De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD

11 minuten leestijd

Genesis 8 : 18, 19. Toen ging Noach uit en zijne zonen en zijne huisvrouw en de vrouwen zijner zonen met hem. Al het gedierte, al het kruipende en al het gevogelte, al wat zich op de aarde roert, naar hunne geslachten, gingen uit die ark.

5e Serie.
XVIII.
Het geloof is niet de gehoorzaamheid ten nauwste verbonden. In het levend geloof ligt de gehoorzaamheid besloten. Dat blijkt reeds uit de beteekenis, die het woord uit den Grlekschen grondtekst heeft, dat in het Nieuwe Testament door „geloof" wordt overgezet. Dat Grleksche woord stamt af van een woord, dat „gehoorzamen" beteekent. Het levend geloof is de vrucht van de werking des Heiligen Geestes, die uitgaat in de ziel van Gods. kinderen, zoodat zij tot een zelfovergave aan den Heere worden overreed. Dat wordt al bijzonder duidelijk in de geschiedenis van Jeremia, als hij, omdat hij Gods Woord, gesproken had, door Pashur, den zoon van Immer, mishandeld wordt en in de gevangenis geworpen, dan haalt Pashur hem den volgenden dag er weer uit en dan kondigt Jeremia, inplaats van nu te zwijgen, opnieuw Gods oordeelen aan. Dan noemt hij Pashur een Magor-missabib, d.w.z. een schrik van alle kanten, want hij zou gesteld worden tot een schrik voor zichzelven en voor al zijne vrienden. Hij zou moeiten zien, hoe zij vielen door het zwaard, hunner vijanden. Juda zou gegeven worden in de hand. van Babel's koning en de wegvoering in ballingschap zou worden voltrokken. Zoo kondigt de profeet Pashur zijn ondergang, dood en begrafenis te Babel aan als een oordeel over de valsche profetie, waarmede hij het volk trachtte te verleiden. En het lag voor de hand, dat het voor Jeremia eigenlijk een lijden was, dat hij geroepen zich wist om dat vreeselijke oordeel aan te kondigen, dat de menschen, in wier midden hij leefde, niet wilden gelooven en daarom ook niet wilden hooren. Het was geen wonder, dat de menschen van nature van Gods oordeelen niets willen weten, dat hunne vijandschap er door wordt geprikkeld en de haat losbarst. Dat is immers in onze dagen nog precies zoo. Niets is bitterder gehaat dan de Waarheid en hij, die den moed heeft haar te spreken. De menschen zijn er niet van gediend. En de man, die haar spreekt, ondervindt de vijandschap en dien haat maar al te vaak als een pijnlijk leed. En zoo was het nu ook met Jeremia. Hij leed onder den druk van zijn vreeselijken last. Maar hij was er zich van bewust, dat hij niet anders kon noch mocht spreken. En hij gunt ons als het ware een blik in de verborgenheid van en zielestrijd, die gepaard ging met de volbrenging zijner roeping. Hij is zich bewust van het ontroerend oordeel Gods, dat hij in strijd met het oordeel der groote en invloedrijke mannen uit de kringen der regeering uitsprak, en hij geeft er eene verklaring van, die ons op treffend juiste wijze laat zien, hoe het geloof, het ware, levende geloof, geboren wordt in de menschenziel. „Heere", zoo zegt Jeremia (20 : 7) „Gij hebt mij overreed en ik ben overreed geworden. Gij zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht". Dit is de verklaring van zijn spreken, ook al lachen zij hem uit en bespotten zij hem. Des Heeren woord, was hem den ganschen dag tot smaad en schimp. Als hij met zichzelven rekende, dan lag het in zijne natuur, te zeggen : „Ik zal Zijner niet gedenken en niet meer in Zijnen Naam spreken". Als hij op zichzelven zag, dan zou hij veel liever zwijgen, de menschen niet langer lastig vallen met de aankondiging van de oordeelen Gods, die zij niet konden zien en niet wilden aanhooren. Maar hij kon niet zwijgen. Het werd in zijn hart , als een brandend vuur, besloten in zijne beenderen. Hij bemoeide zich, zooals er geschreven staat, spande zich dus in om te zwijgen om dan te verdragen dien last van Gods oordeel, dat hij liever niet spreken wilde, maar hij kon niet zwijgen. De. Heere was hem te machtig, hoe diep ook de smart over dat alles vlijmde door zijne ziel. En - dus hij sprak en gehoorzaamde, want de Heere overreedde hem. Het woord des Heeren kreeg dus zulk een macht over Jeremia's bewustzijn, dat hij er geheel in op en onderging, dat het dus eene volkomen heerschappij over hem had verkregen. Zoo was het geloof in zijne ziel tegelijkertijd de gehoorzaamheid aan Gods woord. Die gehoorzaamheid komt dus niet bij het geloof, maar is er in gegeven. En zoo kan. dan ook de apostel zeggen : „Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave ; niet uit de werken, opdat niemand roeme". Zoo is Gods kind Gods, maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat hij in dezelve zoude wandelen. Zoo was nu ook het levende geloof in Noach tevens gehoorzaamheid. God had tot hem gezegd: ga gij en uw gansche huis in de ark". Daarna zeide Hij tot hem : „Ga uit de ark, gij en uwe huisvrouw en uwe zonen en de vrouwen uwer zonen". En zooals Noach op Gods woord in de ark was ingegaan, zoo ging hij er nu op Gods woord uit. Zijn geloof verschijnt in de gehoorzaamheld. Hoewel hij het deksel der ark had weggenomen en de droog geworden aarde aanschouwde voor zijne oogen, toch ging hij niet uit. Hoewel de nieuwe aarde hem bekoorde, de uitgang uit de benauwde schuilplaats hem aanlokte, nochtans ging hij niet uit, want zijn geloof en zijne vreeze Gods maakte het hem onmogelijk iets te doen zonder zekerheid van Godswege te hebben ontvangen. De Heere had achter hem, toegesloten, op des Heeren woord alleen zou hij kunnen uitgaan. Hij zal geen stap doen zonder de wetenschap, dat hij in den weg des Heeren gaat. Zoo is Noach een blijvend voorbeeld geworden voor de Kerk van alle eeuwen na hem van de geloofsgehoorzaamheid, die het stempel draagt van de getrouwheid Gods in Zijne beloften. De gemeente des Ouden Verbonds heeft daaraan uitdrukking gegeven in het gebed : „de Heere zal uwen uitgang en uwen ingang bewaren van nu aan tot in der eeuwigheid". En daardoor wordt nu eigenlijk toegezegd, dat in zulk eene geloofsgehoorzaamheid ook bereid is het welslagen van al wat in dien weg ondernomen wordt. Zooals ook van David wordt getuigd, 1 Sam. 18 : 16 : „Doch gansch Israël en Juda had David lief, want , hij ging uit en hij ging in voor hun aangezicht". Alles wat hij ondernam, geschiedde voor aller oogen als een werk, dat wel gelukte, want het was steeds geschied in Gods weg, dus in ware geloofsgehoorzaamheid. En zoo staat ook van den Heere Jezus geschreven, Hand, 1 : 21, dat de discipelen getuigen, dat het opzienersambt gedragen mag worden door dezulken, die behoorden tot de mannen, die met ons omgegaan hebben al den tijd, in welken de Heere Jezus onder ons in-en uitgegaan is. waardoor wordt aangewezen, dat Hij Zijn Middelaarsambt voor aller oog volkomen vervuld heeft.
Zoo was nu ook Noach. in de ark ingegaan en zoo ging hij er uit als een blijvend exempel van gehoorzaamheid des geloofs , dat leert om buiten Gods raad en weg geen stap te doen op den levensweg. Hij heeft dan ook den Heere gebeden om licht en wijsheid, opdat hij wandelen mocht in den eenigen en den goeden weg, door den Heere zelven hem, in en door Zijn woord bevolen. En nu beteekent dit niet, zooals het door sommigen wel eens schijnt te worden begrepen, alsof wij op nieuwe openbaringen hebben te wachten. Het komt, helaas, ook onder ons wel voor, dat als de Grieken weleer wijsheid, of als de Joden een teeken wordt begeerd. Er zijn er, die schijnen te meenen, dat alleen op een grillige wijze en in phantastische verschijningen de mensch kan zeker worden van de leiding Gods. Ook hier wordt het duidelijk, dat Noach alleen afgaat op Gods woord, dat hij aan dit woord zich toetst, in dit woord de norm heeft, die zijne handelwijze bepaalt. En zoo worden ook wij er toe geleid onze plannen, onze overwegingen, de wegen, die wij zullen inslaan, te toetsen aan Gods Woord, opdat wij geene dingen doen, die met dat Woord in strijd zijn en niet vervallen tot de dwaasheden, die den mensch wachten, als hij zich zijnen weg uitdenkt zonder Gods, aangezicht te zoeken en des Heeren leiding te vragen. En dat aangezicht is in Christus verschenen, in Wiens aangezicht Hij gegeven heeft verlichting Zijner kennis. En dat aangezicht werd ontsloten in het Woord des Heeren, dat alleen een lamp kan zijn voor den voet en een licht op het pad. Daarom is het de bede van het ware volk, om van dag tot dag, ja, van uur tot uur geleid te warden, om te mogen uitgaan en ingaan voor Gods aangezicht. Dat mogen zij vragen, en de Heere zal ook daarin Zijne kinderen hooren. Onder de leiding van het woord des Heeren ging Noach in en ging hij uit. En buiten dat woord ging hij niet. Hij deed buiten den Heere niets, maar op Zijn woord deed hij alles, ook hetgeen in de wereld de grootste dwaasheid, scheen. Hij ging op des Heeren woord uit, zooals hij er eenmaal ingegaan was onder des Heeren leiding zelve. „Toen ging Noach uit", zoo staat er. Als de Heere hem een inzicht gegeven heeft in de nieuwe levensroeping, die zich voor hem ontsluit op de nieuwe, nu droog geworden aarde. En hij wordt ons in de wijze, waarop de Schrift dezen uitgang teekent, voorgesteld in overeenstemming met zijnen ingang. Toen hij zou ingaan, had de Heere gezegd: „gij en uwe zonen, uwe huisvrouw en de vrouwen uwer zonen met u". En als Gods bevel in de uitvoering beschreven wordt, dan warden die namen opgesomd van Noach en van de zonen : Sem, Cham en Japheth. En nu de uitgang plaats grijpt, luidt het wederom : „Noach en zijne zonen en zijne huisvrouw en de vrouwen zijner zonen met hem". Daarbij wordt nu gevoegd „het gedierte, het kruipende en al het gevogelte, al wat zich op de aarde roert, naar hunne geslachten, gingen uit de ark".
Ook hier treedt nu bijzonderlijk het karakter der verbondsbetrekking op den voorgrond. De eerste, die uitgaat, is Noach. Hij zal voor alle anderen zijne voeten zetten op de nieuw geworden aarde. En op zijn bevel volgen de zonen, daarna de vrouwen. En eindelijk komen de dieren, elk op zijne beurt. Doch bij dit alles wordt nu nadrukkelijk vermeld, dat zij uitgingen naar hunne geslachten. Zoo laat de Heere ons zien, dat als in de wereld der menschen, zoo ook in de wereld der dieren sprake is van een geslachtsverband. Zooals de menschen niet op zichzelven staan, maar in geslachtsverband samenhangen en daarom alleen van eene verbondsbetrekking sprake kan zijn, zoo is er ook een geslachtsverband tusschen de dieren, dat hunne soort bepaalt en waardoor er ook tusschen deze een natuurlijke betrekking bestaat. Daardoor worden ook zelfs zij niet louter als individueele exemplaren der soort beschouwd, maar eveneens in een samenhang, die bepaald wordt door afstamming en bloed.
Zoo verschijnt dus in het licht van Gods Heiligen Geest hier de menschheid, die in vier menschenparen uiteengaande, de droog geworden aarde opnieuw zal bevolken, als eene in geslachtsverband verkeerende menschheid, zoodat later eeuwen de apostel zal kunnen zeggen : „En heeft uit éénen bloede het gansche geslacht der menschen gemaakt om op den geheelen aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren verordend en de bepalingen van hunne woning, opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten, hoewel Hij niet verre is an een iegelijk van ons". Zoo wordt dus de eenheid van het menschelljk geslacht nadrukkelijk in Gods Woord gehandhaafd, opdat ook, als eene nieuwe ontwikkeling der menschheid, welke verscheidenheid daar in ook mocht opkomen, zich op de aarde zou voltrekken, de gemeente des Heeren zou weten, dat alle rasverschil, dat zich op zoo soms klare wijze in huidskleur en lichaamsbouw zou openbaren, toch aan de eenheid van al wat mensch heet, niet zal afdoen. Noach en zijne zonen gingen met hunne vrouwen uit en waren in dien uitgang door den Heere gekend in den samenhang hunner geslachten. En ook van de dieren gold het, dat zij, zooals zij mannetje en wijfje waren ingebracht, nu ook als dragers van nieuwe, toekomende geslachten, werden uitgeleid.
Zoo blijkt dus, dat de Heere de levende wezens niet als individueele exemplaren heeft geschapen, maar als uitgangspunten voor geslachten en dus van soorten. Uit dat oogpunt is het dus ééne grondidee, waardoor Gods scheppend werk wordt geleid, die in den mensch hare rijkste ontwikkeling heeft verkregen. In val en verlossing is die eenheid in de schepping Gods de grond voor het ontroerend oordeel, dat door éénen mensch de zonde in de wereld ingekomen is; en door de zonde de dood, zoo ook zij, die den overvloed der genade en de gave der rechtvaardigheid ontvangen in het leven, heerschen door dien éénen, namelijk Jezus Christus.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's