WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT
Dalend geboortecijfer.
De oud-hoogleeraar dtr. C. A. Verrijn Stuart is toch wel eenigszins onder den indruk van de belangrijke daling der geboortecijfers in de laatste jaren.
De liberale econoom vindt het eenerzijds wel „verheugend", dat er een „rationalisatie" van den gezinsomvang in breede kringen is ingetreden. Maar, zoo schrijft hij in „Het Handelsblad", »wie het voortbestaan van ons volk ter harte gaat, moet toch wenschen, dat de daling van het geboortecijfer eerlang tot staan komt en vooral, dat met het twee-kinderstelsel wordt gebroken".
Ja, binnen een kwart eeuw zullen, als het zóó voortgaat, geboorte-en sterfte-cijfers elkander snijden. Het gaat met de geboorten vrij snel achteruit. Reeds nu ziet men, dat het twee-kinderstelsel zelfs al meer wordt vervangen door het een-of geen kinderstelsel. Vooral in de groote steden. En de sterfte moet eerlang toenemen.
De wensch van den liberalen econoom, die over het bevolkingsvraagstuk principieel gansch anders denkt dan wij, is begrijpelijk.
Maar wij vreezen, dat hij niet worden. vervuld zal
Men heeft den mensch autonoom verklaard — ook in zijn huwelijksleven. Van hooger gebod was hij vrij.
De gevolgen zullen niet uitblijven. Naarmate de ontkerstening toeneemt, zal ook het geboortecijfer dalen. Slechts in onderwerping aan Gods geboden ligt het behoud — ook van ons volksbestaan. [De Standaard.]
Een oude herinnering.
Nu ik dit schrijf, is het 3 Maart 1936. Dat wil voor mij zeggen, dat ik een halve eeuw geleden voorstel deed. Sindsdien heb ik meer dan tweeduizend maal gepreekt, maar op 3 Maart 1886 was het voor den eersten keer. Ik weet niet, of anderen er ook zoo over denken, maar voor mij is de dag van het voorstel een belangrijke datum. En ik wil er iets over zeggen in dit blad, omdat ik het aan Doetinchem te danken heb, dat deze datum in mijn leven is voorgekomen. Ik schaam mij niet Dijkiaan te zijn, maar stel er een eer in.
Evenals de andere Hervormde theologen aan de Gem. Universiteit te Amsterdam, deed ik mijn voorstel in de English Reformed Church op het Bagijnhof, en wel over Lucas 7 vers 11—17, onder voorzitting van prof. dr. J. H. Gunning Jr. Eén bijzonderheid herinner ik mij levendig : bij de voorafgaande bespreking klaagde ik mijn nood aan den hoogleeraar, dat ik twee volle dagen over mijn preek gewerkt had en vroeg ik, hoe het dan toch wel gaan moest in de gemeente, als ik iedere week voor twee preeken moest zorgen. Hij antwoordde : „Mijn jonge vriend, gij kent den naam van Adolphe Monod, den beroemden Parijschen predikant. Hij preekte slechts eenmaal in de maand, maar dat was steeds een evenement, en tout Paris maakte zich op naar het Oratoire om hem te hooren. Een trouwe hoorderes zeide eens tot hem, dat zij wel heel veel aan zijn laatste preek had gehad, maar toch den indruk had gekregen, dat hij aan de voorbereiding minder moeite had besteed dan hij gewoon was bij zijn kanselarbeid. Monod antwoordde : uw indruk is juist; over deze preek had ik maar veertien dagen gedaan." En daarmede kon ik naar huis gaan.
Ik heb een voorstel altijd als een preek beschouwd, en als zoodanig beoordeeld. Ik weet natuurlijk wel, dat het gehoor een heel ander is dan in een samenkomst der gemeente; ik weet, dat er wel iets te zeggen is voor de andere beschouwing, dat de student aan zijn medestudenten het resultaat van zijn studie, zijn wereld-en levensvisie mededeelt, maar ik leg er toch allen nadruk op, dat het voorstel den toegang opent tot de kansels der gemeenten, in dien geest heb ik dan ook altijd gesproken bij de vele voorstellen, waarbij Ik in Leiden .als voorzitter had te functioneeren gedurende de 25 jaren van mijn kerkelijk professoraat.
Bij het uitspreken van mijn judicium heb ik nog wel eens gebruik gemaakt van Maclaren's novelle over den ongelukkigen proefprediker, die maar geen beroep kon krijgen en het toch in zijn financieele positie zoo dringend noodig had. Anderen, die veel minder waren dan hij, werden beroepen op schitterende aanbevelingen van een beroemd prediker, die gaarne als promotor optrad, zelfs van wie hij volstrekt niet kende. Onze candidaat kon ook zoo'n aanbeveling krijgen, maar weigerde er gebruik van te maken. Het gevolg was, dat de beroepen uitbleven. Maclaren doet ons tegenwoordig zijn bij zijn sterfbed. In zijn ijlende koorts ligt hij te preeken, houdt plotseling op, vestigt zijn blik op een onzichtbaren, en roept, verbaasd, verschrikt het uit: Gij, Heer, Gij hier ! Bij mij in de Kerk ?
Laat iedere prediker, bij zijn voorstel, bij al zijn preeken denken aan dien onzichtbaren Hoorder! Dat kan bewaren voor veel kwaads; dat kan de weg zijn tot grooten zegen! leiden.
H.M. van Nes
(Doet. Weekblad).
Een pleidooi voor geestelijken dwang.
De nationaal-socialisten hier te lande doen het wel eens voorkomen, alsof zij anders zijn dan de nationaal-socialisten in Duitschland.
Maar zij zijn heusch trouwe navolgers.
Zoo hebben zij blijkbaar in de afdeelingen van de Eerste Kamer het pleit gevoerd voor èène „nationale" jeugdorganisatie, in den geest van de Duitsche „Hitler-Jugend".
De Minister van Onderwijs geeft dit passende bescheid :
„Hij verzet zich met klem tegen de stelling, dat na het verlaten van de school de opvoeding tot staatsburger door den Staat moet worden voortgezet in ééne nationale jeugdvereeniging. De Staat heeft hier hetzij geen taak, hetzij een taak in samenwerking met andere grootheden ; in geen geval is hij al-bevoegd en alleen-bevoegd. Het komt hem zeker niet toe te dwingen tot het lidmaatschap van één enkele nationale jeugdvereeniging — daargelaten, dat de aanduiding „nationale" in dit verband zonderling aandoet, omdat in zulk een jeugdvereeniging een aantal geestelijke goederen, die sinds eeuwen nationaal bezit zijn, niet tot hun recht mogen komen."
Heel juist!
Kostellijk is ook dit ministerieeie antwoord : „Met groote voldoening constateert de ondergeteekende overigens, dat de hier aan het woordzijnde leden welwillend genoeg zijn om aan de ouders te blijven toestaan, dat hun kinderen verder lid zijn van een confessioneele jeugdvereeniging. Dat deze welwillendheid — evenals die om de bijzondere scholen te laten voortbestaan — 'n ernstige inconsequentie is, aangezien aldus de splijtzwam van den godsdienst toch nog in het volkslichaam blijft werken, vermindert niet de blijdschap van den ondergeteekende, dat aldus althans nog enkele deelen geestelijke vrijheden worden bewaard".
Er is hier wel reden voor ironie. Men ziet intusschen in Duitschland, dat de „welwillendeheid" tegenover „confessioneele" jeugdvereenigingen, die dan geen inleidingen meer mogen houden over staatkundige of maatschappelijke beginselen, niet al te lang duurt. Zooals ook de „welwillendheid" tegenover bijzondere scholen, als men er de kans toe ziet, heel spoedig plaats maakt voor een verbod. Via de Hitlerjugend poogt men de jeugd te ontkerstenen.
(De Standaard).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's