KERKELIJKE RONDSCHOUW
PAASCHCOLLECTE
Zooals nu reeds verscheidene jaren, doen wij ook thans weer een beroep op de Kerkeraden, die onzen Gereformeerden Bond welgezind zijn, voor een extra collecte met Paschen in de kerk, ten behoeve van het Studiefonds.
En in de plaatsen, waar onze vrienden de gelegenheid missen om in de kerk hun offer in de Paaschcollecte te brengen, zal, naar we van harte hopen, per circulaire weer een Inzameling worden gehouden.
Een model voor de algemeene circulaire, die men overal kan gebruiken, is ter drukkerij van De Waarheidsvriend te Maassluis, Postbus 18. Men zende slechts, met opgaaf van het getal, een plaatselijke aanbeveling met plaatselijke onderteekening. Dan ontvangt men gratis het verlangde aantal circulaires, in enveloppen gestoken, gereed om zoo af te geven.
De bestellingen van Rotterdam en Utrecht kwamen reeds binnen, Dat nu Amsterdam, Den Haag, Hilversum, Feijenoord, Delfshaven, Alphen, Amersfoort, Leiden, Charlois, Zwolle, Groningen enz., spoedig hun bestellingen mogen laten volgen, liefst vóór 4 April, om zooveel mogelijk alles achter elkaar te kunnen afwerken ter drukkerij ; dat spaart kosten.
De bedoeling is, dat men persoonlijk de circulaires aan de bekende adressen thuis bezorgt en b.v. een week later weer persoonlijk het antwoord haalt. De opbrengst moge dan weer onder 's Heeren gunst tot een verrassend bedrag leiden, waarnaar de Penningmeester reeds met verlangen uitziet.
KOHLBRUGGE, zijn levensgeschiedenis
XV.
Leerrede over Romeinen 7 vers 14 : „Want wij weten, dat de Wet geestelijk is ; maar ik ben vleeschelijk, verkocht onder de zonde".
Over deze predikatie is heel wat te doen geweest. Kohlbrugge heeft er heel wat over moeten hooren, rakende „de leer der heiligmaking". En daarom gaan we nu van de preek zelve een en ander meedeelen.
Wij moeten — aldus Kohlbrugge — één van tweeën : wij moeten of door verdienste zalig worden of door genade leven. We moeten of door de geheele Wet gerechtvaardigd worden voor God, of geheel door Christus. We moeten het geheel met onze vroomheid en goede werken, of geheel met Christus houden. Onder wien wij staan, diens eigendom zijn wij geheel: of van de Wet of van Christus.
Houdt een echtgenoote het met een anderen man, terwijl haar eigen man leeft, dan is zij een overspeelster ; is haar man gestorven, dan is zij het niet, als zij een tweeden man trouwt. Zóó zijn wij ook overspelers, als wij meenen, dat wij eensdeels door onze vroomheid, en in een ander opzicht door Christus zouden kunnen leven.
Wij moeten leeren en het daarvoor houden, dat wij niets meer met de Wet hebben uit te staan, nadat wij van Christus geworden zijn. Die, opgewekt van de dooden, ons in het eeuwige leven heeft gebracht en ons voor altoos van de Wet vrijgemaakt en verlost heeft.
Wij moeten het er dan voor houden, dat de Wet ons „een lijk is, hetwelk wij rechtmatig begraven hebben ; en dat wij der Wet ook een lijk geworden zijn, aangezien zij ons ten dood geworden is", nu wij in Christus Jezus geborgen mogen zijn.
[Over die uitdrukking, dat de Wet ons een lijk is enz., is heel wat te doen geweest. Deze typische voorstelling is dikwijls misverstaan].
Onze eerste man (de Wet) — zoo gaat Kohlbrugge in zijn predikatie voort — was wel goed, maar wij konden niet lang bij hem huishouden. Want nauwelijks leerden wij hem goed kennen, of hij verbood ons alles, 't Was maar : gij zult dat niet en gij zult dat niet, ons daarbij vloek en dood aankondigend, voor zooveel wij (natuurlijk) niet eene volkomene gehoorzaamheid daarstelden. En de zonde, dit straffen der Wet niet duidend, werd met den dag slimmer en allerlei begeerte woelde en werkte in ons. En de Wet, waarbij men alleen kan leven als men dood is, vervloekte en verdoemde telkens weer en telkens meer. Daarop begon ook de zonde meer en meer te razen in ons en gebruikte onzen eersten man, de Wet, (die op zichzelve goed is) tegen als, om ons dood te slaan. Zóó was het geen leven. Daar lagen we, met de Wet getrouwd zijnde, als dood voor de huisdeur van onzen eersten man, de Wet. Maar ziet, toen kwam er een Ander voorbij, Die ons daar vond in onze ongerechtigheden. En Die raakte ons aan. Die nam ons tot Zich, Die eigende ons Zichzelven en Die nam ons mee in Zijn huis, om daarin eeuwig te wonen !
Zóó zijn wij nu der Wet gestorven en zoo zijn wij nu met een anderen Man getrouwd. Die ons, arme zondaren, niets weigert, maar alles geeft; „al het uwe is het Mijne .geworden, n.l. al uwe zonden, en al bet Mijne is het uwe geworden, n.l. Mijne gerechtigheid", zegt Hij dagelijks.
Al wat van den vorigen man (de Wet) was — 't zij dan vroomheid of heiligheid (des vleesches) of wat er ook tot de Wet behoort — kunnen wij thans even zoomin gebruiken als „volwassenen hunne kinderschoenen".
De vorige man (de Wet) is en blijft op zichzelven goed. En hij had alle rechten op ons, gelijk op onze voorouders. Wij zijn aan hem uitgehuwelijkt. Maar noch wij, noch zij, zijn deze eerste voorwaarde nagekomen. De zonde kwam er tusschen ! En nu zegt Paulus in Rom, 7 : „de zonde, opdat zij openbaar zoude worden, hoe zij zonde is, heeft mij door het goede den dood gewerkt". En de zonde werd door het gebod bovenmate zondigende. Daarom laat hij dan volgen de woorden van onzen tekst : „Want wij weten, " Wat weten wij dus ? Dat de Wet geestelijk is, maar ik ben vleeschelijk, verkocht onder de zonde.
Over drie dingen moeten wij het dus hebben : 1. Want wij weten, dat de Wet geestelijk is ; 2. Maar ik ben vleeschelijk ; 3. Verkocht onder de zonde.
I. Want wij weten, dat de Wet geestelijk is. De Wet handhaaft alles, zelfs elke tittel en jota, zooals zij geestelijk wil begrepen en toegepast worden. Zij wil geestelijk oordeelen en werken. Want zij wil maar niet, dat we wat burgerlijke deugden hebben, dat we niet echtbreken, moorden en stelen met de daad; zij eischt maar niet slechts, dat we dit ontloopen en .dat vermijden en weer wat anders nalaten en afleggen („de oude monnik"). Zij vordert niet alleen heiligheid van handen, van voeten, van oogen, ja, zij verbiedt niet alleen de begeerte, maar zij beveelt en voert het opperbevel met een ijzeren staf en eischt alles, daarbij verschrikkelijk dreigend altijd weer.
De Wet wil, dat wij uit eigen vrijen wil en met eigene 'krachten snel en volvaardlg alles zóó volvoeren, dat er niets, noch van buiten, noch van binnen, is aan te merken. Wij moeten alles uit den grond des harten, met lust, voorkomendheid, vriendelijkheid en liefde ten uitvoer brengen. God liefhebbende en onzen naaste liefhebbende. Zij wil, dat wij geheel en ganschelijk heilig en rechtvaardig zullen zijn en zullen leven, van binnen en van buiten, in gezindheid en levenswandel, en naar verstand en wil voor Zijn aangezicht zullen wandelen onberispelijk en zonder tegen-spraak. Wij moeten al het booze van harte schuwen en onzen naaste — al is het ook onze vijand — innig liefhebben, We moeten kuisch, eerlijk en vroom leven, In één woord, de Wet wil, dat wij zóó heilig zijn, als onze eerste ouders vóór den val waren, en zóó volkomen, als onze Vader in de hemelen volkomen is ! (Matth, 5 vers 48).
Zóó past het ons de Wet aan te zien en haar volkomen te houden, tot haar laatsten tittel en jota toe, en dat geheel ons leven door, zonder ophouden, dag en nacht, en wij mogen er niet van afwijken, noch ter rechter-noch ter linkerhand. Wij moeiten op deze wijze met de Wet in-en uitwendig zóó overeenkomen, dat zij niet de minste vlek heeft aan te wijzen.
Zóó geestelijk is. de Wet van den heiligen, rechtvaardigen God, Die een Geest is. Die alles geestelijk wil gedaan hebben en een blijvend werk vordert. En die de Wet niet geestelijk doet en in alles blijft, wat zij geestelijk wil, die ligt onder den geestelijken dood. „Dat weten wij allen, die de Wet kennen, en wij moeten daarin leven, óf — daaraan sterven", zegt de Apostel.
Wij moeten dan ook als ondeugende en gansch verwerpelijke schepselen tegenover de Wet komen staan, om onze hoop alleen op Christus te stellen, nademaal wij onvermijdelijk tot vertwijfeling komen, als wij met de Wet en hare werken omgaat. Gal. 3 vers 10 ; 1 Cor. 16 vers 22. Dewijl de zonde, welke in ons is, daardoor bovenmate zondigende wordt en ons geheel onder den voet loopt. Al onze heiligingsstelsels moeten we over boord werpen ; want wij hebben niets, niets, waarmee we iets beginnen kunnen.
„Zullen wij dan niets doen ? " zoo vraagt men. Maar ach, arme, gij kunt niets doen dan zondigen, verbeeldt u maar niets ! Rom. 7 vers 18, Rom 3 vers 12. Heden kunt gij niets en morgen kunt gij niets.
„Maar wij moeten er toch naar staan, dat wij niet zoo onrein voor God verschijnen. De zonde dient toch gedood te worden "
Heden kunt gij niets en morgen kunt gij niets. Heden niet heilig, en over dertig jaar ook niet heilig ; ja, nog onwaardiger, want wij maken dagelijks onze schuld grooter.
Werp uwe heiligingskrukken weg, verre van u weg ! Gij kunt er den berg Sion nooit mee beklimmen ! Psalm 24. Ruk die lompen af, waarmee gij uwe wonden bedekt houdt en toon u aan Hem, Die heilig en rechtvaardig is, zooals gij zijt.
Aan zichzelf te leeren wanhopen, is zaligheid. Zijn leven te verliezen is het leven behouden. Geef dan Gode recht en veroordeel voor God u zelven ! Dan doet gij, wat God wil, dat gedaan worde !
Vraagt gij dan : moet ik dan niets doen ? dan is het antwoord : dat moet gij doen. Laat al het uwe los en wacht, reikhalzende op Zijne genade, die u aangebracht is in Christus, Zijnen Zoon.
De Schrift zegt toch, dat dien zijn geloof tot gerechtigheid gerekend wordt, die niet werkt, maar in Hem gelooft, Die den goddelooze rechtvaardigt. Rom. 4 vers 5.
Hoort gij dat ? Er staat niet: die in de liefde staan, die zich zelf rechtvaardigen, die heilig en vroom zijn. Neen, neen ! Er staat: die den goddelooze rechtvaardigt, om niet, zonder de werken der Wet. Alles enkel en alleen in Christus voor een goddelooze !
O, bidt, dat de Vader van onzen Heere Jezus Christus u de hand des geloofs geve, en gij zult den schat deelachtig zijn, die voor eeuwig rijk maakt, en de Zon der gerechtigheid zult gij zien doorbreken in uwe harten, en in Hare stralen zult gij u verheugen en vroolijk zingen :
Uw bloed en Uw gerechtigheên, — Die zijn mijn bruidskleed, anders geen. Daarin zal 'k voor Gods troon bestaan. Als aard' en heem'len mij ontgaan.
[Wordt voortgezet.]
CALVIJN EN DESACRAMENTEN (11)
Het Avondmaal
Over de Paapsche Mis zegt Calvijn ten slotte (Boek IV, Hoofdst. XVIII, 9—20) :
Dergelijke misbruiken zijn den ouden vreemd en met geen letter in de Schrift vermeld. En wij besluiten dus, dat zij schandelijk dwalen, die de Mis als een offer gebruiken. Augustinus en anderen weten er niet van. Wel hebben de oude Kerkleeraars het Avondmaal een offerande genoemd, maar zij verklaren meteen, dat zij daaronder niets anders verstaan, dan de gedachtenis aan de éénige offerande, welke onze éénige Priester aan het kruis volbracht heeft. Niets anders dan een „offerande des lofs". 't Is een gedachtenis, beeld, getuigenis van de eenige offerande van Christus. En Augustinus zegt: een bisschop te maken tot Middelaar tusschen God en de menschen, is het werk van den Antichrist.
De offerande van Christus wordt ons in het Avond-maal wel aangewezen, de kruisiging van Christus ons als voor oogen geschilderd — zooals Paulus zegt, Galaten 3 vers 1, maar toch is het Avondmaal geen offerande. In de Mis hebben zij de Joodsche manier van offeren nagevolgd, méér dan Christus verordend heeft, of de aard van het Evangelie meebrengt. Zij hebben zich al te veel gewend naar de schaduwen der Wet. En daarom, laten wij ons zorgvuldig houden aan de eenvoudige instelling van Christus.
Er is duidelijk onderscheid tusschen de Mozaïsche offers en ons Avondmaal. In den Mozaïschen dienst komen werkelijke offeranden voor, schaduwen van de toekomstige offerande Christus. Nu deze offerande volbracht is door den Middelaar des Nieuwen Testaments, Jezus Christus, heeft de Heere ons een tafel toebereid om daarvan te eten, en niet een altaar. De teekenen van het Avondmaal zijn tot gedachtenis, dat de offerande volbracht is en de Heiland zegt: „neemt en eet, neemt en drinkt allen".
Het woord offerande omvat in 't algemeen al wat ganschelijk aan God geofferd wordt. Al zijn er nu verschillende soorten en vormen van offeranden, zij kunnen toch allen onder twee soorten gebracht worden. De offerande geschiedde immers voor de zonde, met een zekere gedaante van genoegdoening en werd dan een zoenoffer genoemd. Of het was een dank-offer, om de dankbaarheid des harten te betuigen. Tot deze laatste soort behoorden de brandoffers, de spijsoffers, de vrijwillige offers, de eerstelingen en de vredeoffers.
Maar het offer der verzoening is nu door Christus alleen voldaan en volbracht, zoodat er geen plaats meer is voor eenig ander offer !
Daarom begaan zij, die een Mis offeren, een onverdragelijke lastering tegen Christus en Zijn offer, omdat zij deze offerande willen herhalen en denken aan een nieuwe vergeving der zonden.
Calvijn herinnert er in dit verband aan (§ 15) - dat Plato in zijn tijd zeer scherp bespotte degenen, die meenden met offers hun boosheden te bedekken, zoodat ze door de goden niet meer gezien zouden worden. Deze menschen sloten als 't ware een verbond met de goden en gaven zich dan gerust aan - de zonden over. Het is — zegt Calvijn — alsof Plato hier zinspeelt op de verzoening door de Mis!
Wat nu de andere soort van offeranden betreft toont Calvijn aan, dat wij geen zoenoffers, maar alleen dankoffers hebben te brengen. En deze dankoffers zijn Gode aangenaam in het zoenoffer van Christus. In dien zin zijn alle christenen een „koninklijk priesterdom" (Mal. 1 vers 11 ; Rom. 12 vers 1; Hebr. 13 vers 16 ; Filipp. 4 vers 18 ; Psalm 141 vers 2 ; 50 vers 23 ; Hosea 14 vers 3 ; Hebr. 13 vers 15 ; 1 Petrus 2 vers 9).
Die offeranden der dankbaarheid en des lofs zijn voor de Kerk zóó noodzakelijk, dat zij niet zonder deze bestaan kan. En zulk een offerande des lofs brengen wij Gode ook toe in het Avondmaal. Calvijn zegt, dat hij niet alle goddeloosheden wil ontdekken, die met de Mis in betrekking staan of er uit voortvloeien. In het allergunstigste geval, in hare uitnemendste gedaante, is ze van den wortel tot den top van allerlei gruwel en afgoderij, heiligschennis en kerkroof.
Zoo kan een blinde zien, een doove hooren en zelfs een kind begrijpen, hoe groot een gruwel de Mis is. In een gouden beker geschonken, heeft zij alle koningen der aarde en alle volkeren dronken gemaakt!
De lezers hebben thans kort saamgevat alles, wat wij meenen, dat tot de leer der Sacramenten behoort.
De Doop is als het ware een ingang in de Kerk en een inwijding van het geloof. Het Avondmaal is als het ware een voortdurend voedsel, waarmee Christus het huisgezin Zijner geloovigen geestelijk voedt. Daarom wordt het Avondmaal dikwijls en de Doop slechts éénmaal uitgedeeld.
De Christelijke Kerk moet zich dus met deze twee Sacramenten tevreden stellen. Andere Sacramenten mag de Kerk noch instellen, noch toelaten, noch verwachten, want het ligt in den aard der zaak, dat geen mensch eenig Sacrament kan instellen. Doch evenmin mag de Kerk gedoogen, dat aan de goddelijke inzettingen, die wij hebben, de mensch iets van het zijne bij voege.
Het komt Gode alleen toe een Sacrament in te stellen, aangezien het bij Hem alleen staat te beloven en te geven.
En de Sacramenten, die Hij ons gaf, zal de Christelijke Kerk zuiver moeten bewaren tot aan het eind - der tijden, wanneer Christus zal komen op de wolken.
[Wordt voortgezet.]
VERWARRING VAN BEGRIPPEN
IV.
't Is een gewoon verschijnsel, dat men de Hervormde Kerk (,,Genootschap" zegt men dan, hoewel de eigen, officieele naam is Hervormde Kerk) overlaadt met allerlei smaadredenen. terwijl men dan in één adem zegt: en gij blijft nu in zoo'n Kerk („Genootschap") !
Maar wij willen niet blijven omdat het zoo'n Kerk is, maar ondanks hét feit, dat het zóó ellendig gesteld is in de Kerk der Vaderen, die mee om de wille van de zonden van die vóór ons leefden, als om de wille van ónze zonden, in dusdanige ellendige toestand verkeert.
We voelen mee de Kerkschuld als onze schuld.
En dan willen we niet blijven, om het zoo te laten, maar juist om te ijveren, dat de Kerk des Heeren in dezen lande uit haar vervallene toestand mag worden opgericht, tot eere van God, die nog naar haar omziet en tot heil van onze natie, in wier midden de Heere Zelf dezen wijnstok geplant heeft. (Psalm 80).
Verwarring van begrippen heerscht hier bij degenen die zich afscheidden en die nu terugzien op het huis, dat zij verlaten hebben, om dat huis verkeerd te beoordeelen, vergetend, dat het huis ons zoo nauw verwant is. Men moest wat meer voelen : dat is onze vaderlijke erve! en die vaderlijke erve spreekt ook van ónze zonden en roept om ónze liefde en ijver, om óns gebed en onzen arbeid.
Neen, de Hervormde Kerk is niet een vreemde voor ons.
En wij willen ook niet blijven, omdat we het, zooals het nu is, zoo mooi en zoo goed vinden, om zoo voort te blijven leven.
Men weet beter !
Wat moeten wij. Gereformeerden, nu doen in de Hervormde Kerk ?
Voortgaan als tot dusver! Want wij zijn het, die instemmen met de leer der Kerk en wij zijn het, die de leer der Kerk willen handhaven, verdedigen en meer en meer bekend maken. Wij zijn het, die het met aard en wezen en hoofdzaak van de leer der Kerk hartelijk eens zijn en wij zijn het, die volhouden en vasthouden, dat de Gereformeerde leer het wettig eigendom der Hervormde Kerk is, terwijl het invoeren, voorstaan, propageeren en verdedigen van allerlei leeringen, die de hoofdzaken van onze belijdenis loochenen, ondergraven en bestrijden, juridisch en moreel, rechtshalve en zedelijk verboden is in het midden van de Hervormde Kerk.
Wij vereenzelvigen de Synodale Besturen Organisatie (die bovendien de leer der Kerk moet handhaven volgens artikel 11 Algem. Reglement) niet met de Kerk zelve. De Gereformeerde Kerk is niet vernietigd door de Besturen Organisatie. De voortzetting van de Gereformeerde Kerk is onder ons nog ! „In het Genootschap, hoe diep ook gezonken en ontaard, leeft nog de Hervormde Kerk voort", zegt Groen (Kerkgemeentelijk Overleg, blz. 46) ; want rechtens heeft de Geloofsbelijdenis nog haar gezag behouden en de belijdenis maakt het wezen der Kerk uit (Groen).
Sprak Groen in zijn dagen van een „kern" van geloovigen, die in de Hervormde Kerk was overgebleven en die aan de belijdenis trouw waren (Regt der Herv. Gezindheid, blz. 115), wij zeggen in onze dagen, zonder verheffing van iets tot eigen eer of roem, dat Groen na, en beweren, dat die „kern" niet kleiner, niet zwakker is geworden, veel minder is uitgestorven ; maar wij zeggen, dat die „kern" juist is toegenomen, grooter en sterker geworden !
We weten het en verbergen noch loochenen het, dat door de Besturen Organisatie de doorwerking van de leer der Kerk zeer, zéér bemoeilijkt wordt en de handhaving tenslotte schier onmogelijk is.
Maar dat mag geen oorzaak zijn, om allerlei smaadredenen over het hoofd der Kerk uit te gieten ; want die Kerk zijn wij ; en wij worden geroepen voor het recht der belijdenis op te komen en mee te werken, dat na meer dan 100 jaren de Synodale Besturen Organisatie de bons krijgt en straks met stillen trom (begraven wordt.
„Als de belijdenis afgeschaft en de band daaraan losgemaakt wordt, dan moeten de belijders in Gods naam „Babel" verlaten en zich op weg begeven tot den uittocht", zegt Groen (Regt der Herv. Gezindheid, - blz. 138, noot). Maar — zóóver was het nu - gelukkig nog niet gekomen in de Kerk, zegt Groen. En wij zeggen het in 1936 Groen na ! Neen, zóóver is het nu nog niet gekomen !
Nooit en nergens is verklaard — hoe droef de toestanden overigens ook zijn geweest en nóg zijn — dat de belijdenis afgeschaft is; of zonder kracht, zonder waarde, zonder zin zou wezen in en voor de Hervormde Kerk. In de ellendigste, slapste tijden is zelfs herhaalde malen gezegd : in de Hervormde Kerk hebben we geen genoegen te nemen met de loochening en ondergraving van de belijdenis en In de Hervormde Kerk moet men niet denken, dat de woorden „geest en hoofdzaak" bedoelen, dat er zoo maar hier en daar een enkele waarheid nog zoowat zou mogen worden aangenomen en beleden. Neen, men heeft ook dan altijd weer gezegd : men mag zich niet tevreê stellen met de aankleving van deze of gene waarheid, in de belijdenis vervat, maar men is verplicht en geroepen, met de fundamenteele waarheden der belijdenis, zooals de belijdenis zelve wil, dat die waarheden worden gezien, geloofd en beleden, hartelijk in te stemmen en alzóó te bevorderen, dat de Hervormde Kerk een belijdende Kerk is en blijft, die gelooft en belijdt de waarheid naar Gods Woord, vervat in de belijdenisschriften, met name in den Catechismus uiteengezet. Niet de Kerk moet omgevormd worden naar de leer van die voorgangers, die 't met den aard en het wezen, met den geest en de hoofdzaak der belijdenis niet eens zijn. Dat zou de omgekeerde wereld zijn ! En reglementair èn moreel is dat verboden. Maar de leeraars moeten van harte instemmen met de leer, welke het wettig eigendom der Kerk is.
In 1864, als de Haagsche predikant ds. Zaalberg openlijk de opstanding van Christus loochent en onomwonden voor zijn utra-moderne denkbeelden uitkwam, adviseert Groen niet: „hoort de stem des Heeren en vertrekt heden nog uit Babel". Neen ! hoewel de teleurstellingen vele waren geweest en alleszins pijn hadden gedaan, adviseert Groen : voor Remonstrant en Modernist gaan wij niet wijken en een ontijdige verbreking van het Kerkverband zou zonde zijn en misdaad, bedreven aan de Kerk, die wij moeten helpen en niet in den steek laten !
Groen deed dat niet, omdat het „niet zoo erg is in de Hervormde Kerk". Want het is wèl erg in de Hervormde Kerk, zegt Groen.
Hij deed het óók niet, om alles rustig zoo te laten in de Hervormde Kerk ; want Groen zwijgt er nooit over, dat Kerkgemeenschap moet steunen op geloofsgemeenschap en dat licht en duisternis, waarheid en loochening van de waarheid niet dezelfde rechten hebben en niet kunnen samenwonen in één Kerkgemeenschap.
We blijven om te strijden, waarvoor een geloovige zich niet heeft te schamen.
[Wordt voortgezet.]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's