De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

22 minuten leestijd

PAASCHCOLLECTE
Zooals nu reeds verscheidene jaren, doen wij ook thans weer een beroep op de Kerkeraden, die onzen Gereformeerden Bond welgezlnd zijn, voor een extra collecte met Paschen in de kerk, ten behoeve van het Studiefonds.
En In de plaatsen, waar onze vrienden de gelegenheid missen om in de kerk hun offer in de Paaschcollecte te brengen, zal, naar we van harte hopen, per circulaire weer een inzameling worden gehouden.
Een model voor de algemeen e circulaire, die men overal kan gebruiken, is ter drukkerij van De Waarheidsvriend te Maassluis, Postbus 18.
Men zende slechts, met opgaaf van het getal, een plaatselijke aanbeveling met plaatselijke onderteekening. Dan ontvangt men gratis het verlangde aantal circulaires, in enveloppen gestoken, gereed om zoo af te geven.
De bestellingen van Rotterdam en Utrecht kwamen reeds binnen. Dat nu Amsterdam, Den Haag, Hilversum, Feijenoord, Delfshaven, Alphen, Amersfoort, Leiden, Charlois, Zwolle, Groningen enz., spoedig hun bestellingen mogen laten volgen, liefst vóór 4 April, om zooveel mogelijk alles achter elkaar te kunnen afwerken ter drukkerij; dat spaart kosten.
De bedoeling is, dat men persoonlijk de circulaires aan de bekende adressen thuis bezorgt en b.v. een week later weer persoonlijk het antwoord haalt. De opbrengst moge dan weer onder 's Heeren gunst tot een verrassend bedrag leiden, waarnaar de Penningmeester reeds met verlangen uitziet.

KOHLBRUGGE, zijn levensgeschiedenis
XVI.
Leerrede over Romeinen 7 vers 14.
II. »Ik ben vleeschelijk !«
„Wij weten, dat de Wet geestelijk is", zegt Paulus. En nu moeten we uitgetrokken worden uit alle schuilhoéken en gaten, uit alle middelen om heilig en vroom te worden, uit alle pogingen om de zonde uit zichzelven te dooden en kwijt te worden. Opdat we zoo op de teederste wijze tot Christus getrokken mogen worden, om alleen in Hem te worden gevonden, als bij een anderen Man, Die er alleen verstand van heeft, met Wet, zonde, duivel en dood om te gaan ; maar in Wiens huis eene volkomene vrijheid van Wet, zonde en dood vaststaat en heerscht, en louter Genade, Vrede, Blijdschap, Gerechtigheid en eeuwig Leven luisterrijk heerschappij voert!
Wie wil verdoemen ? Niets kan ons dan scheiden van de liefde Gods, des Vaders, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.
Maar nu zegt de Apostel: „ik ben vleeschelijk". Niet, hoe hij vroeger was ; neen, hoe hij nu is : vleeschelijk !
Dat is de oorzaak, waarom ik bij de Wet niet in huis kan blijven. Want de Wet is geestelijk en ik ben vleeschelijk. Was ik half vleeschelijk en half geestelijk, zou ik met de Wet toch ook nooit vrede kunnen sluiten ; want de Wet is geestelijk en eischt alles volkomen heilig, 't Zou alles vergeefsche arbeid zijn. Maar nu ben ik niet gedeeltelijk vleeschelijk, maar de Apostel zegt: ik ben met mijn geheelen mensch vleeschelijk. Ik toen vleeschelijk. Met lichaam en ziel, met verstand en wil, zooals ik inwendig en uitwendig leef, ben ik vleeschelijk. De zonde is een poel, een peiilooze bron van allen gruwel. Onbekwaam tot eenig goed zijn wij en ten allen tijde geneigd tot alle boosheid, waarom de Wet ons altijd moet verdoemen, daar de Wet zelf geestelijk is en wij vleeschelijk. Heel de lange rij der bijbel-geloovigen roept het ons toe: gij zijt vleeschelijk". David (2 Sam. 11), Juda (Gen. 38), Simson (Richt. 16), Lot (Gen. 19), Salomo (1 Kon. 11), Hiskia (Jes. 39), Noach (Gen. 9 ; Ef. 5 : 18), Paulus en Barnabas (Hand. 15 : 39), de huichelarij van Petrus (Gal. 2 : 13), de hoererij, onreinheid, schandelijkheid, booze begeerte, gierigheid, leugen, hoovaardij enz. in de eerste Christengemeenten (Col. 3 : 5, Ef. 5 : 25, 28, Ef 5 : 3—5, 1 Thess. 4 : 2—8 enz.). En het ongeloof, als de hoofdzonde, bij Mozes, Elia, Jeremia, Jona en al de Apostelen (Numeri 20 : 10—12 ; Mare. 16 : 11 —14 ; 1 Kon. 19 : 4 ; Job 3 ; Jer. 15 : 10 en 20 : 14 enz. enz.
Hoe zal. de Apostel nu uitkomst vinden, als hij zegt: „de Wet is geestelijk, maar ik ben vleeschelijk" ? En die vleeschelijk zijn, kunnen Gode niet behagen. Alle vleesch is voor God verdoemelijk. Wat uit vleesch is, dat is vleesch; en dat is zondig en verdoemelijk voor God.
Maar hoe kan hij Gode dan behagen ?
Alle heiligen werpt Paulus op één hoop en verklaart ze allen arme zondaren te zijn. En wij kunnen het bij de Wet nooit goed maken. Bij onzen vorigen Man, de Wet, kunnen we niet leven. Dat is geen leven om het te kunnen uithouden met genot en vrede en vreugd. Wij willen haar altijd vleeschelijk begrijpen en vleeschelijk wandelen en de geboden vleeschelijk betrachten. En de Wet is geestelijk.
Daarom is en blijft bij alle kinderen Gods deze waarheid onomstootelijk vast: „dat de mensch gerechtvaardigd wordt uit het geloof van Christus en niet uit werk der Wet". Hij is ons geworden van God tot wijsheid, gerechtigheid, heiligheid en verlossing. (1 Cor. 1 vers 30). En voor zoover wij eenigermate Gods genade deelachtig zijn, moeten we dan ook alle middelen en wegen om onszelf te rechtvaardigen en te heiligen, over boord werpen, om enkel en alleen te leunen en te steunen op Christus. Wat er dan 'Ook tegenaan raast, zoo zullen we moeten belijden : de Zoon is alleen heilig en Hij is zóó heilig als de Vader heilig is, en even zoo rechtvaardig als de Vader. En dat is Hij als Borg en Heiland en Middelaar van arme zondaren; waarmee Hij ook de Zijnen troost en bemoedigt, zeggende : zie op Mij, uwe zonden zijn vergeven, gij zijt verlost. God heeft u welgedaan. „Want Hij heeft met ééne offerande in eeuwigheid voleind allen, die geheiligd zijn".
Heb ik Hem, dan bekommer ik mij om mijne heiliging niet, neen, maar ik jage Hem na! (Filipp. 3 vers 8, 14). Alle dingen leer ik dan schade en schande achten om het te ruilen voor de alles vervullende kennis van Jezus Christus, onzen Heere.
Daarin zal mijn wijsheid, mijn gerechtigheid, mijn heiligmaking, mijn volmaaktheid en verlossing zijn: dat ik dagelijks meer in Hem gevonden worde. En vraagt de werkheilige : moet ik dit doen en moet ik dat doen, zoo zal de ziele alleen de ware troost en de zalige vrede vinden, als wij mogen gevonden worden in Christus ; om met alle heiligen te mogen leeren proeven en smaken, welke de breedte, de lengte, de diepte en de hoogte is der genade en der liefde Gods in het offer van Zijn Zoon. En zoo zal ik vervuld worden tot al de volheid Gods. (Efeze 3 vers 19).
Hoe meer ik dan aldus in het licht Zijner heiligheid en in de nabijheid Zijner rechtvaardigheid geplaatst worde, des te meer krijg ik een gruwen en een walgen van, mij zelf; want „ik ben vleeschelijk". Maar des te meer mag ik dan ook in de algenoegzaamheid van Christus mijn toevlucht zoeken en vinden. En ik mag weenen van stille blijdschap, dat de Vader aller barmhartigheid mij heeft wedergeboren tot een hope, levende 'door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden. Want het is in Hem, dat Hij plechtig verklaart, dat de bezoldiging van alle zonden volkomen voldaan is, anders had immers de dood mijn Borg in het graf gehouden !
De in Christus zich verblijdende Apostel zegt niet: „ik heb in de heiliging en in het goede nu reeds tamelijk vorderingen gemaakt" — neen, maar zijn Parizeer ten spijt en zijn bekommerd hart tot troost, schrijft hij : „Wij weten, dat de Wet geestelijk is; maar Ik ben vleeschelijk".
Alle moedhervatting, die steunen zou in onszelf, moet verhinderd worden.
Alle zelf-werken, alle Parizeesche en alle Pelagiaansche en mystieke zelfheiliging, 't moet alles van den troon gestooten worden. Eén is maar groot, en dat is Christus.
Er zijn vele Christenen die meenen, dat de heiliging hun werk is, nadat zij gerechtvaardigd zijn. Aan 't werk slaan ze ! Met alle vlijt leggen zij zich toe op dit en op dat. Maar de Satan krijgt hier de handen ruim en er blijft tenslotte geen troost over voor de ziel, die vanwege de zonden bekommerd is, dan Jezus Christus, Die van God Zelf gegeven is tot wijsheid, rechtvaardigheid en heiligheid en tot een volkomen verlossing. want van óns geldt: „ik ben vleeschelijk" en de Heere wil in Christus tot al de Zijnen zeggen : „Ik zie aan u, die zelf moet getuigen zwartachtig te zijn, geen vlek en geen rimpel, zóó lleflijk en zóó heilig zijt gij Mij !"
Vat het toch eens : bidden, zingen, den Bijbel en stichtelijke boeken lezen, de eenzaamheid opzoeken, ter kerk en ten Avondmaal gaan, zich dagelijks twee-of driemaal afzonderen voor God, zich van dit of dat onthouden, het volk des Heeren opzoeken en zooveel heilige verrichtingen meer — dit en dergelijks is alles opzichzelve werk der Wet (Jes. 55 vers 2, 3) en dat moet geestelijk worden bedreven ; wij zijn  aar vleeschelijk.Dat „maar", dat er aan vooraf gaat, snijdt diep, diep door hart en nieren heen. Wie zijn wij ? Och, dat weet God alleen en Hij weet het helaas ! zoo héél goed, want voor Hem is niets verborgen. Welke zonde wordt niet bij ons gevonden ? „Ga uit van mij, ik ben een zondig mensch!"
En nu moet men niet denken en redeneeren : de Heere heeft mij zoo dikwijls uitgered ; alsof dat uit oorzake is, dat wij minder slecht en gruwelijk zijn. En gij beloofdet dankbaarheid. Waar is die gebleven ? Is het niet telkens nieuw ongeloof ? Nieuwe dorheid en doodigheid bij 't lezen van Gods Woord, bij 't bidden. Leidt niet 't minste ons af van God ? Wij willen rein, kuisch zijn, maar waar blijven we er mee ? We willen vriendelijk en vreedzaam zijn, m.aar bruisen we telkens niet op in onze drift en boosheid ? Een stroohalm voor onze voeten geworpen, doet ons onze kalmte verliezen. Telkens richten we ons een berg der heiligheid op en we loopen hem zelf weer onderst boven.
Vreeselijke dingen zijn er bij ons. Satan, zonde, eigen vleesch, wereld en zooveel meer, doet ons zondigen. En altijd weer komt het Woord op ons af : „de Wet is geestelijk, maar ik ben vleeschelijk".
„Daarom" — zoo zegt Kohlbrugge aan het slot van de Overdenking van het 2de punt van zijn predikatie — „houdt op met alle werken en uw best betooningen! Hebt gij Christus niet geheel, dan zijn het alles tezamen werken, die gij der Wet schuldig zijt en gij kunt niet toestaan. En hebt gij Hem, dan blijft gij nog vleeschelijk, met alles wat in u en aan u is. Zoekt daarom als een arm zondaar, die voor God niet bestaan kan, Christus en Zijne gerechtigheid en leert het, zonder op iets anders te leunen en te steunen, enkel en alleen op Gods genade en Zijne barmhartigheid te vertrouwen en te bouwen. En tracht daarna, dat gij gedurig meer en meer in Christus wordt gevonden.
Hebt gij Hem, den Hoogepriester, dan hebt gij alles : van Hem, Die het Hoofd is, daalt dan op u, Zijne leden, genade voor genade neder, zoodat het u niet zal ontbreken aan deugd, rechtvaardigheid en heiligheid, welke God in u wil aanschouwen, u aanziende in Christus.
Wij zijn vleeschelijk en kunnen als zoodanig Gode niet behagen. Maar het is het welbehagen Gods geweest, dat in Christus alle volheid zou wonen. (Col. 1 vers 19).
[Wordt voortgezet.]

CALVIJN EN DE SACRAMENTEN
Over de vijf dusgenaamde Sacramenten (XII).
Rome heeft vijf valschelijk genaamde Sacramenten : Vormsel ; Biecht; laatste Oliesel ; Priesterwijding en Huwelijk. Maar de Papisten — zoo zegt Calvijn in zijn Institutie Boek IV, hoofdstuk XIX, 1—37 — geven daaraan ten onrechte den naam van Sacrament. Daarom spreken wij van „dusgenaamde" Sacramenten. De Roomschen hebben in deze noch een gebod noch een belofte van God ontvangen. En wij moeten met kracht vasthouden, dat de macht om een Sacrament in te stellen, bij niemand berust, dan bij God alleen.
Zonder het te kunnen bewijzen, zeggen de Papisten, dat de oude Kerk óók zeven Sacramenten heeft gehad. Wanneer de oude Kerkleeraars spreken van de Sacramenten in engeren en eigenlijken zin — en dus niet wanneer zij het hebben over allerlei ceremoniën en plechtigheden — dan hebben ze maar twee Sacramenten, als getuigenissen van de goddelijke genade, en wel : Doop en Avondmaal, wat naar de Schrift is.
Spreken we nu eerst over het Vormsel.
Oudtijds was het gewoonte, dat de kinderen der Christenen, aan het einde van hun kinderlijken leeftijd of in 't begin hunner jongelingschap, voor den bisschop werden gesteld, om hun geloof te belijden, nadat ze te voren een tijdlang in de hoofdwaarheden van de Christelijke religie onderwezen waren. Wanneer zij voor den bisschop en de Gemeente belijdenis des geloofs konden doen, werden zij onderzocht en ondervraagd over den inhoud van den Catechismus, welke toen algemeen gebruikt werd. Werd deze belijdenis goedgekeurd, dan had de plechtigheid van de handoplegging plaats, n.l. als een plechtige zegenspreking. 't Was, opdat deze handeling des te eerbiediger en waardiger zou plaats vinden. Zulk een ceremonie — zegt Calvijn — prijs ik, en ik zou wel willen, dat ze tegenwoordig in haar zuiver gebruik weer hersteld werd. Maar een bijzonder goddelijk bevel is het niet.
Later, toen uit de herinnering verdween waartoe men het eigenlijk oorspronkelijk had ingesteld, is daarvan door de Roomsche Kerk het vormsel gemaakt en is geleerd, dat het een goddelijk Sacrament is. En men zegt, dat het vormsel den Heiligen Geest geeft tot vermeerdering der genade, welke in den Doop geschonken werd. In den Doop worden — volgens Rome — de kinderen wedergeboren en in het vormsel ontvangen ze dan meer nog den Heiligen Geest en zoo worden zij, die in den Doop heeten wedergeboren te zijn, tot den strijd bekrachtigd. Bij het vormsel worden de kinderen dan door den Bisschop met olie bestreken, terwijl de formule wordt uitgesproken : „Ik teeken u miet het teeken van het heilige kruis en versterk u met de zalving der zaligheid in den naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes".
Dat alles lijkt nu wel schoon en is vol bekoring, maar daar is geen Woord Gods voor deze zaak te vinden en nergens is er eenige belofte voor gegeven. En daarom is het een heiligschendende lichtvaardigheid, welke niet verontschuldigd kan worden.
Men meent in deze de Apostelen na te volgen, die (zie o.a. Hand. 8 vers 15) óók de handen oplegden, waarop de Heilige Geest ontvangen werd. Maar dat waren de zichtbare en wondervolle genadegaven des Heiligen Geestes, welke God alleen voor dien eersten tijd noodig achtte. Deze bijzondere gaven nu volgen volstrekt niet op het vormsel. Het is dan ook niet anders dan een naapen van het gebruik der Apostelen. Ook beroept men zich ten onrechte op hetgeen Jezus deed volgens Joh. 20 vers 22 : „Hij blies op Zijne discipelen en zeide : „Ontvangt den Heiligen Geest". Alsof wij Hem daarin moeten navolgen !
En wie heeft ooit van de olie getuigd, dat daarin de zaligheid zit ? Die benaming „olie der zaligheid" is een verloochening van de zaligheid, die in Christus is. Paulus wil ons juist van al zulk soort dingen aftrekken als beginselen der wereld zijnde, en veroordeelt niets sterker dan het hangen aan dergelijke onderhoudingen. Allen die ons bij „de olie der zaligheid" willen brengen, trekken ons af van de zaligheid, welke in Christus Jezus is.
Rome schrijft dus aan het Vormsel veel meer toe dan aan den Doop, omdat zij meenen, dat de Doop zonder het vormsel niet naar behooren kan volbracht worden. Het is een valsche belofte van den duivel. We moeten ons aan de Schrift houden, die leert, dat wij in den Doop met Christus begraven worden en alzóó Zijn dood en wederopstanding deelachtig zijn. Rom. 6. Hierin ligt de dooding van het vleesch en de levendmaking door den Geest, maar geenszins in „de olie der zaligheid".
Het Vormsel is derhalve een schadelijke en schandelijke beschimping en verduistering van den Doop ; eene bedriegelijke belofte des duivels, die ons van de Waarheid Gods aftrekt.
Voorts beweert de Roomsche Kerk, dat dit Vormsel noodig is, zullen wij volmaakte Christenen worden. Niemand zal ooit een Christen zijn, dan die door den bisschop met het Vormsel gezalfd is. Maar zijn de Apostelen dan ook met olie besmeerd ?
Eindelijk achten ze deze zalving zelfs boven den Doop. Want ieder priester mag doopen, maar het Vormsel mag alleen bediend worden door bisschoppen. Zoo verheffen zij hun ijdele vonden boven Gods heilige instellingen en stelt de Kerk zich boven Gods Woord.
Hun beroep op de oudheid is zonder waarde, maar zij moeten bewijzen, dat God het ingesteld heeft. Bovendien, de ouden weten hier niets van, want in eigenlijken zin spreken zij altijd van twee Sacramenten. Volgens Augustinus is deze oplegging der handen niets anders dan een gebed.
Wij moeten vasthouden aan de twee Sacramenten, die niet van de aarde, niet van de menschen, niet van de bisschoppen zijn, maar van God en uit den hemel ons gegeven.
Laat ons dan besluiten — aldus Calvijn — dat het ware gebruik van het Vormsel bestaat in een kerkelijke onderwijzing aangaande den hoofdinhoud van alle hoofdstukken onzer religie. Tot dit doel zij er een Catechismus, waarmede de gansche Kerk der geloovigen zonder verschil van meening overeenstemmen moet. 't Is gewenscht, dat de kinderen van tien jaar zich aan de Kerk daartoe aanbieden, om daarna belijdenis des geloofs te doen. Zij moeten over ieder hoofdstuk ondervraagd warden en antwoord geven. Indien er iets is, dat zij nog niet goed begrijpen, moeten zij verder onderwezen worden. Dat kan ook dienen tot opscherping der ouders en het kan de Kerk tot zegen zijn.
[Wordt voortgezet.]

VERWARRING VAN BEGRIPPEN
V.

Uit een No. van „De Reformatie", ons toegezonden, blijkt het, dat prof. Schilder ietwat boos op ons is, omdat, zooals hij zegt, wij niet hebben begrepen, of althans niet hebben weergegeven wat hij in zijn lezing gezegd en bedoeld heeft.
En hij voegt er aan toe, dat hij méér dan één lezing over „De Doleantie" heeft gehouden, die niet dezelfde lezing was.
Wij zouden graag willen, dat prof. Schilder niet boos werd. Wat hebben we daar nu aan ? Niets ! t Is ook volstrekt niet noodig. Want de zaak staat zoo eenvoudig. Wij hebben het niet gehad over verschillende lezingen van prof. Schilder. Want die hebben wij niet gehoord, ook niet gelezen. Wij hebben slechts uit een couranten-verslag, gaande over één lezing, een paar zinnen letterlijk overgenomen en er toen wat van geschreven. En die zinnen kwamen hierop neer, dat wij. Gereformeerden in de Hervormde Kerk, beste brave menschen kunnen zijn en hard kunnen werken misschien aan allerlei goeds, maar dat we eigenlijk toch dan maar gehoorzaam zijn aan Gods stem, als we dadelijk de Hervormde Kerk loslaten. En in de Haarlemsche Geref. Kerkbode is de Geref. predikant-redacteur zoo vriendelijk om te schrijven: „De Waarheidsvriend" schijnt prof. Schilder niet goed begrepen te hebben. Mogen wij 't dan eens met één woord uitroepen wat u, Gereformeerden in de Hervormde Kerk, te doen staat : Gehoorzamen !!
Laat ons hierover nu maar niet al te veel praten, want we weten van elkaar toch wel, dat men in de Gereformeerde Kerken „gehoorzamen" hier opvat, gelijk aan „vertrekken". En dat willen we niet! En dat doen we niet!
Omdat we de Ned. Hervormde Kerk in haar geschiedenis nemen. En omdat we met Groen zeggen : die alles onvoorzichtig en overhaast wil doen in de Hervormde Kerk die bederft meer dan dat hij goed maakt. Enz.
Wonderlijke menschen zijn wij. Net zoo wonderlijk als Groen in deze was.
We kunnen o! zooveel voelen voor den belijdenisstrijd ook van de broeders van 1834, bij de Afscheiding, en toch zeggen we met Groen : broeders, gij doet verkeerd en wij volgen u niet!
En als men zei aan 't adres van Groen: gij moet gehoorzamen, gehoorzamen aan God ! Dan zei Groen: dat begeer ik ook, maar op een andere manier dan gij. En Groen dorst er bij te zeggen : zooals gij het doet, wensch ik het niet te doen. Zoo zijn wij óók.
Of Groen dan niet de diepe, diepe ellende voelde van de Kerk ?
Honderd uitspraken van Groen zijn er achter elkaar te noemen ten bewijs, dat Groen de ellende van 'de Hervormde Kerk diep, heel diep voelde. En toch wilde hij niet weggaan. Hij dacht er niet aan door allerlei geforceerde handelingen „het Synodale juk af te werpen" Breken wilde hij niet. Ernstig waarschuwde hij er tegen. Men kon zóó den vijand alleen in de kaart spelen, 't Kon de krachten van de Vrienden der Waarheid alleen maar verzwakken, 't Kon de Ned. Hervormde Kerk alleen maar schade berokkenen !
Sterke uitdrukkingen gebruikte Groen telkens. Hij sprak van ingekerkerde Kerk; van Staatscreatuur ; van Kerk zonder belijdenis, enz. „Als Kerk geen leer te hebben, is de leer — bijkans had ik gezegd : de eer — der Nederlandsche Hervormde Kerk. Als Kerk niet te gelooven, haar geloof. Zij belijdt alleen, dat ze niets belijdt". Aldus Groen.
Is dat niet sterk ? Dan is de Ned. Hervormde Kerk toch geen Kerk meer ! Dan moet ieder, die het wél meent met de belijdenis, die geloof-en belijdenislooze Kerk verlaten ! Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de menschen ! Enz. Dat kon men zeggen aan 't adres van Groen En men heeft het ook gezegd. En flink ook !
Maar dan was Groen zoo verstandig, om z'n eigen woorden op de juiste waarde te schatten en telkens weer te zeggen : maar het Genootschap is de Hervormde Kerk niet! De Synodale Besturenorganisatie is de Ned. Hervormde Kerk niet! Enz. Enz.
Met Groen hebben velen zóó gesproken. En ze zijn niet ontrouw geweest aan hun eigen woorden. Ze hebben niet, als 't er op aankwam, hun woorden weer teruggenomen. Ze hebben niet zelf krachteloos gemaakt wat ze gezegd en geschreven hadden. Dat is wel 't verwijt geweest, gelijk dat verwijt nóg wel wordt gehoord. Men zegt dan : „veel woorden, maar weinig of geen daden ; enz. enz." (dan 't nu maar zacht te zeggen). Maar dan is men er toch naast. Want onze gehoorzaamheid, gelijk bij Groen, bestaat hierin, dat we blijven op de erve der Vaderen, in 't midden van de Ned. Hervormde Kerk, wier geschiedenis onze geschiedenis is, wier schuld onze schuld is.
Van „afwerpen van het Synodale juk" door allerlei geforceerd e daden en kunstig in elkaar gezette plannen willen wij niets weten. Wij willen de Kerkstrijd voor Waarheid en recht. En dan zeggen we met Groen : „de Hervormde Kerk heeft geen belijdenis, enz.", maar tegelijk: „de Hervormde Kerk heeft wèl een belijdenis, enz.". En het eerste is het onrecht en het geweld, dat haar aangedaan wordt. Het tweede is haar recht en het is naar waarheid !
Of we dan niet weten, dat Groen telkens moedeloos werd en soms met andere plannen rondliep en andere leuzen deed hooren ? Ja, we weten, dat Groen (en 't is waarlijk geen wonder) bij tijden de moed liet zakken en geen hoop meer scheen te hebben. De Schoolstrijd en de Kerkstrijd hebben hem, den kloeken geloofsheld en den vurigen strijder voor recht en waarheid, telkens zóó afgemat, dat hij geneigd scheen het roer om te werpen. Hij had ook bij tijden rust noodig om weer op kracht te komen. Maar het ideaal van Groen heeft hij te dikwijls en te duidelijk geteekend, omschreven, bepleit, verdedigd, verklaard en toegelicht, dat we daaromtrent niet in het onzekere behoeven te verkeeren. En dan staat het voor ons vast, dat Groen „de Kerk des ongeloofs", „het gouvernementeel en reglementair Kerkgenootschap, waar het Evangelie — voor hoelang nog ? — door het ongeloof getolereerd wordt" enz. enz., niet wilde verlaten en dat hij het zijn vrienden van de Afscheiding geenszins in dank heeft afgenomen, dat zij mee door hun veelszins een-zijdig drijven van de Hervormde Kerk zijn losgescheurd.
We moeten weer opkomen voor de Kerk in „het Kerkgenootschap", voor de belijdenis in „de belijdenislooze Kerk".
Want de Hervormde Kerk is geen Kerkgenootschap.
We Hervormde Kerk is geen belijdenis-Iooze Kerk.
En die dat van haar maken willen, plegen onrecht, vergrijpen zich aan haar op de meest fatale manier. Waartegenover niet moet komen staan : weggaan of laten uitbannen.
Neen ! Wij hebben den Kerkstrijd te strijden, zooals wij dien gestreden hebben en nog verder zullen moeten strijden, opkomend voor de belijdenis, opkomend voor het recht der Hervormde Kerk, strijdend voor Waarheid en recht!

HET DRUKFOUTEN-DUIVELTJE
Met dat kleine, venijnige kereltje, dat vanouds zich in elke drukkerij een geheimzinnig plaatsje heeft weten te veroveren, kan men op een gegeven oogenblik veel verdriet beleven.
Dat hebben we de vorige week weer moeten ervaren. Want verbeeldt u eens, daar schreven wij, dat een nieuwen herder en leeraar Psalm 119 : 9 was toegezongen, en wat doet nu die kleine, maar handige vijand op de drukkerij ? Die gaat er Psalm 109 : 9 van maken !
We hebben hoop, dat er velen zijn, die zoo verstandig zijn geweest om er over heen te lezen ; en er gelukkig geen erg in gehad hebben. Wat men niet weet, deert het hart niet.
Maar er zijn er natuurlijk ook, die het wèl gezien hebben. En we kunnen ons voorstellen, dat de schrik hun om 't hart geslagen is, toen zij hun psalm-boek opsloegen en Psalm 109 : 9 lazen !
Wat een booswicht van een dominee moet dat geweest zijn ! En dan nog zoo jong !
Laat men echter gerust zijn. Het was juist een bij uitstek beste, brave jonge man ; en we hebben vrijmoedigheid de gemeente er hartelijk mee geluk te wenschen ! God zegene hem rijkelijk in zijn pas begonnen loopbaan.
Hebt ge intusschen Psalm 109 : 9 al opgezocht ?
We willen het u makkelijk maken, 't Psalm vers luidt:
Omdat hij, tegen zijn geweten, Het weldoen trouw'loos heeft vergeten, En den ellendigen en armen Vervolgd, in plaats van zich t' erbarmen ; Ja, den verslagene van geest is tot een moordenaar geweest.
Is het niet verschrikkelijk ! En dan moet men zoo'n vers heelemaal niet verdiend hebben !
Geen mensch in de gemeente heeft er dan ook aan gedacht om zóó den leeraar te begroeten. Integendeel.
Dankbaar en Wij, ernstig en innig heeft men gezongen :
Doe bij Uw knecht weldadigheid o Heer ! Opdat hij leev', Uw woorden moog' bewaren, En dat Uw Geest hem ware wijsheid leer'. Zijn oog verlicht, de nevels op doe klaren ; Dat zijne ziel de wond'ren zie en eer die in Uw wet alom zich openbaren.
De Heere verhoore die welgemeende bede genadiglijk!
Intusschen zullen we strenger nog op dat drukfoutenduiveltje toezien. Van wien we — ieder zal het grif toestemmen — in ons Bondsblad overigens weinig of geen last hebben. Ter drukkerij dut men niet, maar wordt de waakzaamheid betracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's