De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

11 minuten leestijd

Het verbond der genade en der verkiezing.
Op de verbinding van verbond en verkiezing moeten wij nader ingaan, omdat ds. Kersten allen, die van zijn formuleering afwijken, schijnt te verdenken van een doorsnijden van den band tusschen deze beide. Wij willen echter deze band allerminst doorsnijden, maar op een andere wijze gelegd zien, dan hij doet.
In de bekende Synodale verklaring leest men onder a : dat het verbond der genade staat onder de beheersching van de uitverkiezing tot zaligheid, dat het wezen des verbonds daarom alleen geldt den uitverkoornen Gods en nooit gelden kan het natuurlijk zaad. Onder d. lezen we, nadat de oprichting van het verbond der genade met Christus als het vertegenwoordigend Hoofd der Zijnen is vermeld, dat dit verbond subjectief wordt opgericht met de uitverkorenen, als zij door wedergeboorte en geloof in den tijd in dat Verbond worden ingelijfd.
In zijn bestrijding van ds. Jongeleen zegt ds. Kersten nog eens duidelijk, dat hij het eens is met die theologen, die zeggen, dat het verbond der genade met de uitverkorenen is opgericht en niet met het natuurlijk zaad van Israël.
Om het volkomen niets-zeggende van dergelijke verklaringen in het licht te stellen, want het zijn niets dan woorden zonder zin, kunnen wij het beste eerst positief den band aanwijzen tusschen verbond en verkiezing, of liever tusschen verkiezing en verbond, want de verkiezing behoort hier voorop te gaan.
De oprichting van het verbond der genade met Abraham brengt op bizondere wijze aan den dag, dat dit verbond niet van de verkiezing is los te maken. Immers waarom richt God zijn verbond juist op met Abraham en niet met een ander uit dien tijd ? Omdat Abraham daartoe uit het gansche menschelijke geslacht van God verkoren is geworden. Uit kracht der verkiezing heeft God hem geroepen uit zijn. vaderland en maagschap en vaderhuis, opdat Hij zijn verbond met Abraham zou oprichten.
In den verbondsband vinden wij dus op treffende wijze terug, wat wij ook bij den huwelijksband aantreffen. Immers een man ontmoet vele vrouwen, maar uit alle die kiest hij er één uit om met haar in huwelijksverbond te treden. Zooals de huwelijksband gelegd wordt uit kracht van de verkiezing, waarmede de man zijn vrouw heeft gekozen, zoo hebben wij ook het verbond, waardoor God zich aan zijn volk verbindt, te zien als opspruitende uit de verkiezing, waarmee Hij hen eerst heeft verkoren.
Hier zal ook ongetwijfeld de reden liggen waarom het verbond der genade, schoon na den val met den gevallen mensch opgericht nog voordat hij uit het paradijs is verdreven, nochtans in zijn naamgeving en klare beduidenis eerst in de geschiedenis van Abraham aan den dag treedt. Het behoort ons duidelijk te zijn, dat het verbond der genade na den val niet een volkomen natuurlijke zaak is, .dat het ook volstrekt niet met heel de menschheid als zoodanig is opgericht, maar dat God zich een volk uit de wereld heeft verkoren en geroepen, wet wie Hij zijn verbond opricht. Het is waarlijk een verbond der genade. Geen natuurlijke betrekking lijft ons in dit verbond in, maar alleen vrijmachtige genade doet ons in dit verbond opnemen.
Als dan ook op den Pinksterdag Petrus tot de Joodsche gemeente voor hem van de belofte des nieuwen verbonds zegt: u komt de belofte toe en uwe kinderen, dan voegt hij daar niet aan toe : en alle heidenen, maar : zoovelen als er de Heere onze God toe roepen zal. Onder de nieuwe bedeeling worden ook de heidenen in het verbond ingelijfd, maar niet dan nadat zij door Gods verkiezende genade daartoe geroepen zijn. En door deze vrijmachtige verkiezing wordt het ééne volk eerder tot de gemeenschap des verbonds geroepen dan het ander.
Zonder eenige aarzeling en met alle nadruk leggen wij dus de verkiezing ten grondslag aan het verbond der genade.
Het zou mij gansch niet verwonderen, indien er thans onder onze lezers waren, die met verwondering zich afvragen, waar dan nu het verschil met ds. Kersten blijft, waarop wij aan het begin van dit artikel wezen. Niet verwonderen doet mij dat, omdat als een man als ds. Kersten, die les geeft aan de Theologische School, het zin-Iedige van dergelijke uitdrukkingen niet gevoelt, eenvoudige menschen niet verondersteld kunnen worden onmiddellijk het tekort aan zin in deze woorden te ontdekken.
De zaak is deze. In zijn eeuwige verkiezing heeft God zich een volk ten eigendom verkoren en besloot een verbond der genade met hen aan te gaan, opdat zij krachtens dit verbond in zijn gemeenschap zouden worden opgenomen om Hem in de eeuwige zaligheid te loven en te prijzen.
Nu komt de vraag, met wie God zijn verbond heeft opgericht. Daarop antwoordt ds. Kersten en tal van theologen met hem : met de uitverkorenen. Maar dit is eenvoudig een ontloopen van de vraag, in plaats van een beantwoording. Een eenvoudig voorbeeld zal dat duidelijk maken. De meester op school zegt tot een bezoeker, die de klasse komt inspecteeren : ik heb enkele kinderen, die niet goed meekonden, een klasse verlaagd. De vraagt komt nu: wie zijn die kinderen ? En nu zegt de meester : enkele, die niet meekonden. Gevoelt ge nu niet, hoe dit antwoord geen antwoord is op de vraag, die werd gesteld ? En dat de man, die de vraag stelde, naar aanleiding van de bepaalde mededeeling door het antwoord niets en niets wijzer is geworden ? Dat wist hij al door de mededeeling van den meester, dat enkele achterlijke kinderen waren verlaagd. De vraag, naar aanleiding van die mededeeling gedaan, is echter door den meester niet beantwoord dan met woorden, die bedoelen datgene, waar het om gaat, te laten rusten en aan alle nader onderzoek te onttrekken.
Zoo is het nu ook, als ik begin — en hier moeten wij toch beginnen — te zeggen, dat God in zijn eeuwige vredesraad zich een volk ten eigendom verkoren heeft en besloten heeft met dit volk een verbond op te richten. Wie dan naar aanleiding van deze waarheid vraagt, met wie God zijn vertoond opricht en dan ten antwoord krijgt: met zijn uitverkorenen, wordt met een kluitje in het riet gestuurd en met een nietszeggend antwoord — nietszeggend in dit verband — misleid, opdat hij de vragen, waar het hier om gaat, zal loslaten. Zij, die dit antwoord geven, zijn namelijk bevreesd voor deze vragen, bevreesd voor een nader onderzoek van deze kwestie, omdat dan de gebreken van hun theologisch stelsel als groote barsten in een vaas zich vertoonen.
In den Heid. Catechismus wordt na de bespreking van den Middelaar, die van God gegeven is tot een volkomen verlossing, de vraag gesteld, of dan alle menschen wederom door dezen Middelaar zalig worden, gelijk zij allen door Adam verdoemd zijn. De Catechismus antwoordt op die vraag niet: neen, alleen de uitverkorenen worden zalig, maar : alleen die Hem door een oprecht geloof worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen. Want ge gevoelt onmiddellijk, dat als in dit antwoord enkel gesproken was van de uitverkorenen, die door dezen Middelaar zalig worden, dat antwoord niet foutief zou zijn geweest, maar in dit verband volkomen nietszeggend.
Om het redebeleid van, den Catechismus te verstaan, moet men even terug gaan tot de eerste vraag van de vijfde Zondagsafdeeling : Aangezien wij naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf hebben verdiend, is er eenig middel, waardoor wij deze straf kunnen ontgaan en wederom tot genade komen ? Deze vraag laat zien, dat de leerling in zijn vragen door een heilbegeerig verlangen wordt gedreven. Welnu, dat verlangen ligt ook ten grondslag aan de vraag, of alle menschen wederom door den Middelaar zalig worden, gelijk zij allen in Adam verdoemd worden. Want als er verlossing is door den Middelaar, dan wil een heilbegeerig hart weten, of men deel kan krijgen aan deze verlossing en hoe men daaraan deel ontvangt. Duidelijk is daardoor tevens, dat het antwoord, dat alleen de uitverkorenen door den Middelaar zalig worden, voor zulk een heilbegeerig hart totaal onbevredigend zou zijn, omdat de weg des levens door dit antwoord verborgen wordt in plaats van geopenbaard.
Precies nu zoo staat het ook met het verbond. Gelijk er geen zaligheid is dan door den Middelaar, zoo is er ook geen behoudenis dan in het verbond, dat God van den hemel uit genade weder met den mensch heeft opgericht. Hierdoor wordt de vraag, met wie God zijn verbond heeft opgericht, van zoo ontzaglijk groote beteekenis, want het antwoord op die 'vraag openbaart, of er ook voor mij nog behoudenis mogelijk is. Door in dit verband, te spreken van de uitverkorenen, slaat men het heilbegeerig verlangen van een verlegen zondaar tegen den grond en noodzaakt men hem naar kenmerken te zoeken, of hij mogelijk ook tot die uitverkorenen kan worden gerekend. Wie ooit de Institutie van Calvijn heeft gelezen, weet, dat deze hervormer — en van de andere kan dit evengoed worden gezegd — er nooit aan gedacht heeft om op die wijze de christenen van het kastje naar den muur te sturen en het Evangelie achter dergelijke antwoorden schuil te doen gaan.
Ook op andere wijze kan het verkeerde van de uitdrukking, dat God Zijn verbond met de uitverkorenen opricht, worden aangetoond. Men heeft zich daartoe maar even duidelijk af te vragen, wat met oprichten bedoeld wordt. En dan is het toch uit heel het redebeleid en uit den zin van het woord klaar, dat hiermede bedoeld wordt een daad Gods in den tijd.
Als God Zijn verbond met Abraham opricht, hebben wij daar niet te doen met een toesluit van den eeuwigen God, zoodat het oprichten van het verbond hetzelfde zou zijn als het nemen van een besluit tot oprichting van het verbond. In Zijn eeuwigen vredesraad heeft God van den hemel besloten Zijn verbond op te richten met Abraham en allen, die Hij ten leven had verkoren, maar in den tijd volvoert Hij dat besluit en het is de volvoering van dat eeuwige besluit, als ons gemeld wordt, dat God daadwerkelijk Zijn vertoond met Abraham opricht.
Nu behoort het duidelijk voor ons te staan, dat, als wij van de uitverkorenen spreken, wij spreken van hen, die in het besluit der eeuwige verkiezing een plaats hebben. Van eeuwigheid af zijn zij door Hem gekend. Wanneer God echter er toe overgaat om in den tijd deze zijn uitverkorenen te roepen uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht, spreekt Hij hen niet aan als zijn uitverkorenen, maar Hij roept ze bij name, opdat zij goed zullen weten, dat het Woord niet de een of andere uitverkorene geldt, maar dat het Woord Gods hen Abraham, Samuel, David, Pieter, Klaas en hoe zij meer heeten, geldt. De Schrift zegt niet, dat God zijn verbond met een uitverkorene oprichtte, maar dat God het oprichtte met Abraham, met dien concreten persoon, die aan al zijn tijdgenooten bekend is en onder hen als Abraham omwandelt.
Wij mogen de oprichting des verbonds door God den Heere niet laten zweven boven de hoofden der menschen, gelijk men doet, als men spreekt van de oprichting des verbonds met de uitverkorenen, want door deze uitdrukking trekt men zich altijd weer ten deele uit den tijd terug op de eeuwigheid, en laat men het verbond weer in het eeuwige besluit wegzinken. Nagenoeg onbereikbaar wordt het dan voor de menschen, die zichzelf niet kennen zooals zij in Gods besluit voorkomen, maar die zich slechts kennen, zooals zij in de concrete werkelijkheid van deze gevallen wereld een plaats hebben.
Als God zijn verbond opricht, hebben wij te doen met de doorbraak van de eeuwigheid in den tijd, d.i. met de openbaring Gods aan een mensch, zooals hij hier in al zijn zonde en schuld voor Gods aangezicht staat. Als God zijn verbond met Abraham opricht, keert Hij zich tot dien mensch van vleesch en bloed, die Abraham heet en legt de hand op hem en zegt: Ik 'ben uw God. En Abraham weet het van dien tijd af, dat God met hem in een verbond is getreden en alle menschen kunnen het voortaan weten, want Abraham draagt een zichtbaar teeken van deze verbondsbetrekking voortaan in zijn vleesch.
Wanneer op de vraag, met wie God zijn verbond opricht, geen concreet antwoord was te geven, zou noch de Kerk des ouden noch de Kerk des nieuwen verbonds met vrijmoedigheid het teeken des verbonds hebben .kunnen toedienen, tenzij dat God haar in zijn besluit had laten inblikken, waardoor zij wist, wie die verkorenen waren, die in het verbond behoorden te worden opgenomen.
Hoe ijdel en nietig die verklaring is, met welke ds. Kersten deze bezwaren uit den weg tracht te ruimen, zullen wij in een volgend artikel zien.
O. a/d IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's