VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVENN WOORD
Genesis 8 : 20. En Noach bouwde den Heere een altaar. En hij nam van al het reine vee en van al het rein gevogelte en offerde brandofferen op dat altaar.
5e Serie.
XX.
Het licht van den morgen wordt door de gansche schepping met blijdschap begroet. Daarom zong de Psalmist: „Gij beschikt de duisternis en het wordt nacht, in den welken al het gedierte des wouds uittreedt. De jonge leeuwen brieschende om eenen roof en om hunne spijze van God te zoeken. De zon opgaande, maken zij zich weg en liggen neder in hunne holen. De mensch gaat dan uit tot zijn werk en naar zijnen arbeid tot den avond toe". Zoo zag hij onder de verlichting van Gods Heiligen Geest den opkomenden dag en als ontroerd door de schoonheid van den morgen, buigt hij zich in aanbidding neder en roept uit: „Hoe groot zijn Uwe werken, o Heere ! Gij hebt ze allen met wijsheid gemaakt. Het aardrijk is vol van Uwe goedertierenheid". Ja, de lofzang gaat op, als de zwachtel van den nacht wordt afgerold en de zon opgaat „vroolijk als een held om het pad te loopen". Zoo is het in de natuur, maar zoo is het geestelijk, als na den druk der nooden de ziel van Gods kind het licht begroeten mag, waarin hij het al ziet baden in de glansen van den eeuwigen Raad des vredes, waaruit de liefde en de levenswarmte, de blijdschap en de levensmoed, de vertroosting des heils, die in Christus is, toevloeit. En daarom is er dan de lofzang der dankbaarheid, is er ook de bouw van het altaar, waarop hij het offer zijns levens zal brengen.
Zoo was het nu ook met Noach. Terstond nadat hij den voet weder gezet had op de aarde, bouwde hij niet, zooals wij zouden verwachten, een huis, opdat hij wonen en veilig leven zou, maar een altaar dien God, van Wien hij op zoo treffende wijze had ervaren, dat in Zijne hand zijn adem en bij Hem alle zijne paden waren. Zijn hart was ontroerd, toen het hem nu klaar was geworden, uit welken grooten nood en dood hij was gered, dank zij de wondere verkiezende, reddende genade Gods. En zoo bouwde hij dien God een altaar, gedrongen door de macht zijner liefde, die bij Noach de waarachtige dankbaarheid opriep. Zijn Redder en zijn God was de eerste aan Wien hij dacht, omdat hij zoo diep gevoelde, dat in Zijne hand alleen zijn leven en het leven der zijnen was. Het was hem niet genoeg, zich te uiten in woorden, niet genoeg een jubelzang aan te heffen, doch zijne dankbaarheid moest spreken in de daad, ia de openbare daad, die hij voltrok met de zijnen ten aanschouwe van den hemel, ten aanschouwe van de droog geworden aarde, die zooeven nog het tooneel was geweest van de oordeelen Gods. Hij bouwde dus het altaar, en zoo wordt heit ons duidelijk, dat er in den dienst des Heeren niet alleen plaats is voor een innerlijk doorleven, maar dat zich hetgeen innerlijk wordt doorleefd, omzet in den eeredienst, in den cultus, in de voor aller oog voltrokken daad. Doch daaruit blijkt ook, dat wat men dan cultus noemt, een wortel in het geestelijk leven moet hebben. Vooral in onzen tijd mag daarop wel de aandacht worden gevestigd, nu er bij de ontgeestelijking ook van ons kerkelijk leven, een roep is om wat men „liturgie" noemt. Dat er liturgie is, hangt wezenlijk saam met wat er in het religieuse leven in de ziel zich openbaart. En onder alle volken, onder alle religies, ook onder de Christelijke religie, in hoevele vormen zij ook verschijnt onder de Christenvolken, verschijnt zij met liturgische gebruiken en vormen. Het religieuse leven kan nu eenmaal niet besloten blijven in de verborgenheid van het zieleleven, het moet zich openbaren, want het spiegelt zich af in het uitwendige, op des menschen aan gezicht en in zijne gebaren en handelingen. Het woord beteekent dan ook eigenlijk „hetgeen in het openbaar wordt gedaan". En in de eerste plaats is dit de spontane uitdrukking van het geestelijk doorleefde. En daarna wordt dit aan regel en orde in de gemeenschap onderworpen. En daarmede ontstaan dan ook het groote gevaar van een vormendienst, die niet meer wordt beleefd, doch uit traditie en gewoonte nagevolgd van geslacht tot geslacht, zoodat nauwelijks de beteekenis der liturgische handelingen meer wordt verstaan. Dan ligt er een dikwijls groote afstand tusschen hetgeen de ziel doorleeft en het oog ziet. Dan wordt het gevaar groot, dat een vormendienst treedt in de plaats: van het waarachtig geestelijke. Dan is zulk een liturgie rijp om de menschen tevreden te stellen met wat men noemt het „Opus operatum", d.w. z. dat het bijwonen dezer plechtigheden op zichzelf genoeg is, ook als innerlijke beleving op den achtergrond breedt. En nu is het gebleken in de geschiedenis, dat als de Reformatie opkomt en de Westersche volken in breede bewegingen toonen niet meer genoeg te hebben aan doode, verstorven vormen, plechtigheden en ceremoniën, er tegen dit in de Roomsche Kerk heerschende vormelijke leven, dat den mensch in zijne zonde rustig leeft, zonder over hem het eeuwige licht van Gods heilig liefde-Wezen te laten opgaan, eene geweldige reactie geboren werd. In de Gereformeerde Kerk-formaties eindigde dit met de afwerping van dit liturgisch juk, want men vroeg weer naar de innerlijke beleving des Woords.
En nu sluit dit niet uit, dat ook onder Gereformeerden het openbare godsdienstig leven vormen aannam, waarmede uit den aard der zaak ook het gevaar verbonden was van eene versteening. Maar daarom treedt dan ook de Kerk zelve tegen die gevaren op, zoodat de dienst des Woords het centrale, albeheerschende moment wordt in den eeredienst. Bij al wat liturgische vormen en regel betreft, werd de grootste soberheld betracht en steeds wordt voorgehouden, dat deze dingen niet uit gewoonte, noch uilt bijgeloovigheid geschieden zullen. Altijd weer 'dreigt het gevaar, dat er een kloof gapen gaat tusschen het leven en de vormen, zooals er ook anderzijds het gevaar dreigt, dat het leven, in een wild subjectivisme verloopen, alle vormen verwerpt en daarmede het sociale element, het wezenlijk kerkelijke, het in Gods huis verkeeren onder de regels, die daar heerschen, te loor gaat. En zoo is er dan ook in de laatste vijftig jaren eene liturgische beweging opgekomen in Protestantsche landen, die er naar streefde de vormen in den eeredienst weer meer op den voorgrond te brengen. En wanneer eenmaal zulk een streven in het buitenland is opgekomen, dan ligt het voor de hand, dat het vooral ook in Nederland gretig navolging vindt. De verklaring van zulke bewegingen ligt in de geestelijke verarming van het kerkelijk leven. Die prediking des Woords had in breede kringen opgehouden wezenlijke toediening des Woords te zijn. En wanneer de Gereformeerde kerkendienst een zuivere predicatie des Woords gaat missen, 'dan wordt ook daaraan bevestigd, dat het bederf van het beste ons het slechtste laat. Juist omdat het Gereformeerde Protestantisme zijn wezen daarin openbaart, dat de zondaar in de onmiddellijkheid van eigen zelfbewustzijn God ontmoet en er tusschen God en de ziel geen creatuurlijke vormen staan, de zondaar voor het aangezicht des Heeren zal verschijnen, daarom is het arm aan liturgische vormen en is zijn eeredienst sober en in strikten eenvoud, wijl aangelegd op de innerlijke verdieping des geestelijken levens. Het leidt den mensch niet naar buiten, van zichzelven af, zooals de moderne wereld doet, maar het dringt hem naar binnen en kan dus eigenlijk alleen bloeien, als er geestelijke diepgang is onder het volk. Doch deze verdwijnt, wanneer de prediking des Woords aan de oppervlakte blij fit, of, wat nog vaker het geval is, ophoudt prediking des Woords te zijn. „Als er geene profetie is, wordt het volk ontbloot, maar welgelukzalig is hij, die de wet bewaart", zegt Salomo. En de waarheid daarvan doet zich gelden in de laatste halve eeuw, onder de groote vlucht van liberalisme en modernisme en de vele afwijkende richtingen, die er zijn opgekomen. Eene vertwijfelende verwarring trad in het kerkelijk leven op den voorgrond en daarmede als eene reactie de behoefte aan vaste vormen. En terwijl de prediking des Woords verarmde, niet meer den honger der zielen stilde, daar openbaarde zich ook een verloop in het kerkelijk leven. De geweldige verscheuring der Kerk ging gepaard met vereenzaming der uit de historie stammende nationale kerken. En zoo was het zeer begrijpelijk, dat er optraden, die aan den eeredienst weer leven trachtten in te blazen door liturgische vormen, die de innerlijke verdorring bedekken moesten. De beste bedoelingen zaten en zitten daarbij vaak voor, maar ook hier geldt, dat het goede doel op zichzelf de daad nog niet stempelt tot eene goede daad. Een waarachtige herleving der Kerk kan niet van buiten af geboren worden. Zij kan alleen opkomen, doordat des Heeren Geest weder over het volk gaat blazen, er weder sprake komt van Zijne wederbarende werking, zoodat er een volk opstaat, dat weer vraagt naar den Heere en Zijne sterkte. En waar dat geschiedt, daar zal het brood, dat uit den hemel nederdaalt, niet worden geboden op zilveren, kunstig gedreven schalen, niet worden rondgediend met deftige gewaden, niet worden uitgereikt met vele grillige gebaren, maar het zal gegeten worden uit Gods eigen hand, die het aan Zijne kinderen toedient door de verborgen werking Zijns Geestes en door de toepassing van Zijn door de Kerk gepredikt Woord.
Doch Noach biedt ons een leerzaam voorbeeld. Als hij de reddende daad Gods heeft ondervonden, als hij de wonderen van de genade aanschouwt, dan vloeit zijne ziel over van dankbaarheid en dan heeft hij maar eene gedachte, die hem voortdrijft. En dat is niet, hoe hij zichzelven een huis zal bouwen, maar hoe hij zijne dankbaarheid zal neerleggen voor Gods aangezicht. Hij doet, zooals eeuwen later de Psalmist zong : „Wat zal ik den Heere vergelden voor al Zijne weldaden, aan mij bewezen ? " En zoo nam hij den beker der verlossingen op en begon den Naam des Heeren aan te roepen. En Noach deed dit door den Heere een altaar te bouwen. Zijn innerlijk doorleven van de genadedaad Gods zette zich om in den bouw van het altaar. Zoo was zijn eerste vraag naar den dienst zijns Gods. En zoo bouwde hij, naar hetgeen hij in de oude, ondergegane wereld reeds gezien had, een altaar en bracht hij van de gaven, die hij van den Heere zelven had ontvangen. Hij nam van al het reine vee en van al het rein gevogelte en offerde brandofferen op dat altaar. De Heere had in Zijne wondere redding Noach en de zijnen niet alleen bewaard, maar bij zijne redding van meetaf Zich ten doel gesteld ook de redding der reine dieren, in zulk een getale, dat Noach een heilig offer brengen kon, dat den Heere welbehagelijk was.
En zoo wordt ons hier voor oogen gesteld de al-vervullende genade Gods. Noach had die dieren niet gered, Noach had' ze niet bewaard. Het was alles des Heeren eigen werk. En dus ook de gaven, die hij op het altaar offerde, waren eene teruggave van hetgeen de Heere eerst zelve geschonken had. Zoo verschijnt hier Noach's danktbaarheidsoffer als een vrucht der genade, heel anders dan de vleeschelijke vrome mensch het zich voorstelt, alsof hij van zijn eigen gaven neemt om den Heere te brengen. De valsche heiligmaking stelt zich voor als opgekomen uit den mensch, uit zijn goeden wil en uit zijn zedelijk streven. Maar hier verschijnt zij in Noach's dankbare herinnering van de goedertierenheid Gods, als gebracht uit hetgeen de Heere Zelve hem bereid heeft. Zooals latere eeuwen Hosea het ook aan Israël op de lippen legt, wanneer heit om zijne ongerechtigheid gevallen, tot bekeering opgeroepen wordt. Dan zegt Hosea tot het volk : „Neem deze woorden met u en bekeer u tot den Heere en zeg tot Hem : Neem weg alle ongerechtigheid en geef het goede, zoo zullen wij betalen de varren onzer lippen". Ja, dat is het schoone en heerlijke, dat wij een God hebben, die alles in de Zijnen vervult. Zelfs als Hij ons oproept tot het offer der dankbaarheid, dan vult Hij den zijnen eerst nog de hand, opdat zij niet zullen komen met niets, noch ook met gaven, die Hem niet welbehagelijk zijn. Zooals ook de Kerkvader Augustinus zeide : Heere, geef wat Gij beveelt en beveel dan wat Gij wilt. En zoo verscheen hier Noach, nadat hij het altaar gebouwd had, met een brandoffer, genomen van al het reine vee en van al het rein gevogelte, en hij bracht het voor des Heeren aangezicht. Zoo bracht Noach een brandoffer, dus een offer, dat geheel verteerd werd, dat geheel in het vuur den Heere gegeven werd. Zoo ontving de Heere van Zijn gered kind de eer Zijns Naams en zoo staat deze dankbare Noach voor het oog aller eeuwen met een exempel der ware dankbaarheid, die. den Heere de gaven brengt, eerst uit Zijn eigen hand. ontvangen. Zoo staat hij er als een voorbeeld van verootmoediging, als een man, die zichzelven en al het zijne den Heere zijnen God geeft, nadat hij alles, zijne eigene redding, maar ook zelfs de offergave, die hij Hem brengt, uit Gods eigen hand eerst had ontvangen, opdat ook wij zouden leeren leven uit helt geloof en door het geloof in Christus onszelven als een levend' offerande der dankbaarheid weder brengen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's