De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Het verbond der verlossing

11 minuten leestijd

Van de Hervorming af heeft de Kerk oog en oor gehad voor die woorden der Schrift, die men als de grondlijnen mag aanmerken, waarop later de leer van het verbond der verlossing gebouwd is.
Men vindt deze woorden, waarin als van een gesprek en overleg tusschen de onderscheidene personen van het goddelijk wezen sprake is, zoowel in het Oude-als Nieuwe Testament.
In het Oude Testament denke men D.V. aan de verschillende beloften, die aan den Messias gedaan worden, waarvan men er vele bij Jesaja vindt en niet minder in de Psalmen voorkomen. In Psalm 110 zelfs meer .dan eene. De Heere heeft tot mijnen Heere gezegd : Zit aan mij.n rechterhand, totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten. Daarna weer : De Heere zal den scepter uwer sterkte zenden uit Sion, zeggende : Heerscht in het midden uwer vijanden. Vervolgens nog weer : De Heere heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen : Gij zijt priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.
Aan de andere zijde wordt ook meermalen de Messias sprekende ingevoerd. Zeer bekend is b.v. Zijn bereidverklaring tot het werk der verlossing, zooals wij die in Psalm 40 vinden. Toen zeide ik : Zie, Ik kom, in de rol des boeks is van mij 'geschreven. Ik heb lust, o mijn God, om uw welbehagen te doen en uwe wet is in het midden mijns ingewands.
Uit den aard der zaak zijn dit gesprekken tusschen God den Vader en den Zoon. Uit den aard der zaak, wijl wij in het Oude Testament wel enkele sporen van de leer der drieëenheid vinden, maar niet meer dan enkele sporen, wier beteekenis alleen verstaan kan worden in het licht van de openbaring van het Nieuwe Testament. Misschien, dat ook dit feit heeft medegewerkt, dat de theologen van de 18de eeuw den Heiligen Geest uit het onderling overleg tusschen Vader en Zoon hebben uitgesloten. Indien dat zoo is, is het mede een bewijs van den zeer sterken teruggang van de theologie dier dagen. In het Nieuwe Testament treden de verschillende personen van het goddelijk wezen in hun onderscheiden werking vanzelfsprekend veel meer op den voorgond en daarmede houdt verband, dat de woorden, waarin van een gesprek of overleg tusschen de personen sprake is, veel grooter in getal zijn.
Allereerst komen hier in aanmerking de gebeden van Christus, die Hij heeft opgezonden, voorzoover zij ons medegedeeld zijn door de evangelisten. Van de grootste beteekenis is hier wel het Hoogepriesterlijk gebed, waarin Christus gewag maakt van .de taak. Hem door den Vader opgedragen en thans door Hem volbracht. Zijn wenschen legt Hij In den zin van een eisch voor des Vaders aangezicht; Vader, Ik wil; deze vorm van bidden veronderstelt, dat, wat Hij vraagt. Hem van den Vader beloofd is geworden, zoodat Zijn begeerte in zekeren zin een rechtmatige eisch is.
Daarnaast staan enkele uitspraken des Vaders tot den Zoon. Bekend is de stem des Vaders, die van den hemel Monk, toen Chrlstus door zich te laten doopen zich één had verklaard met het zondige volk : Deze is mijn geliefde Zoon, in denwelken Ik mijn welbehagen heb.
Het Nieuwe Testament echter laat ons duidelijk zien, dat niet alleen de Vader aan den Zoon een opdracht geeft, n.l. zich een volk te verlossen tot een eeuwig eigendom, en niet alleen de Zoon zich bereid verklaart dit werk te volbrengen en het daadwerkelijk volbrengt, maar dat de Heilige Geest ook een aandeel in dit werk heeft, zoodat alleen door de medewerking des Heiligen Geestes dit werk volvoerd kan worden. Wij zien dit reeds bij den doop van Jezus, als de Heilige Geest in de gedaante van een duif op Jezus neerdaalt en Hem nieuwe gaven en krachten beschikt voor den strijd, dien Hij tegemoet gaat.
Onze belijdenis gaat zelfs verder en zegt, dat de Zoon van God de menschelijke natuur heeft aangenomen door de werking des Heiligen Geestes, zoodat van den aanvang af de Heilige Geest medewerkende was in het groote werk der verlossing naar het woord, door den engel tot Maria gesproken : De Heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen. Gelijk de Zoon van zich zelf niet sprak, maar slechts wat Hij van zijn Vader gehoord had en van zich zelf niets kon doen, maar slechts deed, wat Hem van den Vader was opgedragen, zoo heeft de Zoon ook niets van zich zelf kunnen spreken, noch iets van zich zelf kunnen doen zonder de leiding en de ondersteuning des Heiligen Geestes. Maar deze was Hem gegeven zonder mate, opdat Hij alles in volkomenheid zou kunnen volbrengen. Het werk der verlossing is, hoezeer ieder der onderscheidene goddelijke personen daarin een eigen plaats inneemt, nochtans in alles en ten volle het werk van een eenig en drieëenig God,
Juist uit dit grondbeginsel van een Schriftuurlijke theologie volgt onwedersprekelijk, dat, als men van een onderhandeling tusschen de drie personen in het goddelijk wezen wil spreken, van een verbond, waartoe zij zich verbinden ter verlossing van een zondig volk en in welk verbond ieder zijn eigen plaats heeft en zijn eigen taak op zich neemt, men dit verbond, dat teruggaat in de eeuwigheid, nooit als een verbond tusschen Vader en Zoon mag vatten, maar immer als een verbond tusschen de drie personen onderling. Dat men dit niet heeft gedaan, heeft heel de theologie van de 18de eeuw van 't rechte spoor doen dwalen en doet nu nog de theologie van de Geref. Gemeenten, die op de theologie van de 18de eeuw rust, op wankelen bodem staan.
Het is toch onwedersprekelijk, dat uit de ééne dwaling de andere voortkomt. Een verkeerde opvatting van het verbond der verlossing leidde ook tot een gansch verkeerde beschouwing inzake het verbond der genade. De grens tusschen God en mensch, eeuwigheid en tijd, wordt door deze dwalingen weggenomen. Hoezeer men nog moeite doet om bij dergelijke beschouwingen de prediking van het evangelie, de roeping tot geloof en de verantwoordelijkheid van den mensch te handhaven, het is een vergeefsche moeite, gelijk de praktijk van het leven uitwijst. Waar men bij ons door deze zelfde dwalingen bevangen is, begeert men de predikers van de Geref. Gemeenten, want zij prediken van wat God doet in de zaliging van den mensch en zij prediken zoó daarvan, dat men midden in een zondig leven rustig daaronder kan neerzitten, want een mensch bekeert zich zelf niet; rustig zit men neer onder de prediking van oordeel en verdoemenis, want deze prediking raakt de conscientie niet; de roeping en verbinding tot geloof en bekeering wordt niet meer verstaan en gevoeld, wijl men het verbond der genade te niet heeft gedaan en' het heeft opgesmolten in het verbond der verlossing, dat enkel van Godswerk spreekt en in welk verbond de mensch alleen voorkomt als een voorwerp van Gods welbehagen, maar niet als een verantwoordelijk schepsel, dat wordt opgeroepen tot geloof en bekeering.
Wanneer men het verbond der verlossing immer gezien had als een verbond van de drie personen in het goddelijk wezen onderling, waarin de Vader van zijn eeuwige liefde tot den mensch sprak en zijn Zoon riep om een in zonde gevallen en verloren volk zich ten eigendom te verlossen, waarin de Zoon op zich nam mensch te worden en alles te lijden en te doen, wat er noodig was om dit volk van de verdoemenis te redden, waarin ook de Heilige Geest zich verbond om den Zoon in al zijn werk te ondersteunen en dit zondige volk in een geweldige worsteling uit de macht der zonde te bevrijden en tot Christus toe te brengen, zou men er niet spoedig toe gekomen zijn om dit verbond, waarin de mensch enkel als voorwerp voorkomt, als voorwerp van verlossing, maar niet als bondeling, als deelgenoot van het verbond, te vereenzelvigen met het verbond der genade, dat juist spreekt van een verbond van God met den mensch, van den drieeenigen God eenerzijds en den gevallen mensch anderzijds.
Den nadruk leg ik hier nog even op dat gevallen. Het verbond der genade is een verbond Gods met den zondaar, met den gevallen mensch, want genade spreekt van de gunste Gods, bewezen aan een zondaar. Het is een van de eerste waarheden in de Schrift. Daarom had deze waarheid de theologen van de 18de eeuw en ook de leden van de Synode der Geref. Kerken moeten waarschuwen, dat zij bezig waren te verdwalen, toen het in hun systeem noodig werd te spreken van een verbond der genade met Christus als den tweeden Adam opgericht. Want hoe kan er nu een verbond der genade worden opgericht met een, die zonder zonde is ?
Natuurlijk is dat mij ook bekend, dat Christus in de Schrift voorkomt als het Hoofd van zijn volk, als de tweede Adam, in wien al de zijnen begrepen zijn, zoodat al wat Hij doet, hen wordt toegerekend. Het is vooral in het laatste deel van Romeinen 5, dat deze waarheid wordt uitgewerkt en het valt niet te ontkennen, dat dit een waarheid is, waarin voor Gods Kerk een volheid van troost besloten ligt.
Wij mogen echter niet vergeten, dat deze figuur, of wil men dit beeld, geen plaats heeft in het verbond, der genade, maar alleen zijn plaats vindt in het verbond der verlossing. Wie deze figuur in het verbond der genade zet, verwringt heel de beteekenis van dit verbond.
In het verbond der verlossing wordt aan Christus den Zoon een volk ten eigendom gegeven van den Vader ; daar neemt Hij op zich ten behoeve van de verlossing van dit volk de menschelijke natuur aan te nemen en hun tot een Hoofd te worden, opdat Hij als hun plaatsvervanger en vertegenwoordiger de straf hunner zonden drage en de gerechtigheid hun verwerve. Als Christus van ons gezien wordt als dragende het oordeel in onze plaats, als stervende en opstaande en ten hemel varende als het Hoofd der nieuwe menschheid, dan zien wij Hem in de uitvoering van wat Hij in het verbond der verlossing op zich nam. Niettegenstaande zijn menschheid is Hij de Zoon van God, dezelfde, die eens In de eeuwigheid zich bereid verklaarde des Vaders opdracht te volbrengen en die in den tijd aan het einde van zijn aardsche loopbaan mag zeggen tot den Vader: van degenen, die Gij Mij hebt gegeven, heb Ik niemand verloren.
Het zal een ieder duidelijk zijn, dat het verbond der verlossing ons laat inblikken in den eeuwigen vredesraad, ons het werk der verlossing ontsluit in zijn wondere diepte en weergaloozen rijkdom als een werk van een eenig en drieëenig God, maar wanneer ons niets anders in de Schrift wat geopenbaard, wanneer naast dit verbond der verlossing niet een verbond der genade stond, uit het eerste voortgekomen en ten nauwste daarmede samenhangend, zoo zou het evangelie voor een verloren zondaar geen troost bevatten, want het verbond der verlossing als zoodanig geeft hem geen toegang tot 't heil Gods.
Alleen dan kan dit verbond hem tot rijken troost worden, wanneer hy zich zelf mag kennen als ingesloten in dat volk, dat van den Vader aan den Zoon werd gegeven, dat volk, waarvan Christus het Hoofd is, maar het verbond der verlossing ontsluit niet den weg, hoe een verloren zondaar dien Christus deelachtig wordt. Op de vraag van een verlegen mensch, hoe de rechtvaardige straf te ontgaan en wederom tot genade te komen, heeft het verbond der verlossing geen antwoord.; dat kan alleen het verbond der genade ons leeren.
Vandaar, dat in de kringen, waar men het verbond der genade in het verbond der verlossing heeft opgesmolten, men op deze vraag geen antwoord heeft te geven dan : mocht de Heere het je nog eens komen te openbaren, dat je ook in dien Christus van eeuwigheid besloten bent. Niet het geschreven Woord, niet het gepredikte evangelie, maar een bizondere openbaring is vereischt om zich in Christus .begrepen te zien en als zoodanig zich de bron des heils ontsloten te zien.
In het verbond der genade, dat ongetwijfeld zonder het verbond der verlossing niet gedacht kan worden, keert een drieëenig God zich tot den zondaar en verklaart met Mare woorden hem tot een God te willen zijn, vergevende al zijn zonden in Christus Jezus en hem aannemende tot zijn kind.
Hier hebben wij niet te doen met een verbond van de drie personen van het goddelijk wezen onderling, maar met een verbond van den drieeenigen God met den zondaar. Daarom heet het terecht een verband der genade. Christus verschijnt ons in dit verbond niet als het Hoofd zijns volks, maar als de Middelaar Goos en der menschen. Het is in Hem, dat God zich tot den zondaar neerbuigt; het is door Hem, dat de zondaar een toegang ontvangt tot God. Door de belofte des verbonds, die onvoorwaardelijk is, ontsluit God ons al zijn heil in Christus Jezus; door het geloof alleen wordt deze belofte aangenomen, dit heil ontvangen.
O. a/d IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's