De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

CHRISTUS’ OVERGAVE

9 minuten leestijd

en Zichzelve voor ons heeft overgegeven . Efeze 5 vers 2 m.

Waarde Lezers,
In bovenstaand, tekstwoord wordt met enkele woorden aangegeven de volkomen overgave van den Heere Jezus voor Zijn volk.
Het is slechts een deel van een geheele uitspraak van den apostel, die vol van diepen zin is en van rijke en heerlijke beteekenis.
Wij gaan niet alles daarvan na, dat op zichzelf een rijke stof is voor een gansche prediking, maar willen eens met eerbied overdenken, wat dit inhoud : Christus' overgave.
Wij bevinden ons in de lijdensweken. Op velerlei wijze wordt ons nu het diepgaand lijden van Christus geteekend. Laat ons nu in korte meditatie trachten na te gaan wat die volkomen overgave ons te zeggen heeft.
Hierin vinden wij, als 't eerste, dat ons moet treffen, dat Hij Zichzelve heeft overgegeven. Hij gaf niet maar Zijn Naam, die Hij aan een op zichzelf rechtvaardige zaak verbond. Gij weet, wat dit wel zeggen wil, wanneer een persoon van hooge beteekenis zijn naam ergens voor geven wil, om zulk een zaak betrouwbaar bij anderen te maken.
Niet maar Zijn Naam gaf Hij voor de Zijnen, opdat zij zich in Hem zouden beroemen, al is het dat dit ook straks het heerlijk vruchtgevolg zal wezen, dat zij zich „zullen beroemen in den Heilige Israels".
Hij gaf maar niet Zijn kracht, om die voor hen : te werk te stellen, om zóó te trachten hen uit de verlorenheid te redden, waarin zij nederlagen, om hen daaruit weer op te halen.
Hij was niet als een Simson weleer, die door zijn geweldige kracht tot een verlosser voor zijn verdrukt volk opstond, om hen uit de handen hunner vijanden te verlossen en van hun onderdrukkers te bevrijden.
Hij gaf niet van den grooten rijkdom, dien Hij bezat, de schatten, die Hij de Zijne kon noemen. O, wel gaf Hij deze bovendien, boven alles, wat Hij wilde geven, want zij verkrijgen deel aan al Zijn weldaden. Doch Hij gaf meer. Hij gaf Zichzelve. Hij verloste hen niet met goud of zilver, die Hij in overgroote mate de Zijne kon noemen, waar Hem dit alles toebehoorde, dat Hij rechtmatig kon uitdeelen.
Hij gaf Zichzelve. Niet een ander. Zelfs niet een Engel, een van de machtige troongeesten Gods. En toch, hoeveel zou dit wel te beteekenen hebben gehad, zooals de geschiedenis van Israël daarvan getuigde : denk om den Engel, die in den eersten Paaschnacht al de eerstgeborenen van Egypte — vijanden des volks — doodde. Of aan den Engel, die in één nacht 185000 Assyriers — vijanden des volks — ten onder bracht. Hoe zou zulk een troongeest op Zijn wenk Hem hebben gediend om uit te gaan terwille van de Zijnen !
Hij gaf niet iets van al het kostbare en heerlijke, dat in den hemel was te vinden — ai zullen zij straks om Zijnentwil in al die heerlijkheid eeuwig deelen.
Hij gaf ook niets van de aarde, van al wat daar leeft en zich beweegt. Ja, wel moesten offerdieren tevoren het leven laten, maar die gaf Hij slechts om voorbeelden, schaduwen te zijn, van wat Hij geven, wat Hij doen zou. Daarin werd wel afgebeeld Zijn zelfovergave, wijl zij hun leven gaven.
Grooter was heit, veel kostbaarder dan al wat reeds was voorafgegaan, want Hij gaf Zichzelve, Zijn hartebloed. Zijn leven.
Ach, waartoe gaf Hij Zichzelve ?
Niet om een aardsche kroon of troon daarmede te gewinnen. Hij wilde zelfs den troon des hemels verlaten, het hemelsch diadeem afleggen om het te ruilen voor een kroon van doornen en als een troon, een ruw houten kruis. Hij gaf Zich tot de allerdiepste versmading van den smadelijken, smartelijken, vervloekten dood des kruises.
Waartoe gaf Hij Zichzelve ? Om Zich te stellen onder den vloek Gods, om den toorn Gods te dragen.
Hij gaf Zichzelve niet maar voor edele menschen, die het waardig waren, dat Hij ter hulp zou snellen om hen uit het gevaar te verlossen, waarin zij verkeerden. Welk een heldendaad bij uitnemendheid zou dat zijn geweest en welk een heldendood, had dit beteekend! Doch, Christus is niet slechts een heldendood gestorven, zooals vele menschen er wel. van willen maken. Ja, dan nog zou het terecht zijn, dat Zijn Naam met eere werd genoemd, dat er zelfs een standbeeld voor Hem ware opgericht, zooals men voor groote helden pleegt te doen.
Het waren geen edelen, braven, voornamen, uitstekenden van het menschengeslacht.
Het waren snoode zondaren, rebellen, opstandelingen, vijanden Gods Zijns Vaders. Zulken, die, evenals dit bij moeilijke reddingspogingen wel gebeurt, nog tegenspartelen, tegenstreven om gered te worden. Hoe diep zijn zij wel verzonken ! Zóó diep, dat Hij om hen te redden, tot de hel toe moest afdalen, want Hij is „nedergedaald ter helle".
Zij waren niet maar bij ongeluk zoo diep verloren en gezonken. Zij hadden zich moedwillig en vrijwillig in de diepe ellende gestort, waaruit Hij hen heeft opgehaald.
Waren zij daar blijven liggen, zij hadden het nooit iemand, dan zichzelf kunnen wijten. Daarbij vroegen ze zelf ook nog niet eens om hen te redden. Toen Hij hun verlorenheid zag, heeft Hij Zichzelve vrijwillig opgemaakt om hen te redden.
Waren zij in die ellendige toestand gebleven, had niemand, ook God niet. Zich over hen ontfermd, — zij zouden naar recht eeuwig onder het oordeel omgekomen zijn.
Hij gaf Zichzelve. Wie kon dit, wie vermocht dit ? Welk een offerande !
Onder het Oude Verbond hadden de priesters onnoemelijk veel offers gebracht, maar niemand gaf zichzelve ten offer. Wat zou heit ook te beteekenen hebben gehad ? Ook van hen, zelfs de besten onder hen, gold, het, dat zij onrein, onheilig, onmachtig waren.
En al die geslachte offerdieren 'vermochten al tesamen niets. De toorn Gods kon daardoor niet worden gestild en Zijn recht niet voldaan.
Maar Christus kon en mocht dat; Hij, de Heilige, Reine, Almachtige.
Hij gaf Zichzelve, Zijn leven, als de betere offerande, die volkomen verzoening teweeg kon brengen. Zijn offer kon bij God gelden. Dit was den Vader aangenaam en kon Hem als den vertoornden Rechter volkomen bevredigen.
Hij had macht om over Zijn leven te beschikken, dat Hij afleggen en wederom nemen kon.
Zoo wordt Zijn Zelfovergave een gansch vrijwillige en volkomen voldoende.
Hij gaf Zich niet gedeeltelijk, maar geheel en volkomen ; Hij gaf Zijn ganschen persoon, naar lichaam en ziel.
Hij gaf Zich tot het lijden. Vanaf de kribbe, door heel Zijn leven op aarde, tot Gethsémané, Gabbatha, Golgotha, — tot op het kruis, met alles wat daarin verscholen ligt. Zoó gaf Hij Zich, dat al Gods golven en baren over Hem geheel zijn henengegaan.
Wat moet dit alles toch voor Hem zijn geweest! Wie kan het peilen, wie doorgronden ? „Als ik dit wonder vatten wil, staat mijn verstand met eerbied stil". Wij kunnen heit. u niet weergeven, wat eeuwig de stof van zalige bewondering, van aanbidding uit zal maken voor een schare, die hier mag ingesloten worden en dan uit zal jubelen dat veelzeggende, heerlijke woord : en Zichzelve voor ons heeft overgegeven Voor ons. Dat is het tweede woord, dat ons treft bij deze overdenking. Ja, dat eerste is onuitsprekelijk groot: Hij Zichzelve. Zonder dat eerste zou het tweede onmogelijk kunnen gelden.
Maar dat tweede is waarlijk van het grootste belang. Het is wel heerlijk reeds te weten, dat Hij Zichzelve overgegeven heeft. O, nu mag er hope worden gekoesterd, voor verlorenen en ellendigen, diepgezonkenen. Het kan niet luide genoeg gepredikt worden, want het is de eenige, veilige, zékere weg tot behoudenis. Het is heerlijk - om er jaloersch op te worden - dat aan anderen zulk een heil en zaligheid is bereid, dat zij onder den toorn Gods zijn weggenomen, volkomen verzoend zijn met God, straks het Halleluja der verlossing zullen zingen : „Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, , . Maar wat baat het, zoo wij niet zelf mede kunnen noch mogen instemmen met dat „voor ons".
Ach, ja, wij weten wel, daar zijn er talloos velen, die dit maar heel gemakkelijk uitspreken, terwijl het toch van zoo groot gewicht is. Het is maar zoo'n klein woordje, ons, wij, mij, ik, doch 't houdt wat in !
Geen wonder, dat er zijn, die dit maar zoo grif niet kunnen zeggen ! Die zijn er min of meer van gewaar geworden, wat daarin ligt. 't Is geen rekensom, welke men met eenig vernuft spoedig op kan lossen.
Er gaat eerst wat aan vooraf. Niet, dat wij dit zoo bedillen, dit ligt in de zaak zelf.
Zullen wij waarlijk weten, dat Christus Zich voor ons heeft overgegeven, dan zullen wij er toch zeker wel iets van gewaar geworden zijn, in welk een ellende wij door de zonde nederlagen. Dan hebben wij onze ellende gezien en zijn het pijnlijk gewaar geworden. Dan hebben we onzen nood gevoeld, hoe zouden wij anders ook begeerig zijn om. behouden te worden ? Wij hebben de maat en de graad niet vast te stellen hoever het met een mensch dan wel gaat, allerminst onze maatstaf aan een ander aan te leggen. Zeker is het evenwel, dat we niet behouden worden of wij zijn in onszelf verloren gegaan.
Voor ons. Dat geldt voor Christus' gemeente, die Hij lief gehad heeft en waarvoor Hij Zichzelve overgegeven heeft, zie naar vs. 25.
Nu, wie heeft Hij liefgehad ? Zijn uitverkorenen. Wanneer heeft Hij hen liefgehad ? Niet slechts toen Hij op aarde kwam, toen Hij Zich in lijden en dood overgaf, maar Hij heeft hen liefgehad met een eeuwige liefde. De Vader heeft hen liefgehad en aan den Zoon gegeven. Door den Vader werd Hem toegezegd, dat Hij vrijelijk daarom eischen mocht. Hem is verzekerd, dat als Hij Zijn ziel tot een schuldoffer gesteld zou hebben. Hij zaad zou zien.
Wij kunnen hier niet de leer der algemeene verzoening breed gaan weerleggen of die der particuliere genade verdedigen, daar wij slechts enkele oogenblikken mediteeren. Maar wees er zeker van, waarde lezer, dat gij in de werkelijkheid nog zoo dadelijk — althans in den regel — niet er aan toe zijt, om uzelf bij dat voor ons in te sluiten. Daar wordt om geworsteld, gebeden, gestreden. Daar wordt nu eens gehoopt en dan weer getwijfeld, tot het op 's Heeren tijd en de toepassende, machtige werking en verzegeling des Heiligen Geestes, met het hart geloofd, met den mond beleden en met de hand geschreven wordt: ik ben des Heeren.
Kunt gij het ook zeggen, waarde lezer ?
Zoo ja, wat een voorrecht, niet uit u, het is Gods gave ! Roemt dan in Zijn Naam, in den Heilige Israels.
Beroemt u in Zijn heil'gen Naam, Dat die Hem zoeken nu tesaam Hun hart vereenen tot Zijn eer En zich verblijden in den Heer !
Kunt gij dit niet zeggen ? Dat gij dan maar onder de zoekers mocht zijn, want dit worden Vinders.
V.
J. v. A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's