De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

13 minuten leestijd

CALVIJN EN DE SACRAMENTEN Over de vijf dusgenaamde Sacramenten (XIII).
Over het Sacrament van de Boete of poenitentia; ook wel het Sacrament van de Biecht geheeten.
De Oude Kerk onderhield, in de openbare poenitentia of boete dezen regel, dat degenen, die de hun opgelegde boetedoening volbracht hadden, door handoplegging in het openbaar, verzoend werden. Deze oplegging der handen was een teeken der vergeving of absolutie, waardoor de overtreder zelf in het vertrouwen van de vergeving zijner schuld versterkt werd en de gemeente vermaand om hem welwillend in genade weer op te nemen omdat de ergernis was weggenomen. Cyprianus noemt dit: „den vrede geven".
Opdat deze handeling te statiger zou wezen en bij het volk meer gezag hebben, werd verordend, dat zij altijd door den is schop geschieden moest, al nam de geestelijkheid ook vaak aan de handoplegging deel. Later is deze gewoonte in zooverre vervallen, dat men ook in stille en besloten persoonlijke vrijspraak deze ceremonie gebruikte. En hiervan heeft men nu het Sacrament van de boete (biecht) gemaakt. *)
De Roomschen willen dat met alle geweld volhouden, dat dit een Sacrament is, d.i. een uitwendige ceremonie tot versterking van ons geloof, door God ingesteld. Zij zeggen, dat de uitwendige boetedoening een Sacrament en een teeken van de inwendige boetedoening is.
Maar indien de poenitentie of boetedoeninig een Sacrament ware, zoo moest het door den Heere Zelf tot een versterking des geloofs zijn ingesteld, en dat is niet het geval. Er is hier zelfs niet eene uitwendige iichamelijke gedaante, gelijk toch in elk Sacrament het geval is. Noch bij de uitwendige, noch bij de inwendige poenitentie of boete, is er een uitwendige lichamelijke gedaante. En daarom zou men, wanneer men er dan met alle geweld een Sacrament van maken wil, dit moeten doen niet bij de poenitentie, maar bij de absolutie of vergeving, welke door den priester geschiedt ; dat is althans een uitwendige zichtbare handeling, in verband met de belofte der sleutelen.
Laat ons dus besluiten, dat de poenitentie geen Sacrament kan zijn, omdat er geen bijzondere belofte Gods voor deze zaak is (wat toch het eenige fundament van een Sacrament kan zijn). Elke ceremonie, welke hierbij gebruikt wordt, is dus een verzinsel van menschen.
Hieronymus zegt, dat de poenitentie „de tweede plank na de schipbreuk" is ; zoo iemand het kleed der onschuld, in den Doop ontvangen, door zondigen verontreinigd heeft, kan hij het door poenitentie herstellen. Hiermede doet men te kort aan de kracht van den Doop, die zelf met recht een Sacrament der Boete (of poenitentie) kan genoemd worden, omdat hij dengenen, die bekeering wenschen te oefenen, gegeven is tot bevestiging der genade en versterking des vertrouwens. Marcus 1 vers 4 ; Lukas 3 vers 3, „de Doop der bekeering tot vergeving der zonden".
Augustinus noemt den Doop een Sacrament des geloofs en der boete. En nu mogen wij van deze poenitentie of boete geen ander Sacrament maken.
Aldus Calvijn in zijn Institutie, Boek IV, hoofdst. XIX, 14—17.
Na hetgeen Calvijn hier nu gezegd heeft over het Sacrament van de Biecht of het Sacrament van de Boete, willen we het volgende nog zeggen om een meer zakelijk overzicht van dit Roomsche Sacrament te krijgen :
De Biecht is een van de zeven Sacramenten der Roomsche Kerk. De Biecht is het Sacrament, waardoor de zonden, die na den Doop bedreven zijn, vergeven worden. De priester, die daartoe door het Sacrament van de priesterwijding de bovennatuurlijke gave heeft ontvangen, treedt als rechter op en schenkt autoritair vrijspraak. Men is verplicht zich daartoe te vervoegen in de biechtstoel om met iemand, die men overigens niet kent en niet ziet, over z'n zonden te spreken. Volgens Bomie is die biecht noodzakelijk, in verband met de zonden na den Doop bedreven. De deelen der biecht zijn : berouw, belijdenis en voldoening (het verplicht doen van een aantal goede werken).
Het 4de Lateraansche Concilie (1215) eischt van ieder geloovige, die tot jaren des onderscheids gekomen is, dat hij ten minste éénmaal 's jaars al zijn zonden in het geheim aan den priester zal belijden, waarbij het Concilie van Trente als grond aangaf : Joh. 20 vers 21—24 : „Zoo gij iemands zonden vergeeft, dien worden ze vergeven, zoo gij iemands zonden houdt, dien zijn ze gehouden".
De biecht vindt geen grond in de Heilige Schrift, is een heerscher over de gewetens en leidt gemakkelijk tot allerlei ongerechtigheden. De biechtstoelpractijk staat niet in een al te beste reuk bij ons.
De Reformatie brak met het boetewezen van de Roomsche Kerk en vatte het woord boete op in den zin van berouw en bekeering. Tegenover Rome werd de nadruk gelegd op de innerlijke verandering des harten. De bekeering was in de Roomsche Kerk hoe langer hoe meer veruitwendigd, het werd het doen van allerlei opgelegde uitwendige dingen.
Onder invloed o.a. van Alexander van Hales en Petrus Lombardus werd het boetewezen ontwikkeld en door het Concilie van Florence (1439) de boete (Latijn : poenitentia) onder het zevental Sacramenten opgenomen.
In de Roomsche biechtpractijk gaat het zelden of nooit om het berouw, waarin men de zonde ziet als beleediging van God, maar om. een berouw, dat vrees is voor de straf in de hel of het vagevuur. In de biecht hoort men dan, door welke middelen men van die straf kan afkomen. Men moet dan de voldoening of poenitentie volbrengen : een boetewerk, door den biechtvader den biechteling opgelegd „tot uitboeting van tijdelijke straffen en tot hulpmiddelen tegen de zonde".
Dat is dus de boetedoening. Hieruit ontstond het stelsel van de aflaat, waardoor het boetewerk wordt kwijtgescholden.
Luther ging in zijn stellingen (31 Oct. 1517) scherp in tegen die Roomsche boete en haar schandelijke practijken, zeggende, dat, wanneer de Heere Jezus Christus zegt: „doet boete", Hij dan als Zijn wil te kennen geeft, „dat het geheele leven der geloovigen boete zal zijn".
Het ging, zoo leerde Luther, om de innerlijke boete, terwijl Rome de zielen verleidde met uitwendige dingen, voor schandelijke geldelijke voordeelen.

[Wordt voortgezet.]


*) Die oude instelling vindt Calvijn aanbevelenswaardig en de nieuwe durft hij niet scherp afkeuren, maar men bedenke wel, dat die ceremonie van de oplegging der handen door menschen, en niet door God is ingesteld.

VERWARRING VAN BEGRIPPEN
VI.
Men is dikwijls zoo geweldig, zoo pijnlijk éénzijdig in z'n beoordeeling van de Ned. Hervormde Kerk van de kant van hen, die kerkelijk gescheiden van ons leven. We weten het wel, dat er verschrikkelijk veel verkeerds en zondigs in onze Hervormde Kerk is. Maar men spreekt er dan dikwijls over in een toon, waarin geen greintje liefde gevoeld wordt en waarbij wordt vergeten en ganschelijk niet wordt beleefd, dat de geschiedenis van de Ned.. Hervormde Kerk ónze geschiedenis is. Die Kerk heeft niets gedaan, of wij hebben het gedaan. Al het hare is het ónze. Wij, wij hebben gezondigd. Beschaamdheid moet ons aangezicht dan bedekken voor God, den Heere. En door Zijne bemoeienissen en lokstemmen gelokt, moeten wij ons leeren bekeeren tot den Heere en ons leeren beijveren om saam het goede te zoeken voor die Kerk, die onze Kerk is, van den Heere ons gegeven.
Dezer dagen kwam ons nog weer eens in handen het Referaat: »Welke is onze roeping met het oog op de beweging onder de Gereformeerden in de Ned. Hervormde Kerk ? « door ds. C. Proosdij, Geref. pred. te Amsterdam, in 1897 gehouden op de Centrale Pastorale Conferentie te Utrecht.
Dat Referaat begint als volgt: »In deze 19de eeuw, waarin wij leven, is er beweging op ieder gebied, ja, we zouden ze haast de eeuw der beweging kunnen noemen. Beweging is er ook in Nederland, waar de polsslag van het leven gewoonlijk minder haastig klopt dan in de omliggende streken. Ja, zelfs is er beweging in de Ned. Hervormde Kerk. Dat logge lichaam, met zijne Synode, besturen en lijvigen reglementenbundel gaat waggelende van jaar tot jaar zijn gang. Gods wezen en naam wordt aangetast rondom en binnen in de Ned. Hervormde Kerk; zij zelve beweegt zich niet. Christus' godheid wordt geloochend. Zijn verzoenend lijden miskend, de feiten van opstanding, hemelvaart enz. vervalscht en veracht, het laat haar koud ; zij roert zich niet. Gods Woord, de Heilige Schrift, wordt uiteen gerafeld, gescheurd, mishandeld, zij schijnt het niet te merken en dommelt rustig voort. De schatten der Gereformeerde Kerk, hare drie Belijdenisschriften, worden veracht, de waarheden, voor welke onze Vaderen hun bloed hebben veil geacht, als waardeloos terzijde gesteld. Het schijnt haar niet te treffen, zij blijft koud«.
Helaas ! is er veel waars in deze beschouwing. Groen kon er ook zoo over spreken. Wij hebben er ook reeds meer dan 30 jaar zoo over geschreven en gesproken.
Maar Groen deed het om te blijven en om de Kerk, die zoo diep gevallen was en zoo zwaar zondigde en zoo ernstig krank was, maar die hij zoo lief had en zoo lief bleef hebben, — om die Kerk te helpen. Wat kon Groen scherp zijn. Maar, de geschiedenis van de Hervormde Kerk kende hij en hij waarschuwde zoo ernstig voor verkeerde toepassing van z'n klachten.
Ds. Proosdij, die tot de Gereformeerde Kerken behoorde, klaagde ook. En dan eindigt hij zijn klacht (in de inleiding) met deze woorden :
»Doch dit logge lichaam, loom, vadzig en traag voor de geestelijke goederen, leeft nog, beweegt zich, krijgt kleur, wordt warm, rap ter voet en vlug met den mond, ja, wordt boos, ijvert, woedt, wanneer het gaat om zelfbehoud, als de stoffelijke goederen gevaar loopen, als het gaat tegen de belijders der Waarheid. En 1834 en 1886 bewijzen, dat er beweging kan komen, doch alleen om de spijze die vergaat en alleen tegen de Gereformeerden«.
Wat is er veel in deze beschouwing, dat waar is, helaas !
En toch — en toch wat blijkt hier nu weer, dat men gruwelijk overdrijft en schandelijk eenzijdig is en blijft, met ontkenning en verachting van wat evengoed waar is in onze Hervormde Kerk, namelijk, dat er rondom 1834 en rondom 1886 nog iets anders is dan haat tegen de Gereformeerden en alléén ijveren voor de spijze, die vergaat. Dat er in die jaren warme belangstelling was voor de Gereformeerde Waarheid, dat er was liefde en ijver voor den Heere en Zijn Woord en Zijn dienst en Zijn Kerk. Dat er honderden en duizenden waren, die in woord en geschrift, in gebed en ijver opkwamen 'voor de eere Gods en den strijd aanbonden voor 'sHeeren Kerk. Die zich schaarden rondom het oude vaandel en wilden strijden rondom de banier der Waarheid — maar die niet meegingen met de Afscheiding, die niet mee optrokken met de Doleantie.
Waarom zegt men nu alléén maar het ééne en dan met zoovele sterke woorden, en waarom heeft men geen enkel, geen énkel woord zelfs over voor het andere ?
Goed, noem de Hervormde Kerk een log lichaam, wij hebben het zelf óok wel gedaan. Noem de Synode en de reglementenbundel, wij hebben het zelf óok wel gedaan. Noem de zonde der Hervormde Kerk met name, wij hebben het zelf óok wel gedaan.
Maar laten dte menschen van de Afscheiding en de menschen van de Doleantie óók het andere noemen ! Dan komen de dingen heel, hèèl anders te staan.
Onze Hervormde Kerk is nog iets anders dan het non plus ultra van ongeloof en vijandschap. En te zeggen, dat er enkel en alléén maar een ijver is voor de spijze die vergaat, vinden we gruwelijk en slecht.
In één adem willen wij er bijvoegen, dat van Hervormde zijde ook dikwijls op de meest onhebbelijke en geheel onverantwoordelijke wijze gesproken en geschreven wordt over „de Gescheidenen". Waarom kan men niet zakelijk, fatsoenlijk en waar zijn en blijven ?
Allen, die den Naam des Heeren liefhebben en Hem wenschen te belijden naar Zijn Woord, hebben elkander, ook als ze kerkelijk gescheiden van elkaar leven, lief te hebben, te achten en de eere te geven die hun toekomt.
En dan willen wij gelooven, dat men in 1834 naar eerlijke overtuiging uit liefde tot de Waarheid heeft gehandeld. En dat ook in 1886 bij velen vóórzat liefde en trouw inzake Kerk en volk. Maar dan moet men óók willen aannemen en erkennen van den anderen kant, dat er bij duizenden en duizenden in de Hervormde Kerk liefde tot de Waarheid is en een biddend begeeren van en ijverig werken voor het herstel van de Vaderlandsche Kerk, die God Zelf een plaats gaf in het midden van ons volk, om daar te staan als een getrouwe getuige van Jezus Christus en een pilaar en vastigheid der Waarheid.
Groen wilde daarbij van verlaten der Hervormde Kerk niet weten. Ook niet van allerlei drijven van eenzijdige waarheden. Ook niet van geforceerde daden.
Aan het slot van zijn referaat zegt ds. Proosdij aan 't adres van de Gereformeerden in de Hervormde Kerk, dat men zooveel mogelijk van hen moet waardeeren en hij schrijft dan :
»Beter is het te lang geloofd dan te vroeg getwijfeld aan de eerlijkheid onzer broeders ; beter is het te meenen, dat zij in blindheid handelen dan van hen te denken, dat zij heulen met de vijanden, omdat zij vrienden van het geld zijn. Laten wij liever twijfelen aan de helderheid van hun inzicht dan aan de oprechtheid van hun hart; laten wij zooveel en zoolang mogelijk vasthouden aan hunne goede trouw en eerst dan wantrouwen, als ons vertrouwen meermalen geschokt en bedrogen is«.
En dan ten slotte :
»Laten wij bij den strijd, dien wij tegenover hen moeten voeren, niet vergeten te waardeeren wat zij doen. En men zegge niet: hunne daden zijn alleen woorden. Want zij doen door prediking, catechisatie en andere werkzaamheden, meer dan praten. En ook hunne woorden zijn in den vijandigen kring, waarin zij spreken, tevens daden. Zij vooral hebben, zoo hun getuigenis getrouw is, hun deel van den smaad, waarmede de Gereformeerde leer en het Gereformeerde volk altijd beladen is en nog beladen wordt. Laten wij medelijden hebben met hunne personen, want wie in de frissche lucht mag ademen, heeft het beter dan wiens borst benauwd en wiens keel toegeschroefd wordt in bedompte atmosfeer. In de vrije lucht van het Gereformeerde kerkelijke leven, al is er soms een klein onweder, ademt het ruimer dan in de lage lucht van het Hervormde kerkelijke leven, al is het daar stil. En bovenal, vergeten wij niet voor hen te bidden tot Hem, die eerlijkheid van hart, helderheid van inzicht, kloekheid van belijden en getrouwheid in daden schenken moet«.
7 Juni 1897 — bij het naderen van den stembusstrijd — gaf dr. A. Kuyper deze Verklaring :
»Als Godgeleerde, als canonicus en als belijder van den Christus, stel ik aan de Ned. Hervormde Kerk geen anderen eisch, dan dat zij voor het gezag der Heilige Schrift weer buige en terugkeere tot de Belijdenis der Vaderen, gelijk die met het bloed onzer martelaren bezegeld is;
en zoodra dit zal geschied zijn, zal ik met alle Gereformeerden, met dankbare vreugd weer met alle broederen de aloude eenheid van de Kerk onzer Vaderen helpen herstellen«.
Prachtig.
Maar intusschen leeft men zelf in „de frissche vrije lucht van - het Gereformeerde kerkelijke leven" en laat men ons den strijd strijden in „de bedompte atmosfeer en de lage lucht van het Hervormde kerkelijke leven".
Dat had anders moeten zijn. Ook anders kun­nen zijn.
[Wordt voortgezet.]

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's