De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Het verbond der genade

11 minuten leestijd

Tusschen het verbond der verlossing en het verbond der genade is dus wel degelijk onderscheid te maken. Dat men op de Synode der Gereform. Gemeenten zulks niet gedaan heeft, is bron van allerlei dwalingen in de bekende verklaring dier Synode, waardoor men van onze belijdenisgeschriften is afgeweken en ook in de prediking een onschriftuurlijk element heeft ingebracht.
Wij ontkennen niet, dat er een nauw verband is tusschen beide verbonden en dat in het bizonder het verbond der genade rust. in het verbond der verlossing, maar er is nochtans een wezenlijk onderscheid, omdat de partijen in beide verbonden gansch verscheiden zijn.
In het verbond der verlossing hebben wij te doen met een verbond tusschen de drie personen van helt goddelijk wezen, waarin ieder zich verbindt tot datgene, wat gedaan moet worden ter verlossing van een zondig volk. Dit verbond valt in de eeuwigheid. De uitvoering van dit verbond, voorzoover het ziet op wat de drie personen op zich hebben genomen, valt in den tijd. Als de Vader In de volheid des tij ds zijn Zoon zendt in deze wereld, volbrengt Hij, wat Hij in het verbond der verlossing op zich heeft genomen. Als de Zoon de menschelijke natuur aanneemt, als het Hoofd der nieuwe menschheid volbrengt, wat de eerste Adam heeft nagelaten te volbrengen, als Borg der zijnen lijdt en sterft voor hun zonden, is dat alles te zien als de vervulling van wat Hij in het vertoond der verlossing als zijn taak op zich nam. En als de Heilige Geest in den tijd worstelt om een zondig volk over te brengen uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht en daarbij vele smarten lijdt door de wederspannigheid van dit volk, volbrengt Hij daarin, wat volgens het verbond der verlossing zijn werk was in de verlossing van een zondig volk.
In het verbond der genade hebben wij echter te doen met twee andere partijen, n.l. de drieeenige God eenerzijds en de zondaar anderzijds. Nergens wordt dit ons duidelijker voorgesteld dan in het doopformulier, waar op grond van den doop in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes God ons in het verbond der genade wordt voorgesteld als belovende, en wel in dien zin, dat Vader en Zoon en Heilige Geest ieder met hun onderscheidene beloften tot ons komen. Aan de andere zijde staat de zondaar, aan wien zulke heerlijke beloften worden gedaan en die gehouden is die (beloften te gelooven en dezen drieëenigen VerbondsGod van harte te vreezen en te dienen.
Het is dus totaal onjuist en een verwarring van beide verbonden, als in de bekende verklaring gezegd wordt, dat, gelijk God met Adam als het vertegenwoordigend Hoofd van al zijn zaad het vertoond der werken heeft opgericht, alzoo met Christus als het vertegenwoordigend Hoofd van al de zijnen het vertoond der genade.
Men onderscheide dus goed. Wij ontkennen niet, dat Christus het vertegenwoordigend Hoofd is van al de zijnen en dat Hij als de tweede Adam heeft voltoracht, wat de eerste Adam heeft nagelaten te volbrengen, maar wij ontkennen, dat met Hem een verbond der genade is opgericht.
Reeds hebben wij gewezen op de tegenstrijdigheid, die in deze woorden besloten ligt, wijl Christus als Zoon van God en als Zoon des menschen de Heilige Gods is, met wien geen verbond der genade kan worden opgericht. Bij de theologen van de 16e en 17e eeuw zal men dan ook zelden een dergelijke verwarrende uitspraak tegenkomen en als ds. Kersten ter verdediging van deze leer zich op de vaderen beroepen wil, kan hij geen andere theologen aanwijzen tot staving van zijn beweren, dan Smytegeld, Justus Vermeer, Comrie, de vijf Walchersche artikelen.
Op een andere tegenstrijdigheid willen wij nu nog wijzen. In het werk van Robert Shaw, door ds. Kersten met zulk een instemming aangehaald, wordt er aan herinnerd, dat er in de Schrift ook sprake is van een verbond van God met de geloovigen. Hij gevoelt, dat dit eenigszins in strijd is met zijn toe weren en tracht nu de plooien glad te strijken. Eet verbond, der genade, zoo haalt hij dan van een ander schrijver aan, werd opgericht met Christus in strikten en eigenlijken zin, omdat Hij er de contracteerende partij in was en op zich nam de voorwaarden er van te volbrengen. Het is opgericht met de geloovigen in oneigenlijk en zin, wanneer zij onder den band des Verbonds worden gebracht en in de dadelijkheid tot de genieting van de weldaad komen.
Duidelijk komt in deze beschouwing de rationalistische opvatting van het verbond als een contract naar voren. Mede daardoor heeft men het verbond der genade moeten los laten, want het is onmogelijk om dit verbond, zooals het ons in het doopformulier geteekend wordt, overeenkomstig de Schrift in het schema van een contract te persen.
Om de gedachte van het contract vast te houden, moet Christus optreden als de contracteerende partij, die de voorwaarden des verbonds vervullen moet. Er zijn dus in het vertoond der genade voorwaarden, die vervuld, moeten worden. Gedacht wordt hier aan de verzoening der zonde en aan het verwerven der gerechtigheid.
Ook deze beschrijving van het verbond der genade vloekt met wat de Schrift ons van een verbond der genade openbaart. Want in een verbond, dat waarlijk verbond der genade zal zijn, worden geen voorwaarden meer gesteld; daar wordt alles uit genade geschonken. Indien het uit de werken is, dan is het niet uit genade, en indien het uit genade is, dan is het niet uit de werken ; anders blijft heit werk geen werk en de genade geen genade.
Als Christus dus in het verbond, dat de Vader met Hem oprichtte, bepaalde voorwaarden heeft moeten vervullen en een bepaald werk heeft moeten verrichten en op het verrichten van dit werk loon heeft ontvangen, dan is het meer dan duidelijk, dat hier van een verbond der genade geen sprake is.
In Romeinen 5, waar Christus ons wordt voorgesteld als de tweede Adam, als het Hoofd der nieuwe menschheid, wordt van een verbond met Hem niet gesproken. En het is ongetwijfeld schriftuurlijker, als men er op let, dat Christus als de tweede Adam volbracht heeft, wat de eerste Adam nagelaten heeft te volbrengen, te zeggen, gelijk sommige theologen gedaan hebben, dat Christus het werkverbond heeft vervuld, wijl de volkomen gehoorzaamheid aan de goddelijke wet, die Adam in toet werkverbond had te betoonen, door Hem is gebracht geworden.
Van een verbond der genade, met Christus opgericht, te spreken, is dus ten eenenmale onjuist. Het verbond der genade wordt met den gevallen mensch opgericht. De bekende moederbelofte in het paradijs, is door alle Hervormers van het Gereformeerd Protestantisme gezien als de eerste openbaring van dit verbond der genade. In dit verbond der genade komt Christus niet voor als de contracteerende partij, maar als de Middelaar, op grond van wiens volbrachte werk dit verbond en zijn beloften rust.
Als God tot Abraham zegt : Ik richt mijn verbond op tusschen Mij en u om u te zijn tot een God, dan kan de vraag opkomen, hoe God in den hemel de God van zulk een schuldig menschenkind kon zijn. Die vraag is ook opgekomen bij de vaderen des Ouden Verbonds en zal ten allen tijde ook onder de nieuwe bedeeling opkomen in de harten van allen, die in deze belofte des verbonds hun heil zoeken. Onder het Oude Verbond is deze vraag wel beantwoord, maar niet klaar en helder, zooals onder de nieuwe bedeeling, want nu weten wij, dat zulk een verbond van genade alleen mogelijk is in Christus en in zijn Middelaarswerk. Alleen in Christus kan God zich tot een zondaar als Abraham neerbuigen en hem zulke rijke beloften schenken.
Het strijdt dan ook met heel het schriftuurlijk spraakgebruik om te zeggen, dat het verbond der genade in eigenlijken zin met Christus is opgericht en in oneigenlijken zin met de geloovigen. In heel de Schrift wordt nergens gesproken van een verbond der genade, met Christus opgericht. Hij wordt wel door den apostel het Hoofd zijner gemeente genoemd, maar nimmer het Hoofd des verbonds, zooals ds. Kersten Hem noemt. Wij hebben er geen bezwaar tegen, om Hem daarom het Hoofd der nieuwe menschheid te noemen, want de gemeente des Heeren is de nieuwe menschheid en als zoodanig verschijnt Hij ons als de tweede Adam, maar nimmer is met Hem een verbond der genade opgericht. Als de tweede Adam, als het Hoofd der nieuwe menschheid, volbrengt de Zoon van God wat Hij in het verbond der verlossing, in de eeuwigheid gesloten tusschen de drie personen in het goddelijk wezen, op zich heeft genomen.
Heel de Schrift door is echter wel sprake van een verbond, door God met zondige menschenkinderen gesloten, en daarom een verbond der genade genoemd. Ontelbaar zijn haast de plaatsen, waar tot Israël gesproken wordt van het verbond, met Abraham opgericht, soms ook genoemd heit verbond met Abraham, Izaak en Jacob, of wel het verbond met de vaderen, en dit verbond met de vaderen is tevens het vertoond met het volk van Israël; daarom het volk des verbonds genoemd.
Dat dit verbond met een zondig volk is gesloten, blijkt telkens uit de Schrift, want Israël heeft meermalen dit verbond verbroken, waardoor de wrake des verbonds werd opgewekt en de vloeken over hen kwamen, waarvan de Heere in zijn wet had gesproken. Nochtans gedacht de Heere telkens aan zijn verbond met hen ten goede en heeft hen niet gansch doen omkomen, maar zijn oordeelen weer van hen weggenomen en hen uit de diepte der verlatenheid weer opgehaald.
De duidelijkste sprake gaat echter uit van d e belofte des verbonds. Want al zijn in deze belofte ook de aardsche zegeningen besloten, van de grootste beteekenis is hier toch zeker de belofte van de vergeving der zonden. Daarom heeft Mozes bij het sluiten van het vertoond het bloed des verbonds genomen en niet alleen het altaar, maar ook heel het volk daarmee besprengd. Geheel in overeenstemming daarmede zegt Jezus bij de inzetting van het Avondmaal: drinkt allen daaruit; want dat is Mijn bloed, het bloed des nieuwen verbonds, hetwelk voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.
Wanneer de voornaamste inhoud van de belofte des verbonds de vergeving der zonden is en de verzoening der schuld, hoe kan men er dan toe komen om te zeggen, dat het verbond der genade met Christus is opgericht ? Men staat eenvoudig versteld over de spraakverwarring, waarin de theologen der 18e eeuw zich zelf hebben verward en door ds. Kersten en de voorgangers der Gereform. Gemeenten, die voornamelijk uit deze theologen hun kennis putten, worden zij slaafs gevolgd. Ik kan dit alleen verklaren uit het feit, dat men Kuyper en Bavinck zoozeer wantrouwt, dat men ze niet leest, terwijl men Calvijn en de andere theologen uit den tijd der reformatie evenmin kent.
Het zou evenwel al voldoende zijn, indien men zich eens verdiepte in het doopformulier, want ook daar is van een verbond met Christus geen sprake, maar van een verbond der genade, door een drieëenig God opgericht met Abraham en zijn zaad, welk verbond als een eeuwig verbond wordt gezien en daarom met de oude bedeeling niet verdwijnend, maar onder de nieuwe bedeeling zich voortzettend in de gemeente van Christus. Het teeken des verbonds verandert daardoor wel; inplaats van de besnijdenis komt de doop, maar beide teekenen spreken ons van de reiniging der zonden en van de afwassching in het bloed van Christus. Hoe kan nu een verbond der genade, dat in Christus rust en ons de vergeving der zonden brengt in zijn bloed, met Christus zelf zijn opgericht ?
Maar helaas, ofschoon dit doopformulier telkens bij de bediening van den doop wordt gelezen in het midden der gemeente, wordt het bitter weinig verstaan. Het lezen van heit formulier heeft vaak de beteekenis gekregen, die de rozenkrans heeft bij de Roomschen. Als het formulier niet werd gelezen, als de bepaalde gebeden niet werden opgezegd of opgedreund, zou men opschrikken ; dat zou inbreuk zijn op den vasten regel, die ten ernstigste zou worden gelaakt. Nochtans verstaat men niets van wat m: en leest en bidt en verkondigt vlak daarnaast allerlei, dat met het formulier in strijd is en men merkt niets van het verschil.
Daarom hoop ik ten zeerste, dat de Theologische School van de Gereform. Gemeenten nog eens leeraars ontvange, die zelfstandig opnieuw de Schriften en de werken der reformatoren mogen onderzoeken, opdat de tegenwoordige sleur van leer verbroken worde en de grondbeginselen van onze belijdenis daar opnieuw in eere mogen komen.
O. a/d IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's