationaal Comité der internationale vereeniging voor de wetenschappelijke studie voor het bevolkingsvraagstuk werd ten beste gegeven.
Op die vergadering — zoo zegt het blad — besprak de Sociaal Democraat prof. mr. W. A. Bonger, het bevolkingsvraagstuk in Nederland en trok daarbij zijn onverbiddelijke conclusies.
De professor noemde de overbevolking van Nederland een ramp. Deze ramp moest bezworen worden door de overbevolking te beperken.
Ter vergadering werd hiertegen stelling genomen. Helaas niet op overwegingen, gegrond op de Christelijke levensbeschouwing, doch op allerlei materialistische gronden, die al even verwerpelijk waren als de redeneering van prof. Bonger.
Terecht wijst De Rotterdammer er op, dat wie het bevolkingsvraagstuk uit de christelijke sfeer haalt, het omlaag trekt en het ontwijdt en bezoedelt.
Hier is slechts één houding — zoo gaat het blad voort — geoorloofd, en dat is die van gehoorzaam en geloovig Godsvertrouwen. Vrees voor overbevolking is zondige vlees en beteekent critiek op Gods wereldbestuur.
Alleen maar : geloovig toerusten heft de menschelijke verantwoordelijkheid niet op. Voor een bepaalde wereldhoek kan het bevolkingsvraagstuk moeilijkheden opleveren ; zoo was het bij Babels torenbouw immers ook, omdat men Gods gebod om „de aarde te vervullen en te onderwerpen" niet opgevolgd had. Van een „ramp" mogen Christenen echter nimmer spreken. Gods voorzienigheid vergist zich niet en nooit.
Met deze opmerking van het Rotterdamsche orgaan gaan wij geheel accoord.
De beperking van de bevolking is als zoodanig in strijd met Gods ordinantiën en in haar wezen misdadig.
Intusschen blijft de factor, die de werkloosheid ongunstig beïnvloedt, de groei der bevolking, bestaan. Maar de oplossing der moeilijkheden moet hier niet gezocht v/orden in de richting van beperking van de bevolkingsgroei, doch in het zoeken naar wegen, waardoor het kwaad der werkloosheid in directen zin afdoende kan worden bestreden.
Een dezer wegen blijft ook voor ons de emigratie. Wel kan de inpoldering van het IJsselmeer, waardoor groote complexen grond verkregen worden, er toe medewerken om nieuwe bedrijven te stichten, doch de afzet van werkloozen is in die richting toch maar gering. Bovendien zijn met de genoemde! inpoldering nog tientallen jaren gemoeid.
Emigratie blijft daarom de weg.
De Regeering zal de emigratie-mogelijkheden nauwlettend hebben gade te slaan. Zij zal ook hare aandacht hebben te schenken aan een juiste voorlichting van ons volk ten opzichte van de bestaande mogelijkheden. In de jaren 1910 toib en met 1932 zijn toch niet minder dan 41444 Nederlandsche emigranten uit de Nederlandsche havens vertrokken.
Daarbij komt, dat het belang van het Nederlandsche bedrijfsleven bij vestiging van Nederlanders elders zeer zal worden gebaat.
Daarom heeft de Regeering het tot haar dure plicht ite rekenen, alles in het werk te stellen om het groote volksbelang, dat in de emigratie voor ons land is gelegen, naar vermogen te dienen.
Kosten noch moeite mogen worden gespaard om de tienduizenden werkloozen aan een nieuw bestaan te helpen.
De tijd is daarvoor rijp.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's