De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

PASCHEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PASCHEN

10 minuten leestijd

Handelingen 1 : 22b : met ons getuige worde van Zijne opstanding

Handelingen 1 : 22b : met ons getuige worde van Zijne opstand­ing
Van Paschen ging de eeuwen door eene machtige bekoring uit, want het getuigt van de overwinning over de macht des doods, van al wat de wereld neerwierp in donkerheid en lijden. Op Paschen weerklinkt het bazuingeschal van den Heraut des tevens in het dal der dooden. Het verkondigt ons, dat niet de dood het laatste woord spreekt, doch dat over onze graven ruischen mag het lied des levens, het „ontwaakt gij, die slaapt, en staat op uit de dooden, want Christus zal over u lichten". Daarom is Paschen zulk een schoon feest, omdat het moed geeft aan den moedelooze, hope aan den hopelooze en den vrede uitroept dengenen, die den Levensvorst ontmoeten als den Heere onze gerechtigheid.
Zoo iets de heerschappij der Kruises heeft bevestigd, dan is het de Paaschvreugde, die in den jubelzang openbaar werd : „de Heere is waarlijk opgestaan !" Eenmaal ruischte het voor het eerst over de groote gebieden, die het Romeinsche rijk omvatte, toen de oude wereld, over het glanspunt harer historische ontwikkeling heengestegen, wegzonk in verwording, in hopeloozen, uitzichtloozen nacht. Toen heerschte er ook eene crisis en werd hetgeen tallooze geslachten, eeuw in, eeuw uit, hadden opgebouwd, geworpen in een smeltkroes, waarin het profetische woord werd vervuld : „Gij doet ons smelten door middel onzer ongerechtigheden". Duister was de kracht en diep het leed en millioenen zagen uit naar redding uit de nooden eener ondergaande wereld. Juist, zooals het thans onder de volkeren het geval is, die groot en machtig en rijk en weeldevol geworden, niet willen bukken onder de Woorden onzes Gods. En toen de nood, ten toppunt was gestegen, toen stond de Levensvorst op, toen sprak Hij het Woord der verlossing, ontsloot Hij in den nacht der duisternis het eeuwig licht, zoodat een nieuwe dag rees boven de kimme en de volken werden opgewekt en met vreugde des levens vervuld. Want zij ervaarden de kracht Zijner opstanding, die wonderen deed voor hunne oogen in en door de discipelen des Heeren, door de gemeente, die geroepen werd uit de duisternis van den nacht der tijden tot het wonderbare licht. Ja, van den verrezen Heiland en van zijne jonge, reine, heilige uitverkoren Kerk, is een wondere kracht uitgegaan ! Daarin was eenmaal de redding, daarin kan in onze dagen nóg alleen de redding zijn. Wat wij behoeven in dezen tijd, nu de uitgieting der zonde in stroomen het bloed doet vloeien, nu de oorlogen er zijn, nu de geruchten van oorlogen rondwaren, dat andermaal de Heere Jezus gekend wordt in de kracht Zijner opstanding. Eigenlijk behoeven wij alleen dit ééne, is dit ééne alleen maar noodig, ook al is dit ééne juist hetgeen de wereld niet wil.
Inderdaad, de Heere Jezus is het waarachtige licht, hetwelk verlicht een iegelijk mensch, komende in de wereld, ook al geldt het van die wereld, dat zij Hem niet heeft gekend, niet kennen wil. Eenmaal heeft Hij overwonnen, eenmaal het Kruis geplant als het teeken des levens, den volken de blijde mare doen hooren, en ook op de lippen gelegd: „de Heere is waarlijk opgestaan !" En wat Hij eenmaal vermocht, dat vermag Hij nog. Weinige discipelen zijn uitgegaan, waren getuigen Zijner opstanding, maar die weinigen Waren gedragen door de kracht van den Heiligen Geest. En die Geest is onwederstandelijk, want Hij kan spreken om het te doen zijn, gebieden om het in het aanzijn te roepen. Hij maakt de mare der verrijzenis tot een levensdaad, brengt de dooden tot het leven, zoodat zij Zijne stemme hooren. En daarom, als wij iets behoeven, dan zeker, dat zijn Heilige Geest wederom, aanblaze van de vier hoeken om in onze doodsbeenderen het nieuwe leven te scheppen, opdat er weer een volk zij, dat te midden der wereld den jubelzang aanheffe : „Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, die naar Zijne groote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot eene levende hope door de opstanding van JezusChristus uit de dooden !"
Zoo ooit, dan is er nu in onze dagen behoefte aan vernieuwing des levens, aan geloof en bekeering, aan wederkeer tot Hem, nu de geschiedenis van den dag ons leert, hoe de volkeren terugzinken in den afgrond van een heidendom, waaruit zij door Christus eenmaal waren verlost. Hoe weinig is er nog van te speuren, als wij de diepe tegenstellingen indenken, die de vijandschap onder de volken wekten, zoodat andermaal stroomen bloeds worden vergoten en geruchten van nieuwe, nog geweldiger oorlogen, opdoemen van verre en nabij. Wie indenkt, hoe deze moderne Westersche menschheid, die eenmaal gedoopt werd in Christus' Naam, zich heeft ontwikkeld tot een in menig opzicht anti-goddelijke macht, die moet ontroerd staan bij de vraag, hoe lang er nog van een openlijk te vieren Paschen sprake zal zijn. Het is een wonder, dat het onder ons nog gevierd .mag worden, dat wij nog mogen gedenken den Kruistriumph van Vorst Messias, terwijl wij weten, dat aan millioenen, die voorheen een Paaschfeest vierden en op den morgen van dien dag elkander omhelsden onder den blijden uitroep : „De Heere is waarlijk opgestaan !", dit niet meer geoorloofd is. Zoo was het voorheen m het zich heilig noemend Rusland, dat nu geestelijk dreigt te sterven in den doodelijken greep eener niets ontziende tyrannie, die dronken is van het bloed der heilige getuigen van Jezus. Nog is hier onder ons de vrijheid om Paschen te vieren. Maar wat daar geschied is, geldt als een waarschuwend teeken van hetgeen ook hier kan komen, van hetgeen ten laatste de gansche wereld bedreigt.
Wie den toestand van Europa zich voor den geest stelt, die staat ontroerd over den nacht van duisternis, die wederom is gedaald, waar eeuwen lang het Licht der wereld zijne stralen uitzond om leven te wekken en liefde en de verkwikking van levenstroost te bieden aan de amechtige zielen. Het zou van zoo groot belang zijn, indien wij wederom waarachtig doordrongen waren van den ernst des tijds en wij ons niet slechts bepaalden tot holle woorden, die veelal niet meer dan ledige klanken zijn, maar de nood ons uitdreef om het aangezicht des Heeren te zoeken, met Hem te worstelen om de hernieuwde daden der genade, om. openbaring van verfrisschende levenskracht. Het is daarom noodig op dit Paaschfeest te gedenken aan de laatste woorden, die de verrezen Heiland heeft gesproken tot de zijnen. Och, ook de discipelen waren, evenals wij, vaak kleinmoedig, want zij stonden ook in eene donkere wereld en zij wilden koninklijke daden en machtige openbaringen zien. En zoo stonden zij met de vraag voor den verheerlijkten Jezus, dien zij hadden zien sterven, doch wien zij ook in Zijne opstanding hadden ontmoet: „Heere, zult Gij in dezen tijd aan Israël het Koninkrijk weder oprichten ? " Naar krachtsopenbaring in aardsche glorie ging hun begeeren uit. Zooals Israël onder David's glorie eenmaal groot was, zoo wilden zij het andermaal zien, zooals ook wij dikwijls uitzien naar voorbijgegane eeuwen, waarin Gods Kerk zich machtig openbaarde, een heerschappij had over de volken en dan staan met de begeerte naar herleving van de glorie dier voorgeslachten, van hun geloofskracht en geloofsroem. Doch de Heere Jezus heeft over dat alles hun niets te zeggen. Het kwam hun niet toe, dingen te vragen, die „de Vader in zijne eigene macht, gesteld heeft". En zoo komt het ook ons ten slotte niet toe in den nacht dezer tijden al maar te staren op een verleden, dat voorbijgegaan is en al maar te begeeren naar de glorie van voorheen. Wij zullen ook moeten leeren de historie, en ook dit deel der historie, waarin wij met ons Kleine leven toetrokken zijn, te leggen in Gods Vaderhand. De Vader heeft die in zijne eigene macht gesteld. Maar diezelfde opgestane Heiland sprak hun ook van de kracht des Heiligen Geestes, die komen zou, en Hij ontsloot ook voor hun zielsoog eene nieuwe toekomst en eene geweldige levensroeping, die van de komst des Geestes de vrucht zou zijn. „Gij zult Mijne getuigen zijn", zoo sprak Hij. „Mijne getuigen", getuigen van den uit den dood herrezen Christus. Getuigen, dat beteekent : zeggen wat wij zelven gezien hebben. En wij zullen dus Hem moeten zien, gezien moeten hebben, voordat er van getuigen sprake wezen kan.
Het is dus niet genoeg, van hooren zeggen te spreken. „Wij gelooven niet meer om. uws zeggens wil", getuigden de Samaritanen, want zij hadden zelven Hem gehoord en wisten zelven, dat Hij is de Christus, de Zaligmaker. En zoo hebben ook de discipelen getuigd, omdat zij gezien hadden het Woord, dat vleesch geworden is. Den verrezen Heiland, dien zij hadden zien kruisigen, aanschouwden zij nu in Zijne heerlijkheid als den overwinnaar over dood en graf. En Hij beloofde hun den Heiligen Geest, welks kracht zij zouden ontvangen, opdat zij zouden getuigen. En als wij nu Paschen zullen vieren, dan zullen wij, als zij, ook, opdat wij van Hem getuigen kunnen. Hem eerst moeten zien met het oog des geloofs. Wij zullen met Hem gekruisigd moeten worden, met Hem ook moeten sterven en begraven worden, opdat wij, ééne plante met Hem zijnde in de gelijkmaking Zijns doods, ook eene plante met Hem zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding. Dan zullen wij den Verrezene aanschouwen. Hem zien in het aangezicht en kunnen spreken van wat God gewrocht heeft, toen Hij den Christus uit de dooden opgewekt heeft. Als Zijne opstandingskracht werd ervaren, zal er een levend getuigenis van Hem geboren worden. En juist daaraan ontbreekt het bijzonderlijk in deze donkere tijden. Van de belijders zijns Naams, van zijne Kerk onder de volken, gaat geene kracht meer uit over de massa, omdat zij niet meer getuigen kan.
Pas nog kon men in een blad als de N. Rott. Crt., naar aanleiding van Bach's Matthaüspassion, de vraag lezen, hoe het toch kwam, dat de kerken leeg waren en bleven onder den dienst des Woords, terwijl de ontroerende schoone muziek, die Jezus' lijden vertolkte, de duizenden boeide en ontroerde met klanken des Evangelies. Inderdaad, daar legt zelfs dit blad den vinger pp de wonde in het lichaam der Kerk, waaruit haar leven wegvloeit. De Heere Jezus heeft gezegd : „de kracht des Heiligen Geestes zult gij ontvangen en gij zult Mijne getuigen zijn". Dat juist ontbreekt aan de Kerk dezes tijds. Zij getuigt niet, zij kan niet getuigen, omdat zij niet meer gedragen wordt door een levend geloof, omdat zij Hem niet kent in de kracht Zijner opstanding, omdat zij de levende sprake, die van de lippen vloeit van den verheerlijkten Christus, niet meer beluistert. En als zij die niet meer beluistert, hoe zal zij getuigen ? Daarom vóór alles is ons noodig persoonlijk dat geloof deelachtig te worden, waardoor wij den Verrezene zien, met, eigen oog des geloofs, ons Hem ingelijfd weten, zoodat wij kunnen spreken van wat ons oog gezien en onze handen getast hebben van het Woord des levens. Waar dat leven opveert door de kracht des Heiligen Geestes, daar zullen wij Paschen vieren, de blijdschap des levens smaken. Dat behoeven wij allen, dat behoeft de Kerk dezer dagen. En als dat leven haar weder vermenigvuldigd wordt, dan zal zij weder hooren, welke de wil is Desgenen, die Hem gezonden heeft, en het zal worden ervaren, dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwige leven heeft. En over diens Paaschdag zal de belofte ruischen : „Ik zal hem opwekken ten uitersten dage". En alzoo opgewekt, zal Gods Kerk wederom getuigen en haar getuigenis zal waarachtig zijn, gedragen door de kracht des Heiligen Geestes, zal het wederom wonderen doen. En de Christenvolken zullen daardoor alleen opstaan uit den nacht hunner zonde en het licht des levens zien dagen van een nieuwen tijd. Daarom, dat wij op dit Paaschfeest ons voor Zijn aangezicht verootmoedigen, opdat Hij, de levende Heiland, Zich onzer ontferme en ons een Paschen bereide in de genieting van dat levende brood, dat uit den hemel is nedergedaald, want wie daarvan eet, zal niet sterven in der eeuwigheid. Die alleen zal „getuige zijn Zijner opstanding".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PASCHEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's