VAN DEN WOORDE GODS
5e Serie.
Genesis 8 : 20. En Noach bouwde den Heere een altaar. En hij nam van al het reine vee en van al het rein gevogelte en offerde brandofferen op het altaar.
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD
XIX.
Het is een dag van wondere, onvergetelijke vreugde, als na een nacht van donkerheid, gebaren uit de ontdekking voor zonde en schuld, na een soms lange en bange worsteling, waarin het woord van dien dichter wordt verstaan, toen hij klaagde: „De banden des doods hadden mij omvangen en de angsten der hel hadden mij getroffen", het licht der verlossing opging. Alsook kan worden nagesproken : „Maar ik riep den Naam des Heeren aan, zeggende : Och Heere ! bevrijd mijne ziel! En de Heere antwoordde, want Hij hoorde naar de stemme mijner smeekingen, Zoodat kan worden gezongen „De Heere is genadig en rechtvaardig en onze God is ontfermende". Ja, dat is een wonderschoone tijd, waarin de eerste liefde wordt gesmaakt, de eerste vrucht van den Levensboom mag worden genoten. Dan zal Gods kind den discipelen nazeggen: „Laat ons hier tabernakelen maken". Hij zou daar wel willen blijven, willen zingen den lof des Heeren dag aan dag en zonder ophouden. Wanneer de Heere doorbreekt met genade, wanneer het licht Zijns Geestes de wolken scheurt, dan kan er als een verzinken zijn in de goddelijke liefde. Hij zal roepen: Abba, lieve Vader! En hij zal met den dichter instemmen, toen hij zong: Loof den Heere, want Hij is goed, want Zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid ! Ja, hunne blijdschap zal dan onbepaald, door het licht, dat van Zijn aanschijn straalt, ten hoogsten toppunt stijgen. De Heere Jezus zelve leert het ons in de gelijkenis van de vrouw, die haar verloren penning wedervond, nadat zij naarstiglijk had gezocht en de geburinnen samenriep : „Weest blijde met mij !" Zoo kan het Gods kind gebeuren, als hij het leven vond, nadat hij den dood was ontvloden, als hij de vrijstad bereikte, nadat hij aan den bloedwreker ontkomen was. Dan geeft de Heere blljdschap, wondere blijdschap, beken van wellust, verzadiging van vreugde bij Gods aangezicht. Die eerste doorbreking is zoo machtig in haare vruchitgevolgen, dat zij nimmermeer kan worden vergeten, zoodat nog jaren daarna, ook als er opnieuw geworsteld en gebeden en gestreden moest worden, omdat er gedwaald was als een verloren schaap, die goddelijke vreugde nog als een lichtende ster glinstert in den nacht, die over het verleden is .gedaald. En daarom, is het ook geen wonder, dat dan de klacht kan opgaan, dat het hem eertijds beter was dan nu. Vanwege den druk dier vreugde is er dan ook de tof, is er de bereidheid tob het offer, worden de geloften vermenigvuldigd, zouden zij wel alles, wel hun leven willen leggen op het altaar om zichzelven tot een levende offerande der dankbaarheid op te offeren. Zoo wordt met vreugde de dag der verlossing begroet.
En daarom kan het ons niet verwonderen, dat ook Noach als hij verzekerd van de leiding Gods de ark verlaat, blijdschap staakt.
Als een held des geloofs verschijnt hij aan het begin eener nieuwe aardperiode, waarmede zich bevens voor hemzelven, voor zijne geslachten, ja voor de menschheid zelve, eene nieuwe toekomst ontsluit. Zijn gansche vroegere levenstaak droeg een profetisch karakter. Hij had die oude wereld opgeroepen tot bekeering, zij het dan ook te vergeefs. De Geest van Christus had door zijn mond getuigd, doch de wereld, verstond hem niet, kon hem met verstaan, daar zij vleeschelijk, verkocht onder de zonde, was voorbestemd tot het oordeel. Het gedichtsel der gedachten huns harten was te allen dage alleenlijk boos. Zoo lagen zij in het gevang hunner eigen ongerechtigheid. En daarom de prediking van Noach door zijne woorden, zoowel als door zijne daden, vond geen gehoor. Ook toen gold Paulus' woord : „Maar de natuurlijke, mensch begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn, want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat Zij geestelijk onderscheiden worden". En toch ging Noach's roep der bekeering tot hen uit, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn. En Noach heeft dit alles geweten. Het was hem geene vreemde zaak, dat de wereld hem zulk eene ontvangst bereidde. Toch werd hij niet moedeloos, toch liet hij zich niet afschrikken. Hij ging door, ondanks allen tegenstand, want in hem werkte een geloof, dat als het ware, levende geloof, wezenlijk geloofsgehoorzaamheid was. In die materialistische wereld dacht niemand aan den ondergang, niemand geloofde er aan, evenmin als zij er nu , aan gelooft. Zij spotte met Gods sprake, dat de dag des oordeels nabij was. Zoo werd Noach voor die wereld een prediker der gerechtigheid Gods, waardoor hij voor alle toekomende eeuwen een voorbeeld werd, dat aan Gods volk tot leering strekken kan. Hij is voor dat volk als een baken in zee, want evenals Noach geene waardeering ondervond, zoo wordt ook nu nog Gods volk met een schamperen blik voorbijgegaan. En zooals Noach, hoezeer ook van nature niet beter dan die wereld, was hij toch, dank zij de wederbarende daad Gods, een andere dan die wereld. En de uitkomst bewees, dat het Woord van God, dat hij bracht, de waarheid was en dat daarom die wereld haar vonnis niet ontloopen kon. Maar wij 'kunnen er zeker van zijn, dat onder den levensgang, die hem stempelt tot een prediker der gerechtigheid, Noach's levensweg vaak gegaan was door de diepte. De weg der geloofsgehoorzaamheid gaat in tegen vleesch en bloed, ligt dikwijls zoo geheel anders dan wij menschen begeeren. En daarop wordt ook wel de vorst der duisternis ontmoet. Zegt niet de Heere Jezus : „de Satan heeft zeer begeerd u te ziften als de tarwe" ? Gods kinderen worden vaak in ontroerende zielsworstelingen geworpen, wanneer de wereld tegen hen opkomt met het heirleger van krachten, waarover Hij beschikt. En ongetwijfeld heeft ook Noach daarvan ervaren, al bleef de grondtoon in zijn leven de zekerheid en de vastheid des geloofs. Ook als Gods kind, in gehoorzaamheid des geloofs staan kan het hem bange worden. Denk slechts aan den man, die uitriep : „ik geloof, Heere, kom mijne ongeloovigheid te hulp". En daarom, als Noach op Gods bevel die ark bouwt, tegen de gansche wereld in, als hij er in gaat met de zijnen en met alle gedierte, dat den vloed zou overleven, en als hij met dat alles in het brooze vaartuig dobberde op de wateren, her en derwaarts gedreven, werd door stormen en getij, terwijl maand na maand voorbijging, alsof er nimmer een einde kwam aan het leed en het scheen alsof de Heere zijner niet gedacht, dan moet het ook hem soms bang te moede zijn geworden. Alles scheen soms in te gaan tegen zijn geloof. En zie, nu was daar het oogenblik, waarnaar hij smachtend uitgezien had, waarom hij gesmeekt had, eindelijk gekomen. Hij had zich vergewist door de vogels, zag hoe de aarde opdroogde, de landouwen zich ontvouwden voor zijne oogen. En de Heere Zélve beval zijnen uitgang met al wat in de ark eene toevlucht had ontvangen. De Heere, die hem had ingeleid, leidde hem uit. En zoo verschijnt hij tot op dit laatste oogenblik als het ware kind van God, dat door den Geest des Heeren wordt geleid en uit het geloof leeft.
Zoo lag daar voor Noach's oogen de nieuwe aarde. De wateren waren afgevloeid, de landen opgedroogd en schoone vergezichten ontsloten zich en daarmede eene nieuwe toekomst van geheel andere orde dan de oude wereld, waarin hij voorheen had geleefd. Diep was Noach doordrongen van het wonder der genade Gods, aan hem en de zijnen geschied. Van allen, die hij voorheen had gekend, tot wie zijn waarschuwend woord was uitgegaan, was niemand overgebleven. En van alle grootsche cuitureele werken, waarop ook die oude wereld prat ging, waarin zij zich verlustigde en die zij afgodisch vereerde, was evenmin iets gebleven. Niemand had den vloed overleefd, geene menschelijke glorie was staande gebleven. En zoo moest wel deze uitgang een diepen indruk maken op Noach en moest hij dus wel, zooals eeuwen later de profeet Zacharia schreef van Josua den Hoogepriester en zijne vrienden, zichzelven tot een wonderteeken zijn. Dat kan immers nog met Gods kind gebeuren, als hij zijn levensweg overziet en op de daden des Heeren merkt en op de leidingen Gods, dat hij in zijne eigene oogen een wonder Gods wordt. Zoo was het immers ook met Hiskia, toen hij uit eene doodelijke krankheid gered werd en hij, om zoo te zeggen, het graf geopend zag voor zijn voet en de Heere gereed was om hem te verlossen. Dan roept hij uit: „de levende de levende, die zal U loven". Hij stond voor het wonder, dat de Heere aan hem gedaan had. En zoo is het nu nog dikwijls met Gods kinderen gesteld, wanneer hunne oogen opengaan voor de leidingen en uitreddingen Gods. Ja, de Heere doet nog wonderen en wij hebben nog een God, die wonderen doet. De wonderen behooren niet alleen thuis in de Schrift. Zij geschieden nog in het leven van Gods volk. De wereld is er blind voor, leeft als de mollen leven, wroetend in de aarde, waar het zonlicht niet doordringt. Maar Gods kinderen zijn kinderen des lichts. Daarom wandelen zij in het licht en zien zij de wonderwerken Gods zelfs in de diepte. Maar als zij die aanschouwen, dan staan zij ook tegelijkertijd als in Gods tempel en aanschouwen zij de lieflijkheid des Heeren. En dan ontspringt uit hunne ziel ook de jubel des lofs. Denk slechts aan den dichter van den 116en Psalm, als hij getuigd heeft: „Want Gij, Heere ! hebt mijne ziel gered van den dood, mijne oogen van tranen, mijnen voet van aanstoot", dan laat hij er op volgen : „Wat zal ik den Heere vergelden voor al Zijne weldaden, aan mij bewezen? " Dan getuigt hij ook van het vaste besluit, dat hij den beker der verlossingen zal opnemen, dat hij den Naam des Heeren zal aanroepen, zijne geloften zal betalen en den Heere eene offerande der dankzegging zal offeren en Zijnen Naam aanroepen.
Zoo was het nu ook met Noach, toen hij daar voor het eerst stond in eene andere wereld, voor toet eerst eigenlijk een diepen indruk verkregen had van de geweldige omkeering, die er idoor den vloed was veroorzaakt en van het groote wonder, dat hij alleen met de zijnen op zoo bijzondere, genadevolle wijze was gered. Toen werd het hem eerst klaar en duidelijk, hoe hij op ondoorgrondelijke wijze was uitgeleid uit die oude wereld en was uitgered uit het oordeel. Hij doorleefde de uitverkiezende daad Gods, die aan hem was voltrokken in het nieuwe licht, dat in deze wonderlijke redding er over opging. En nu zien wij ook, hoe in Noach's ziel eene dankbaarheid geboren wordt, die zich terstond openbaart in de daad. Voordat hij nog iets doet, voordat er nog sprake is van het begin der taak, die hem wacht, wordt hij ons in de Schrift reeds voorgesteld als bezig om aan zijne dankbaarheid uiting te geven. Daarom staat er geschreven : „En Noach bouwde den Heere een altaar". Dat was het eerste, zoodra hij den voet op de droog geworden aarde gezet had. Er staat niet bij, dat hij gegeten heeft of gedronken, maar de Schrift legt in de wijze, waarop zij het ons vertelt, er nadruk op, dat de bouw van dit altaar het eerste was, dat hij ter hand nam. Terstond na zijnen uitgang bouwde hij het altaar.
Daar wordt het ons dus duidelijk, hoe de zorg van Noach allereerst uitgaat naar den dienst zijns Gods. Hij bouwt geen huis, maar een altaar. En daarmede wordt ons nu in het Woord Gods de diepe tegenstelling onthuld tusschen het leven in de vreeze Gods en het karakter dezer moderne wereld. De moderne mensch vraagt niet het eerst naar God en Zijn dienst, doch alleen naar wat zij meent dat welvaart en voorspoed is. Doch het blijkt ook tevens, dat zij daarmede geheel verkeerd uitkomt. Zij wordt met zichzelve beschaamd. En dit is de verstoktheid harer zonde, dat zij ondanks alle en telkens herhaalde teleurstellingen, toch maar weer aan zichzelve blijft vasthouden. Voor den dienst Gods voelt zij niet. Nog wel voor godsdienstigheid, voor religieus gevoel, precies als voor elk ander gevoel. Zij heeft nog wel zin voor de wiegeling op de wateren van het mystisch gevoelsleven, maar de kennis Gods bleef haar vreemd. Daarom zien we dan ook, dat de dienst des Heeren steeds meer wordt teruggedrongen en dat de Heere Zelve niet m'Cer wordt gedacht. Er is niets, waarvan de moderne menschheid minder meent te weten dan van God. En daarom, als de nood komt, als de oordeelen des Heeren gezonden worden, dan komt zij niet tot God om uitredding, maar dan zoekt zij op hare wijze en in hare wegen. Dan zegt zij : „Werkt en bidt", want als gij niet eerst gewerkt hebt, is er geen grond om redding te verwachten. En zoo gaat de moderne menschheid zelfs nog met vrome woorden aan den Heere voorbij. In stede van tot God te komen en zich voor Hem te verootmoedigen, grijpt zij naar den staf van eigen kracht, waaraan de Heere de helpende hand moet bieden. Gods Woord leert het precies andersom. De Heere zegt: „Kom tot Mij, beproef Mij nu hierin of Ik machtig ben te verlossen". En als Hij verlost, dan geeft Hij alles, ook het werk, dat noodig is. Zoo was Noach's geloofsgehoorzaamheid betoond. En 'daarom, als hij gered uit de wateren des doods, de aarde betreedt, dan bouwt hij een altaar den Heere, zijnen God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's